Antilliaanse les

De Nederlandse Antillen bestaan niet meer, en dat stemt mij toch somber. Ik was 17 jaar, mijn haar was door zon en zee gebleekt, mijn lichaam gebruind. Het mooist vond ik de scheiding van de donkere en witte huid tussen mijn vingers. Zes weken lang had ik iedere dag gezwommen, aan baaien gelegen, en Van Leeuwen en Arion gelezen .

De ABC-eilanden, 1983. Toen alles in mijn leven nog onbezorgd was. Mijn zus en ik verbleven anderhalve maand op de Antillen, in het kielzog van mijn moeder, die namens de Nederlandse politiek de teergevoelige koninkrijksrelaties moest verbeteren. Dit speelde zich af ten tijde van het verlangen van het A-eiland naar een 'status aparte'. Er waren destijds twee grote politieke stromingen op de Antillen: de M.E.P. van de later onder mysterieuze omstandigheden verongelukte Arubaanse politicus Betico Croes, en de M.A.N. van de toenmalige Curaçaose minister-president Don Martina.


Bij de laatste heb ik het bijna nog verbruid. Bij aankomst op het Curaçaose vliegveld Hato werden mijn moeder en de andere Nederlandse delegatieleden ontvangen door een vlaggetjeswapperende schoolklas en gereserveerde vertegenwoordigers van de Antilliaanse regering. Wij mochten met mijn moeder meerijden in de auto van Don Martina, een imposante man met een Den Uyl-achtige uitstraling. Mijn zus en ik waren niet gezagsgetrouw opgevoed, maar toch vond ik het bijzonder om in één auto te zitten met een minister-president, die nota bene zelf achter het stuur zat.


Nu was ik tot het begin van mijn zeventiende de kleinste van mijn klas, maar in een paar maanden tijd was ik doorgeschoten naar 1.85 meter. Niet alleen stootte ik overal dingen om, ook geestelijk was ik nog niet meegegroeid. Onderweg van het vliegveld naar ons tijdelijke woonadres keek ik verwonderd naar de wirwar van de vele Curaçaose huisjes met tuintjes. Met puberale domheid vroeg ik oprecht verbaasd: 'Hè, rijden we hier over een camping?'


De minister-president draaide zich naar me om en vroeg wat ik bedoelde. De blik van mijn moeder. Nee, we reden niet over een camping: we reden midden door Willemstad, de hoofdstad van het eiland Curaçao.


Ik was 17, hormonen regeerden mijn wereld, mijn uiterlijk, mijn houding, het kraterlandschap in mijn gezicht. We logeerden tijdelijk bij een lokale tv-beroemdheid, de presentatrice Mavis Albertina, oftewel de Oprah Winfrey van de Antillen. Op een avond nam Mavis mijn zus en mij mee naar een concert van de ook in Nederland bekende band Doble R ('Zullen we maar weer een potje dansen?').


Mavis leerde me de merengue, een soort Caraïbische contactsport voor op de dansvloer. Bij een van de opzwepende tumba-nummers trok ze me mee. Moederlijk pakte ze me beet.


'Je moet je heupen bewegen alsof je met een meisje in bed ligt', zei ze. Ik knikte zenuwachtig dat ik het begreep. Ik was 17, ik had geen flauw idee hoe ik mijn heupen moest bewegen als ik met een meisje in mijn bed lag, al was het maar omdat ik geen idee had hoe ik een meisje überhaupt in mijn bed kréég.


Mavis was een geweldige lerares, binnen een paar nummers had ik de merengue in de heup, even afgezien van het feit dat waar ik danste mensen struikelden en dingen omdonderden. Pas later, veel later, leerde ik dat ook het omgekeerde geldt: dat je in bed met een meisje je lichaam moet schudden alsof je de merengue danst. Een levensles, geleerd in een land dat niet meer bestaat.


Meer over