Antigone's Solness is must voor Ibsen-liefhebber

Bouwmeester Solness van Henrik Ibsen door Theater Antigone, regie Ignace Cornelissen. In Brakke Grond Amsterdam t/m 11 februari. Tournee...

HEIN JANSSEN

Tamelijk opmerkelijk aan Bouwmeester Solness van de Vlaamse theatergroep Antigone is dat het hier nauwelijks nog over de bouwmeester zelf gaat maar veel meer over de vrouwen om hem heen. Vooral de jonge Hilde Wangel, die Solness het hoofd op hol brengt, komt uit deze indrukwekkende opvoering als overwinnaar uit de strijd. En Solness is de verliezer, hij lazert tenslotte aan het eind van het stuk van de toren die hij zelf gebouwd heeft. Maar wat een glorieuze val, wat een roemrijk einde.

Deze voorstelling van regisseur Ignace Cornelissen is voor iedere Ibsen-liefhebber een must - net zoals die andere Vlaamse Ibsen die op dit moment langs de Nederlandse schouwburgen toert: Dirk Tanghe's adembenemende visie op Nora, een poppenhuis. Ibsen schreef stukken over vrouwen (Nora, Hedda Gabler, Spoken) en over mannen (Bouwmeester Solness, John Gabriël Borkman, Wanneer wij doden ontwaken). Over oude mannen vooral die op de valreep van het leven nog één keer gloeien. In deze produktie valt pas goed op hoezeer ook Ibsens mannenstukken in wezen over vrouwen gaan - ook hier ontleedt hij liefdevol en genadeloos de vrouwelijke ziel.

Bouwmeester Solness wordt gespeeld in een door blank hout afgebakend speelvlak, waarvan de plinten sfeervol verlicht zijn. Zo kijk je aan tegen een helder en fris, ja haast Ikea-fris, in ieder geval Scandinavisch fris toneelbeeld. In het midden ligt een berg houtskool, als symbool van een verbrand leven. Soms ontsnappen er flarden rook uit de kolenberg, als teken dat er iets smeult. In dit betekenisvolle toneelbeeld gaat het om één ding: het gevecht tussen de oude Solness en de nog van jeugd blozende Hilde.

Solness is de oude bouwmeester die kathedralen had willen bouwen, maar hij hield het bij bescheiden huisjes. Eén keer bouwde hij een kerk met een toren en eigenhandig heeft hij toen een bloemenkrans om die toren gehangen. Hilde Wangel zag dat en viel voor zijn charmes en mooie praatjes - hij zei dat hij haar ooit zou komen halen en een prinsesje van haar zou maken. Maar Solness ging en Hilde bleef, gevangen in haar kooi in die koude stad in het noorden en met een dominee als vader.

Als het stuk begint, is het tien jaar later en komt Hilde het leven van Solness verstoren. Zij eist dat hij zijn belofte nakomt, dat hij luchtkastelen voor haar bouwt, dat er gezang klinkt in de lucht. En hij, de oude baas, gaat voor de bijl, door de knokige knieën. Hij had al zo weinig, zijn huis is een grafkelder en zijn vrouw is van binnen zo koud als ijs. Bovendien staat in zijn bedrijf de jeugd klaar om de macht over te nemen. Hij is doodsbang voor die jeugd, omdat hij zelf al zo oud is en nog vol dromen. En dan is er nog het grote verdriet dat Solness en zijn vrouw voorgoed uit elkaar heeft gedreven: het afbranden destijds van hun huis en de dood van hun twee kinderen.

In dit verschroeide leven komt Hilde Wangel weer wat vuur brengen. Ze is nog een meisje, dat met de oude man speelt als met een afgetakelde pop en opgetogen droomt van prinsen en kastelen. Maar ze is ook een brutale Lolita die haar blonde lokken losgooit en met haar billen omhoog op handen en voeten in de armen van de bouwmeester kruipt. Naief in haar dromen, listig in haar verleidingstrucs - Hilde Wangel is een vróuw.

Bij Theater Antigone wordt Hilde gespeeld door de piepjonge Katrien De Becker en zij is dè verrassing van deze voorstelling. Het laatste half uur kijk je eigenlijk alleen nog maar naar haar, naar die grote ogen, die tomeloze energie en die roekeloosheid. Ze rent heen en weer, ze sluipt en slurpt en klimt zelfs op de houten wand waar ze haar spel verder speelt, als een acrobate in het circus. Dries Smits is een licht-ironische Solness, maar alles behalve netjes of deftig. Hij is eerder wat slonzig en sloom, met zijn nasale stem en sjofele uiterlijk. Geen bon-vivant of oude geilaard, meer een tovenaar uit een sprookje.

De confrontatie tussen deze twee acteurs is heftig en de stemming schiet heen en weer tussen gevaarlijk en zeer intiem. Ook de kleinere rollen in dit ensemble zijn voorbeeldig bezet met een mooie Arthur Boni als de dokter en Rosemarie Bergmans als mevrouw Solness, die na de rampen die haar hebben getroffen iedere zonnestraal zorgvuldig buiten de deur heeft weten te houden.

Deze Bouwmeester Solness geeft aan het eind bovendien ook nog een antwoord op de allesomvattende vraag van Ibsen wat je met de ouderdom moet als de jeugd klaar staat om de deur in te beuken. Gewoon van de toren springen.

Hein Janssen

Meer over