ANNIE BROUWER

In een DOOR MOLUKKERS gekaapte trein besloot ze de politiek in te gaan. De Utrechtse PVDA-burgemeester Annie Brouwer is ALTIJD nogal radicaal in haar beslissingen....

tekst geke van der wal ; fotografie wim van de hulst

Ze draagt opvallende sieraden. Vandaag hangt om haar hals een ketting van grote ronde, grijskleurige platen; rond haar pols zit eenzelfde plaat. Het andere sieraad, de burgemeestersketting, blijft in het foedraal op tafel liggen - ook al probeert de bode haar ervan te overtuigen de ketting te dragen als ze halverwege het gesprek even vertrekt om een bijeenkomst van studenten toe te spreken. 'Dat moet', weet hij, 'het is officieel.' Zij vindt van niet. Hij soebat nog even. Zij, met een ongemakkelijk lachje. 'Dat bepaal ik toch zelf?'

Behalve haar sieraden is er niets extraverts aan Annie Brouwer. Ze is beheerst, tongue in cheek, haar humor is zo fijn dat alleen de goede verstaander hem opmerkt. Nuchter en laconiek, ze is de eerste om zichzelf te relativeren. 'Eigenlijk', zegt Brouwer met haar wat lijzige stem en Groningse tongval, 'vind ik het vervelend om lang over mezelf te praten.'

Ze werd in de zomer van 1999 met veel rumoer burgemeester van Utrecht. De procedure nam nogal wat tijd in beslag, namen van kandidaten lagen op straat, en de rapen waren helemaal gaar toen de commissaris van de koningin de voordracht van de vertrouwenscommissie omdraaide en zijn partijgenoot, de d66'er Kohnstamm, op nummer één zette. Daar tussendoor trompetterde de schrik van de politieke burgerij, Henk Westbroek, nachtburgemeester en voorman van Leefbaar Utrecht. Hij vond zichzelf het meest geschikt.

Brouwer: 'Een rare periode. Iedereen geniet mee. Zelf sta je buitenspel, je hebt nergens invloed op. Mensen zeiden tegen me, trek je toch terug, waarom doe je dit nog? Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik heb a gezegd, dan ga ik door tot het bittere einde.'

Het eerste jaar was moeilijk. De raadsvergaderingen, met name die over de toekomst van het stationsgebied, duurden soms tot diep in de nacht. Chaotische taferelen, continu interrupties, geschreeuw, huilbuien. En een burgemeester, zo luidde de kritiek, die de boel niet goed in de hand wist te houden. 'Ik heb me die kritiek aangetrokken. Hoe kan ik die eindeloze vergaderingen beperken? Je kunt tot op zekere hoogte sturen. Het blijft wel opletten geblazen. Ik kan niet zoals in de vorige gemeenten tijdens de raadsvergaderingen nog wat stukken doornemen.'

Weleens gedacht: was ik hier maar nooit aan begonnen?

'Nee, ik heb nooit ergens spijt van. Ik vond het wel vaak heavy. Je zit ook qua publiciteit onder een glazen bol, je loopt meer risico's. Mensen gooien al hun temperament in de vergaderingen. Je hebt ze niet aan een touwtje. Maar het zijn volwassen mensen die verantwoordelijk zijn voor hun eigen gedrag. Daarop spreek ik hen aan. Ik ben niet de kleuterjuf van de raad.'

Bij de start van het nieuwe college, begin dit jaar, vond Leefbaar Utrecht de herbenoeming van de burgemeester niet vanzelfsprekend. Vond ze dat kwetsend? 'Nee, hoor. Waarom? Ik had het verwacht, ik ken mijn pappenheimers. Alhoewel ik het in de krant moest lezen. We hebben een plezierig gesprek gehad. Daaraan bewaar ik goede herinneringen.'

Ze praat met grote terughoudendheid over Leefbaar Utrecht. Ze vindt het 'niet correct' om het voortdurend over die ene partij te hebben. Als burgemeester zijn alle partijen haar officieel even lief.

De stijl van schreeuwend politiek bedrijven ligt u vast niet.

'Het is niet mijn stijl, maar het spreekt kennelijk aan.' Maar, haast ze zich te zeggen, ook andere partijen zijn fel, zitten er bovenop.

Droogjes: 'Er zit niemand in de raad met het idee, het wordt vanzelf wel laat.'

Ze is geboren en getogen in de stad Groningen. 'Mijn vader was hoofd van een openbare lagere school. We hadden altijd leerlingen en ouders over de vloer. Ik had geen broers of zussen, ik vond het wel gezellig. Mijn moeder en ik werden geacht deel te nemen aan alle activiteiten. Zij naaide kostuums voor de jaarlijkse toneelstukken. We gingen samen langs de deuren om te collecteren voor het openbaar onderwijs. Wij hadden die school heel erg in huis. Vergelijkbaar met wat ik doe; mijn kinderen ervaren mijn werk net zo.

'Ik ben vrij opgevoed, in grote zelfstandigheid. Mijn ouders waren niet erg jong toen ze me kregen. Ik moest me alleen zien te redden als zij er niet meer zouden zijn. Ik was 9, en ik wist precies wat ik moest doen als hen iets zou overkomen. Mijn vader had alles opgeschreven in een schriftje. Toen hij stierf, ik was inmiddels 31, kwam dat schriftje tevoorschijn. Hij had het keurig bijgehouden, ik hoefde alleen maar de blaadjes om te slaan, ik kon het gewoon afvinken.

'We waren zo'n traditionele rode familie, met abonnementen op Het Vrije Volk en de VARA-gids. Er werd bij ons thuis veel over politiek gesproken, maar de belangstelling was vooral gericht op de vakbond en het onderwijs. Mijn vader vond ook dat je niet kon volstaan met het betalen van contributie. Je moest actief zijn, in een bestuur gaan zitten of zo. Je mocht niet alleen praten, je moest wat doen. De samenleving opbouwen. Dat spreekt mij wel aan, ik ben in dat opzicht niet ver van de stam gevallen.'

Het sprak vanzelf dat ze zou studeren. En dat ze haar eigen kost zou verdienen. 'Niet denken dat er een prins op het witte paard langskomt waarna je kunt stoppen met werken. Dat heeft nooit in mijn denkwereld gezeten. Mijn man en ik deden onze kinderen ook op een kinderdagverblijf. Daarover werd ik in die tijd vooral door vrouwen nogal eens onder vuur genomen. Toen ik eind jaren zeventig in Nijmegen politiek actief werd, ging ik eens naar een bijeenkomst over kinderopvang van de Rooie Vrouwen. Op zeker moment vroeg ik of ze hun eigen kind op een kinderdagverblijf zouden doen. Zeiden ze haast allemaal nee. Nou ja, dacht ik, hier hoor ik niet bij, hierin ga ik geen energie steken. Ik heb geen zin me te moeten verdedigen.'

Even later: 'Mijn dochter klaagt nooit dat ze anders opgevoed had willen worden. Ze zegt: ik had je niet de hele dag om me heen willen hebben. We zijn heel erg aan elkaar gehecht, hoor.'

Na haar studie rechten (enthousiast: 'Ik heb dat zo verschrikkelijk leuk gevonden. Ik zou het zo weer willen overdoen.') werd ze juridisch medewerker bij het academisch ziekenhuis in Groningen. Toen haar man werk kreeg in Nijmegen, verhuisden ze naar die stad. In afwachting van een andere baan reisde ze nog even op en neer naar Gro nin gen. Ook op maandagochtend 23 mei 1977, toen enkele minuten na negen uur Molukse jongeren de trein even voorbij Assen tot stilstand dwongen.

'Ik wist meteen dat het een kaping was. Twee jaar eerder was er bij Wijster een trein gekaapt, dat stond nog op je netvlies gebrand. Ze verschenen in de deuropening, bewapend. 54 Mensen werden bij elkaar in een coupé gestopt. De andere passagiers mochten de trein verlaten; het moest beheersbaar voor hen blijven. Als ze geweten hadden dat ik zwanger was, hadden ze me bij die selectie waarschijnlijk laten gaan. De vrouw naast me huilde, die mocht eruit. Ik bleef nogal stoïcijns en moest blijven.

'We zaten met zijn tweeën op de bankjes, twee tegenover twee. Je mocht niet opstaan, behalve om naar de wc te gaan. Nadat ik drie dagen zo gezeten had (ze kromt haar rug) kreeg ik zo'n ongelooflijke buikkramp. Ik werd kwaad, en riep naar die kapingleider dat ik zwanger was, en dat ik even moest staan en rondlopen.'

Ze had een appel bij zich. Een kleinood, want de eerste dagen was er geen eten of drinken.

'Je hebt vooral dorst. Honger, nee, je hoofd staat niet naar eten. Je denkt alleen maar, hoe kom ik hier uit, en hoe wordt er buiten gereageerd. Ik had gelukkig ook een boek bij me. Merkwaardigerwijs, en ook wel bijzonder, was dat Het oponthoud van Sartre. Ik was al over de helft. Telkens als ik een hoofdstuk uit had, scheurde ik die eruit en gaf die door.

'Ik was niet echt bang, ik dacht alleen: als er maar niet wordt geschoten. Het werd pas moeilijker toen het maar duurde en duurde. Op een gegeven moment hoorden we dat er ook kinderen in een school waren gegijzeld. We dachten: nu gaat alle aandacht naar die kinderen, dat vinden mensen veel erger. Daarvan waren we wel down. Achteraf zeiden vrienden tegen me: hoe had je dat nou kunnen denken? Maar doordat je van de buitenwereld bent afgesloten, weet je niet meer hoe het buiten is, je maakt verkeerde inschattingen.'

Ze werd samen met een andere zwangere vrouw na vijftien dagen vrijgelaten, een paar dagen voor het einde van de kaping. Hulpver le ning was aan haar niet besteed. 'Wat voor rare dingen die niet allemaal bedacht hadden! Ze vonden dat de vrijgelaten gegijzelden een tijdje bij elkaar moesten blijven. Ze hadden bedacht dat ik eerst onder de douche moest en schone kleren moest aantrekken voordat ik met mijn dierbaren in contact kwam. Toen ik in het ziekenhuis aankwam, stonden daar een hele hoop hulpverleners klaar van wie je helemaal niet wilde dat ze je opvingen. Op zeker moment kreeg ik Hans, met in zijn kielzog mijn ouders, in het oog die zich door rijen mensen moest banen om bij me te kunnen komen. Hij had al twee weken met de hulpverlening en lotgenotengroepen te maken gehad. We zijn daar zo verschrikkelijk van over onze nek gegaan.'

Ze heeft nooit meer contact gehad met de andere gegijzelden. 'Waarom zou ik? Je zat er niet voor je plezier. Waarover zou je het moeten hebben?'

Zij voelt zich meer thuis bij vrienden die naderhand grapten: 'Annie, wil je je borrel op een lorrie of liever gewoon?'

In de trein heeft ze veel nagedacht. 'Want vijftien dagen is toch wel lang. Ik had het gevoel: als ik hier uitkom wil ik opnieuw beginnen. Een draai maken. Ik hoefde niet zo nodig meer een nieuwe baan. Car rière maken vond ik opeens ontzettend onbelangrijk. Ik besloot om actief te worden in de politiek. Toen ik weer recht op mijn benen stond, ben ik naar een pvda-ledenvergadering in Nijmegen gegaan en heb gevraagd wat ik zou kunnen doen.'

Een nieuw leven.

'Nee, een ander leven. Er gebeurde in die tijd ook veel. Ik was net een paar dagen uit de trein toen ik overal uitslag kreeg. Het leek op rode hond, niet echt fijn is als je zwanger bent. Vervolgens bleek mijn vader heel ernstig ziek te zijn. Hij stierf dat jaar. Dan ben je zo intensief met andere dingen bezig.'

Bij het afscheid van het ziekenhuis kreeg ze een treinabonnement. Een vreemd cadeau. 'Ja, ze zullen wel gedacht hebben: ze moet maar veel met de trein, dan komt ze eroverheen. Nou ja, dat doe je ook. Ik had die eerste jaren wel altijd eten, en vooral drinken bij me. En ik zat graag dicht bij de uitgang: als er wat gebeurt, spring ik meteen eruit.'

Ze laat zich geen trauma's aanpraten. 'Onzin. Het is lang geleden. Natuurlijk heeft het impact. Ik ben een ander leven gaan leiden, de politiek ingegaan. Ik ben vrij radicaal in mijn beslissingen. En daarop kom ik meestal niet terug.'

Ze houdt niet van klagers. 'Ik vind dat mensen heel snel klagen. We leven in een gemiddeld aardig functionerende democratie. We hebben een buitengewoon menswaardig bestaansniveau. Je mag ook weleens tevreden zijn, of gelukkig. Toen ik in Utrecht werd benoemd, gaf mijn beste vriendin me een dichtbundel van Rutger Kopland, Geluk is gevaarlijk. Ze schreef er een opdracht bij: "Maar het is niet verkeerd om dat geluk heel bewust na te streven." Mijn dochter zegt altijd: mondhoekjes omhoog. En dan weten we precies wat we bedoelen.'

Een burgemeester komt veel klagers tegen.

'Ja, heel veel, en ik wil ze altijd toeroepen: pak het positieve op, wees nou eens trots op je stad. Ik ben zelf ook iemand die ervoor gaat, ik laat me niet overheersen door negatieve zaken. Ik geef onmiddellijk toe dat er misschien 10 of 20 procent fout gaat, maar dat betekent dat 80 procent wel goed gaat. Altijd dat inzoomen op die 20 procent. Dat ergert mij.'

Ze vertelt vervolgens een verhaal over een groepje buitenlandse en Nederlandse vrouwen op Kanaleneiland dat een 'comité voor leuke dingen' had opgericht. Na tien minuten enthousiast vertellen, onderbreekt ze zichzelf: 'Ik raak helemaal...'

Schrikt u van uzelf?

Ze lacht. 'Nou nee, maar ik dacht opeens: waarom doe ik zo veel moeite dit duidelijk te maken? Ik wil kennelijk dat u ervan overtuigd raakt dat ik dat echt meen.

'Wat me echt aangrijpt, is die moord een jaar geleden op dat Ma rok kaanse meisje uit de Geuzenwijk. Een zwakke wijk met veel problemen. We hadden er veel aan gedaan en we stonden op het punt naar buiten te komen met betere cijfers. Mensen voelden zich er prettiger en veiliger. En toen gebeurde dit. Ik zat in een collegevergadering, ik ben eruit gelopen. Je hebt het gevoel dat alles in elkaar zakt. Dan moet je je aan je eigen haren weer omhoogtrekken.

'Er is tegenwoordig een neiging naar repressie, meer cameratoezicht, meer agenten. Ik wil een andere benadering, de nadruk moet liggen op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers, scholen, welzijnsorganisatie en de gemeente. Je moet mensen blijven aansprekenop hun verantwoordelijkheden. Je ziet wat er gebeurt na Volen dam. We richten onze woede op de overheid. Maar we zouden het toch ook normaal moeten vinden dat mensen zich aan de regels houden, hun verantwoordelijkheden nemen? Je wilt dat criminaliteitscijfers omlaag gaan, maar je wilt niet dat mensen alleen maar roepen om meer politie. Ze moeten zelf ook wat willen doen, en niet alleen maar blijven mopperen in de huiskamer.'

In Nijmegen stond ze al vrij snel - ze was een paar jaar actief in de lokale politiek en de gemeenteraad - voor de vraag of ze wethouder wilde worden. 'We hadden inmiddels twee kinderen. De hele zomervakantie van ons gezin is bedorven door mijn twijfel. Ik vond het hea vy, het zou hard werken worden, geen kantoortijden, mijn man werkte in Arnhem, een ingewikkeld leven, en ik wist niet of ik het wel kon, wethouder van zo'n grote stad. Dat getob paste eigenlijk niet zo bij mij. Ik heb uiteindelijk ja gezegd. Ik had een lastige portefeuille, welzijn en sociale zaken, in een periode dat er grote werkloosheid was. Een overdonderende tijd, je staat als wethouder toch erg op barricaden in die wijken, allemaal boze mensen om je heen, die moesten leven van uitkeringen en te maken kregen met bezuinigingen.'

Van wethouder in Nijmegen naar burgemeestersposten in steeds grotere gemeenten: Zutphen, Amersfoort, Utrecht. Toch weer een carrière. Ze haalt haar schouders op. 'Carrière, ach. Ik was in Nijmegen een tijd loco-burgemeester geweest. Ik vond dat leuk. Misschien wel omdat bleek dat het me goed afging. Het was spannend, ontruimingen van kraakpanden. Je zit in het driehoeksoverleg, je moet beslissingen nemen. Het ging goed, en ik dacht: goh, dit kan ik ook.'

U solliciteert wel elke keer naar een grotere stad.

'Ik vind het leuk, maar mijn leven hangt niet ervan af. Daarom kom ik in die gesprekken misschien ook goed over, ik zit nooit in een kramp, ik voel me tamelijk relaxed. Ik heb altijd gekregen wat ik hebben wilde. Ik ben wat dat betreft wel een beetje een zondagskind. Maar carrière, nee, zo is bij mij thuis de sfeer ook niet, wij kijken met gezonde blik naar elkaar. Ze drijven een beetje de spot met me. Moe der moet weer zo nodig een ander baantje, kunnen we weer met zijn allen verhuizen!'

Het gezin gaat altijd gedwee mee?

'Ik overleg het met hen, het wordt allemaal zeer meebeleefd, maar wild enthousiast zijn ze niet. Het is elke keer weer een heel gedoe. Ik had de afspraak met mijn man dat we om beurten de woonplaats mochten bepalen. Ik ben met hem meegegaan naar Nijmegen. Daarna ging de familie met mij mee naar Zutphen. Later zou hij weer aan de beurt zijn, maar dat is anders gelopen.'

Ze doet haar banen of bestuurslidmaatschappen zelden langer dan twee periodes. 'Dan heb je het allemaal wel gezien. Dan dreigt metaalmoeheid, en wordt het tijd voor een frisse blik.'

Zou ze haar partijleider, premier Kok, dat ook adviseren? Helaas, dat vindt ze nou echt een non-issue. 'Laten we ophouden daarover iets te zeggen.'

Ze wil wel zeggen wie de nieuwe voorzitter van de pvda moet worden. 'Sharon Dijksma. De andere kandidaten zijn vijftigers of dikke veertigers. Dijksma is nog geen 30, wees blij dat ze ervoor beschikbaar is. Wij hebben, toen we jong waren en dachten dat we de wereld aankonden, die kans ook gekregen. Laat de nieuwe generatie dit nou eens oppakken.'

Wil ze na Utrecht nog een keer minister of staatssecretaris worden? Haar naam zoemde al rond bij de vorige kabinetsformatie. Laat maar zoemen, ze weigert toch. 'De landspolitiek is niks voor mij. Ik ben een echte lokalo. Ik vind dit mooi werk. Je zit overal dicht bovenop. De mensen spreken je aan op straat. Ze kunnen letterlijk aanwijzen wat hen bezighoudt. Gemeentelijke besluiten zijn zichtbaar, op zeker moment worden ze uitgevoerd. Ik zit ook in andere besturen, bij de reclassering, in het bedrijfsleven, maar mijn ankerpunt zit in de stad.

'Ik hou van stedelijke gemeenten. Ik woon het liefst in de binnenstad, vlak bij de toren, kan ik vanuit huis de klokken horen luiden. Ik beklim die torens ook altijd. Het is mooi om van bovenaf de stad te zien liggen.

'Je moet er alleen in zo'n grote stad als Utrecht op beducht zijn je niet op te sluiten in het stadhuis, en van de ene stafvergadering naar de andere te rennen. Je moet naar buiten. Het wordt mij anders ook te theoretisch. Ik ben een praktisch mens.'

Het liefst zou ze een burgervader willen zijn. 'Of een burgermoeder, als het niet zo'n rotwoord was.'

Meer over