Angst voor de ijdelheid

Klant is koning, vindt de ene portrettist. Je moet je model helpen grenzen te verleggen, meent de ander. Kwetsbaarheid als kracht....

HET moet er appetijtelijk uitzien, zegt Henny Beilemans van galerie Het Portret in Naarden-Vesting. 'En de norm is dat het lijkt.' Het Portret - advies en bemiddeling in portretkunst, bestaat vijf jaar en de oprichtsters getuigen: meer en meer mensen willen zichzelf, geliefde en kinderen in verf vereeuwigd zien. Met hond, met knuffels, of in de tuin. Een beetje gezellig, liefst. Het maakt een prachtcadeau.

Realistische olieverven, zachte aquarellen naar impressionistisch idee, houtskolen en ook foto's: zo'n dertig kunstenaars presenteren zich aan de wanden van de galerie. Het is er dringen. Hier brengen Beilemans en partner Sabine Lohman kunstenaar en klant tezamen.

Een houtskooltekening is tijdloos en populair, zegt Beilemans, fotografie loopt nauwelijks, immers: je schiet zelf tien rolletjes vol, loopt naar de HEMA en laat de leukste opblazen. Klaar. Niets bijzonders. Een schilderij is luxe. Dat is voor als je alles al hebt. Beilemans: 'Er is meer geld, men grijpt terug op traditie, oude normen en waarden.' De kleinkinderen in het trappenhuis, onder grootvader en grootmoeder.

De klant kiest een stijl, Het Portret neemt contact op met de kunstenaar - en het gaat bijna altijd goed. Geliefd is het werk van Fred Schley, Jacques Grégoire, Elizabeth van Helm. Ook Peter Klashorst staat er, Dorinde van Oort. En er melden zich regelmatig nieuwelingen. 'Natuurlijk zouden we graag kunstenaars als Marlene Dumas en Emo Verkerk hebben, maar dat is niet haalbaar. We hebben Verkerk wel eens benaderd, hij hield het heel duidelijk af.'

Verkerk beaamt grif: 'gelegenheidswerk' is niet zijn stiel. De kunstenaar, deze maand onderscheiden met de Thérèse van Duyl-Schwartze portretprijs, heeft een geheel eigen wijze van werken waarbij hij zijn 'model' niet ontmoet, althans niet in de gangbare zin des woords. Doorgaans. Want er waren wel momenten.

Verkerk (1955) schilderde Gerard Reve, op uitnodiging van diens partner Joop Schafthuizen. Eind jaren tachtig trok hij een tijdje in bij het stel in Frankrijk. Hij maakte verscheidene portretten - één uit die serie is momenteel te zien op de expositie Alles in de Wind in het Fries Museum in Leeuwarden, waar in totaal zeventig portretten bijeen zijn gebracht. Toch was het niet zo dat Reve poseerde. Zijn nabijheid was genoeg. Van alle zeventig 'cultuurdragers' nu in het Fries Museum kwam de schrijver de schilder fysiek het meest na.

Een enkele andere opdracht deed hij nog. Kwam er dan uiteindelijk wel uit, maar toch. 'Punt is, dat ik altijd graag wil dat die werken een zelfstandige waarde hebben. En dat willen de mensen meestal niet.'

Hellen van Meene (28) kan inmiddels leven van haar fotografie: opdrachten aannemen hoeft niet meer. Dezer dagen is ze druk met voorbereidingen voor een tentoonstelling van de Londense Citibank Prize waarvoor ze is genomineerd. Dat portretfotografie niet goed verkoopt bij galeries als Het Portret deert haar niet erg. Haar werk, zegt ze, is ook nauwelijks vergelijkbaar. 'Ik fotografeer geen Petra of Barbara, ik werk vanuit de fascinatie voor een uitstraling, een gezicht, een houding, de lichtval op een jurk. Ik zie iemand op straat, en pats! Ik blijf heel dicht bij mezelf. Anderen zullen niets in zo'n meisje zien. Die houden meer van een glamourgirl op een cover. Ik vind dat vreselijk oninteressant. Maar gelukkig hoef ik er ook niks mee.'

De klant is koning; je werkt in opdracht of niet, vindt Elizabeth van Helm, een van de 'hits' van Het Portret. In vijf jaar tijd werd het portretschilderen haar voornaamste bron van inkomsten. Als je je eigen ego niet in bedwang kunt houden ten faveure van de wensen van je opdrachtgever, moet je stoppen. Van Helm (31) overlegt veel en is niet te beroerd dingen bij te stellen. Ze komt bij de klanten over de vloer voor de sfeer. Maakt foto's, vooral bij ongedurige kinderen een uitkomst - al wordt er altijd geposeerd. En ze schildert veel kinderen. 'Jacques Grégoire heeft vaak volwassen mannen. Die zou ik ook wel meer willen schilderen. Maar die komen niet.'

Een klein olieverfportret kost 2200 gulden. Heus niet iedereen hoest dat zo maar op. Een meisje verkocht haar trouwjurk om haar man haar portret cadeau te doen. Een vrouw met een ondeugdelijke fiets gebruikte na een ongeluk het verzekeringsgeld om zich een portret te laten schilderen.

IJdelheid als drijfveer? Van Helm denkt van niet. 'Mensen zijn juist bang voor ijdelheid. In eerste instantie verontschuldigen ze zich vaak voor hun wens. Ik probeer ze op hun gemak te stellen. Een portret kan confronteren. Je moet er eigenlijk verre van ijdel voor zijn.'

H

OE dan ook, wallen en haren zijn altijd punt van zorg. 'Dan leg ik uit dat een oog niet kan bestaan zonder oogkas, dat daar nu eenmaal schaduw van komt. Dat het geen leeftijdskwestie is, dat een baby dat ook kan hebben. Dan leg ik er twee vingers overheen en laat zien hoe raar het is als dat ontbreekt. En dat een piekje haar hier of daar speels is. Maar ik zoek altijd een flatteuze invalshoek. Ik zal niet snel een stevig iemand van onderen schilderen.'

Wallen en haren staan ook bovenaan het lijstje van make-up artist Irene van Baaren. Dagelijks maakt zij met zorg haar portretjes, ingekaderd door de beeldbuis. 'Als je mensen zo zonder meer voor de camera zet, zien ze er ziek uit', zegt ze. 'Ik maak ze in eerste instantie weer gezond.' Daarna pas komen de extra's. Ze grimeert afwisselend voor (ochtend-) journaal en Nova, maar ook Herexamen en Per seconde wijzer. Ze 'doet' de presentatoren én de gasten - in nationaal verband niet de minsten. Geduld is een schone zaak, evenals discretie. 'Ik ben het laatste rustpunt voordat ze moeten presteren.'

Een enkele collega die het wel doet, maar echt 'iemand creëren' is er wat Van Baaren betreft niet bij. De mensen moeten er goed uitzien. Weg met dat verregend hoofd, weg bad hair day. Een scheve lip wordt optisch gecorrigeerd, pukkels weggewerkt - als er maar niets is dat afleidt.

IJdele diva's vindt ze nauwelijks op haar weg. 'Mannen hebben vaak al helemaal geen wensen, die krijgen een basis en dat is het. En vrouwen, ja er zijn een paar standaarddingen: een voller gezicht wordt op de buis alleen maar voller, dus breng je schaduw aan.'

Het is dienend, beaamt ze. Haar fantasie bewaart ze voor de dramaseries waaraan ze eens in de zoveel tijd meewerkt. 'Alle typetjes die ik zie, sla ik op.' Nooit zal ze de dichtgeplamuurde dame achter de Chanelcounter in de Bijenkorf de les lezen. 'Mooi beeld, denk ik dan, dat kan ik gebruiken.'

Fotografe Hellen van Meene is wel verweten misbruik te maken van haar modellen, veelal jonge vrouwen, meisjes nog bijna, in wat werd omschreven als kwetsbare poses. Geërgerd slaat ze haar map open: een serie van tien foto's van hetzelfde meisje - maar zo onderling verschillend dat het even duurt voordat je dat hebt geconstateerd. Van Meene werkt veel met dit model: '29 Jaar, woont ook in Alkmaar, we zijn op elkaar ingespeeld.'

Op de foto zit ze aan tafel, een beetje landerig met haar hoofd tegen de vensterbank. Op de tafel, op een velletje keukenpapier, een zorgvuldig geschilde en in partjes gesneden appel. Zacht licht strijkt over het vervreemdende tafereel. Volgende: het meisje in een zomers bloemetjesjurkje tegen de achtergrond van een hulstachtige struik: koud lijkt het. Derde prent: in haar ondergoed, half gebogen, blank en knokig als een Jezusbeeld.

De fotografe: 'We worden overspoeld met seksprogramma's, maar een meisje in een bloeme tjesjurk bij een besjesboom, daar kunnen we opeens niet meer tegen.'

Even later: 'Ik laat dingen zien die je normaal voor jezelf houdt. Dat is kennelijk confronterend. Ik mik daar niet op, het is geen effectbejag. Ik kijk gewoon. . . via mijn buik.'

Dit voorjaar werkte ze in Japan. Pikte dertig modellen van de straat. Het werk ging als vanzelf. 'Ik had het niet verwacht. De meisjes spraken geen Engels, ik geen Japans, maar het was geweldig. Het was als verliefd worden. De taal doet er niet toe, je communiceert toch wel. Ik respecteer hen, zij mij. Later dacht ik: zo werkt het dus. In Alkmaar en in Tokio.

'En wat betreft die kwestbaarheid: je moet behoorlijk sterk zijn om in je badstoffen broekje langs de snelweg te gaan staan. Of met je klepperknietjes in een plas, op nieuwjaarsmorgen. Dat vind ik ook belangrijk aan mijn werk: je leert mensen hun grenzen te verleggen. En uiteindelijk ben ik eindverantwoordelijk. Ik steek óók mijn nek uit.'

Emo Verkerk schildert odes. Het begint met ontroering, vaak. Een gevoel, de wens het schilderij te geven aan degene die wordt geportretteerd. Een cadeautje. Aan Francis Bacon, begin jaren tachtig, als de eerste. 'Ik was erg onder de indruk van de man.' Rembrandt volgde, toen Spinoza, en inmiddels zijn het er meer dan tweehonderd. Soms maakt hij er per persoon verscheidene. 'Ik ben een enorme twijfelaar.' Het kunnen collages zijn, objecten, opgebouwd uit alle denkbare materialen, of 'gewoon' verf.

Hij wordt geraakt, verdiept zich, leest of luistert naar alles wat er rond die ene figuur is te vinden en bouwt een volledig universum rond zijn 'model'. 'Ik weet nooit waar ik uitkom. Des te meer ideeën aan het begin, des te ingewikkelder het wordt aan het einde. Dan kijk ik terug en dan léér ik ook weer terug van een schilderij.'

C

ONSTANCE Wilde, echtgenote van Oscar, heeft een kanten klederdrachtkap op haar hoofd, compleet met gouden oorspiegels. Ze hield daar erg van, las Verkerk, in dergelijke kledij verscheen zij wel op soirées. En met die glanzende ornamenten aan weerszijden van haar hoofd, daarmee houdt ze haar man een spiegel voor. Oscar met zijn escapades. Op de tentoonstelling Alles in de Wind hangt het stel naast elkaar, Oscar in de gevangenis, in streepjespak.

'In elk portret zit iets van mezelf. Mijn geestkracht. Mijn zwakte. In de tijd dat ik zelf stevig dronk, schilderde ik stevige drinkers. Als steun, misschien. Zo van: het kan altijd nog erger.'

Soms gebeuren er wonderlijke dingen. Voor het portret van Kafka gebruikte hij (onder meer) een figuurzaag; even later las hij Die Verwandlung: een heel stuk over figuurzagen. Vasalis schilderde hij tegen de achtergrond van het water, nadat hij diezelfde dag een stukje had gevaren, niet ver van zijn woonplaats Den Helder nabij de Stevinsluis; kort erop las hij dat ze in de bus over de Afsluitdijk rijdt.

Bij elk portret hoort een mooi verhaal. Bij pianiste Maria Joedina, Stravinsky en de onbekende Sovjet-functionaris in die opvallende lijst. Bij de ontmoeting tussen Buster Keaton en Samuel Beckett. Bij de ogen van Jean-Paul Sartre, bij de pijp van Simenon. Voor de tentoonstelling in Leeuwarden zijn ze weer bij elkaar, van sommigen is het lang geleden dat de kunstenaar ze voor het laatst zag. 'Ze zijn nog goed', zegt hij verheugd. 'Daar ben ik best fier op.' James Joyce, ontbreekt - die hangt op de expositie van de koningin in het Stedelijk.

Alles in de wind, Klein Vademecum van Grote Cultuurdragers uit Binnen- en Buitenland heet het boekje dat bij de tentoonstelling in het Fries Museum verschijnt; en opmerkelijk genoeg moest Verkerk portretten bijmaken. Sommige cultuurdragers had hij nog niet.

Martin van Amerongen, die in dit kader Verkerks portretten voorzag van een verhaal (een heel eigen relaas, niet te verwarren met dat van de schilder), suggereerde er een aantal. Waarop een situatie ontstond omgekeerd aan de normale gang van zaken: het was in zekere zin schilderen in opdracht. Caligula. Jezus. Xantippe en Xenakis.

'Ik geloof wel dat ze uiteindelijk mooi zijn geworden. Maar een beetje tegenzin voelde ik wel.' Want, zegt Verkerk peinzend: 'Ik ben toch eigenlijk een jutter. Ik loop langs de dijk, en wacht tot er iets moois tot mij komt.'

Meer over