AMSTERDAMSE PATIENTEN HOORDEN MET SCHRIK 'GEKERM VAN HUNNEN MAKKER'

De omstandigheden waaronder patiënten in het begin van de negentiende eeuw in de Amsterdamse gasthuizen op hun genezing moesten wachten, hadden meer weg van een marteling dan van een liefderijke verzorging....

HAN VAN GESSEL

Dit deerniswekkende relaas staat beschreven in Amsterdamse gasthuizen vanaf de Middeleeuwen (Amsterdam University Press; ¿ 24,50), een informatief boekje van Frank Tang en Margriet Wigard dat een gelijknamige tentoonstelling (tot en met 3 maart) in het universiteitsmuseum De Agnietenkapel begeleidt. Boek en expositie herdenken het feit dat 325 jaar geleden - op 2 november 1669 - de Amsterdamse hoogleraar Gerardus Blasius officieel toestemming kreeg met zijn leerlingen enkele bedden met patiënten in het Pietersgasthuis (het latere Binnengasthuis) langs te gaan: het begin van een professionele ziekenhuisaanpak. Tegelijk is tot en met 3 februari in het tien jaar bestaande Academisch Medisch Centrum (AMC) de expositie 'Helen in Delen' te zien, waarop een beeld wordt gegeven van 325 jaar academische geneeskunde. Een overvloedig jubileumnummer van AMC Magazine begeleidt deze tentoonstelling.

In het AMC zijn de kennis en de kunde samengebracht van het Binnengasthuis, dat in het hartje van de stad was gelegen, en het Wilhelminagasthuis, dat in 1894 werd gebouwd op de plaats van het vroegere Buitengasthuis. Voorloper van dit Buitengasthuis was het Pesthuis aan de Overtoom, waarheen lijders aan besmettelijke ziekten (schurft, dysenterie, tyfus) alsmede krankzinnigen werden doorgestuurd.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de ontwikkeling van de medische wetenschap in een stroomversnelling, vooral onder invloed van de door de Fransen geïnspireerde Klinische Scholen. In Amsterdam was daarbij een belangrijke rol weggelegd voor prof. C.B. Tilanus, die als eerste in Nederland bij een operatie de nieuwe ontdekking van de narcose toepaste. Er ontstonden tal van specialisaties. Tang en Wigard: 'Het Binnengasthuis heeft als academisch ziekenhuis bij het ontstaan van verschillende van deze medische specialisaties een rol gespeeld: de huid- en geslachtsziekten, de keel-, neus- en oorheelkunde, de moderne oogheelkunde, de neurologie en de röntgenologie. Voor de inwendige geneeskunde waren er in 1882 reeds drie afdelingen, plus de afdeling van de geneesheer-directeur. Voor vele specialisaties werden hoogleraren benoemd, die ieder weer een eigen afdeling kregen.'

Han van Gessel

Meer over