AchtergrondSlavernijverleden Amsterdam

Amsterdam was sterk betrokken bij slavernij, wijst onderzoek in opdracht van de stad uit

Paramaribo, ca. 1860. Portret van Guillaume Jacques Abraham Bosch Reitz (1825-1880) en zijn gezin, met twee slaven: rechts vooraan op de grond met een kind op schoot, en staand linksachter. Beeld Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Het stadsbestuur van Amsterdam heeft laten uitzoeken in welke mate hun verre voorgangers betrokken waren bij slavernij. Veertig onderzoekers stelden vast: ze zaten er tot hun nek in. ‘Staatsbelang, compagniebelang en privébelang liepen vaak naadloos in elkaar over.’

‘Het is hoog tijd voor Amsterdam om formele excuses aan te bieden voor zijn rol in het slavernijverleden.’ Zo luidde de eerste zin van een motie die vorige zomer door een meerderheid in de Amsterdamse gemeenteraad werd aangenomen. Als reactie daarop gaven burgemeester en wethouders aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, IISG, de opdracht ‘een brede terreinverkenning’ uit te voeren – als opmaat tot een verklaring waarmee het stadsbestuur gehoor zal geven aan de oproep van de gemeenteraad.

Dinsdag, iets meer dan een jaar later, verscheen het boek dat Amsterdam in staat moet stellen ‘de identiteit van onze stad opnieuw te definiëren zonder de ballast van het verleden’. In de titel, De slavernij in Oost en West, ligt al een deel besloten van de conclusie die de veertig betrokken onderzoekers hebben getrokken: dat niet alleen de West-Indische Compagnie (WIC) betrokken was bij slavenhandel en slavenarbeid, maar dat ook de VOC – de Verenigde Oost-Indische Compagnie – zich daaraan heeft bezondigd.

Dit impliceert een sterke betrokkenheid van Amsterdam bij de slavernij, zegt Pepijn Brandon, een van de vier redacteuren van het boek. ‘Want de VOC had een grote Amsterdamse component. Tot voor kort droeg die bij aan het positieve zelfbeeld van Amsterdam. Maar slavernij is daarmee niet verenigbaar. De VOC was niet alleen een ondernemende, succesvolle handelsmaatschappij. Ze was structureel betrokken bij uiteenlopende vormen van slavernij. En daarbij waren Amsterdamse kooplieden en Amsterdamse bestuurders op hun beurt per definitie betrokken.’

Perkenier

‘We pretenderen niet dat we onbekende feiten hebben opgediept’, zegt cultuurhistoricus Nancy Jouwe, mederedacteur en auteur van twee hoofdstukken. ‘Veel was al bekend over de betrokkenheid van de VOC bij slavernij, en over het aandeel van Amsterdam in de VOC. Maar nu al die bekende en minder bekende feiten bij elkaar zijn gebracht, zie je pas hoe belangrijk de slavernij ook voor de VOC en voor de Amsterdamse elite was. Neem alleen al het feit dat de eerste overzeese plantages met slavenarbeid niet in Suriname waren gevestigd, maar op de Banda-eilanden – onderdeel van de Molukken. Een plantage werd daar ‘perk’ genoemd en de plantagehouder ‘perkenier’. Maar die lieflijke benamingen doen niets af aan de vrijheidsberoving waarvan de landarbeiders het slachtoffer waren.’

Nancy JouweBeeld Anne van Gelder

In de beeldvorming bij het nageslacht was de VOC tot voor kort weliswaar niet vrij van zonden, maar toenmalig premier Jan Peter Balkenende stelde in 2006 nog onbekommerd ‘de VOC-mentaliteit’ ten voorbeeld aan Kamerleden die de zegeningen van economische groei in twijfel trokken. Hij oogstte weliswaar weerwerk bij SP-leider Jan Marijnissen, maar die bracht de VOC met ‘rooftochten’ en ‘kolonisatie’ in verband. Niet met slavernij.

Slavernij was een thema dat vooral wordt geassocieerd met de WIC, het minder succesvolle zusje van de VOC. ‘Zoals we in het boek uitvoerig memoreren, was de WIC betrokken bij de trans-Atlantische slavenhandel en de slavenarbeid op de plantages in Suriname en andere gebieden in Amerika, de vormen van slavernij zoals we die kennen van films en oude prenten’, zegt Jouwe. ‘Daarmee verdienden veel mensen in Amsterdam, nog afgezien van de bewindvoerders van de WIC, hun dagelijks brood. Op Amsterdamse werven werden schepen gebouwd die specifiek voor de slavenhandel waren toegerust.’

Mogelijk heeft het feit dat het academisch onderzoek naar slavernij in de VS en Groot-Brittannië – de toonaangevende landen op dit terrein – vooral betrekking heeft op de trans-Atlantische slavenhandel er ook aan bijgedragen dat de VOC met haar praktijken in Azië tot dusverre enigszins buiten schot is gebleven. ‘Daar komt bij’, zegt Pepijn Brandon, ‘dat slavernij in Indië vermengd raakte met andere vormen van gedwongen arbeid, waardoor het misverstand kon postvatten dat slavernij er niet voorkwam, of een milder karakter had dan in Amerika.’

Pepijn BrandonBeeld Anne van Gelder

Mentale doorwerking

Hij hoopt dat de studie eraan bijdraagt dat de slavernij in Oost en West integraal (‘niet als niche-onderwerp’) wordt opgenomen in het collectief geheugen van de Amsterdammers. Maar hij beseft ook dat lang niet iedereen in Amsterdam daarop zit te wachten. Laat staan op de excuses die het stadsbestuur volgend jaar naar verwachting zal uitspreken. ‘Als mensen dit verleden niet willen kennen, verandert een boek daar niets aan.’

En het verhaal wordt nog weerbarstiger als het gaat om ‘de mentale doorwerking van drie eeuwen slavernij tot op de huidige dag’. Om hedendaags racisme dus. Mensen die zich niet bewust zijn van hun racisme worden daar niet graag op aangesproken, hebben de onderzoekers geregeld ondervonden. ‘Die mensen omarmen wel probleemloos de tolerantie, de handelsgeest en andere mooie residuen van de 17de eeuw, maar niet de slavernij die daar evengoed bij hoorde. Je kunt als samenleving niet honderden jaren bij iets ingrijpends als slavernij betrokken zijn geweest zonder dat dit maatschappelijke sporen nalaat.’

De nu levende mensen kunnen zich evenmin verbergen achter de onwetendheid van hun voorouders – voor wie slavernij nu eenmaal onderdeel zou zijn geweest van de natuurlijke orde der dingen. ‘Dat is een taaie mythe’, zegt Jouwe. ‘Slavernij is altijd omstreden geweest, en moest dus altijd worden gerechtvaardigd met gelegenheidsargumenten, hetzij ontleend aan de Bijbel hetzij aan de rassentheorieën die tijdens de Verlichting opkwamen. Slavernij was niet alleen met de elite verbonden, ook met de gewone man en vrouw.’

Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum (redactie); De slavernij in Oost en West; Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum, Amsterdam; 448 pagina’s

‘Heldhaftig, vastberaden, barmhartig’

Over de omvang van de slavenhandel door de WIC, en het Amsterdamse aandeel daarin, is beduidend meer bekend dan over de slavenhandel waar de VOC bij was betrokken. In totaal zijn tussen de 16de en de 19de eeuw zo’n 12,5 miljoen mensen overgebracht van Afrika naar Noord- en Zuid-Amerika. Zo’n 550 duizend van hen kwamen op Hollandse en Zeeuwse schepen terecht. Van de naar schatting 135 duizend slaafgemaakten op Amsterdamse schepen hebben zo’n 20 duizend de overtocht niet overleefd. (Bron: www.slavevoyages.org)

Volgens recente schattingen zijn tussen 660 duizend en 1.135.000 slaafgemaakten verhandeld naar gebieden die in Azië onder VOC-bestuur stonden. De onderzoekers Pepijn Brandon en Ulbe Bosma, beiden verbonden aan het IISG, becijferden eerder dat in 1770 zo’n 5 procent van het bruto binnenlands product van het huidige Nederland op slavernij was terug te voeren.

Van de 139 mannen die in Amsterdam tussen 1578 en 1795 het ambt van burgemeester vervulden, waren 70 ook bestuurder van de VOC en/of de WIC, of van de Sociëteit van Suriname (de particuliere beheerder van de kolonie Suriname). Ook de schepenen – vergelijkbaar met de hedendaagse wethouders – hadden belangen in deze ondernemingen. ‘Staatsbelang, compagniebelang en privébelang liepen vaak naadloos in elkaar over’, schrijven de auteurs van De slavernij in Oost en West.

Meer over