nieuws

Amsterdam biedt als eerste stad excuses aan voor slavernijverleden: ‘Eindelijk erkenning’

Amsterdam beleeft donderdag een Nederlandse primeur: tijdens de nationale Keti Koti-herdenking op 1 juli zal burgemeester Halsema naar alle waarschijnlijkheid excuses uitspreken voor de rol van het Amsterdamse stadsbestuur in de slavenhandel en slavernij in de Nederlandse koloniën.

Burgemeester Halsema tijdens de Keti Koti-herdenking vorig jaar. Beeld Getty Images / Daphne Channa Horn
Burgemeester Halsema tijdens de Keti Koti-herdenking vorig jaar.Beeld Getty Images / Daphne Channa Horn

‘Eindelijk erkenning’, klinkt het in de Surinaamse en Afro-Caribische gemeenschap.

De Amsterdamse excuses zijn al twee jaar geleden aangekondigd, in de zomer van 2019 nam een raadsmeerderheid het besluit. Als ‘laatste bouwsteen om tot goed geformuleerde excuses te kunnen overgaan’ liet Halsema een historisch onderzoek doen naar de precieze rol van het stadsbestuur. ‘Ik voel een verantwoordelijkheid’, zei ze toen ze het resultaat in september in boekvorm ontving. ‘Niet om de geschiedenis ongedaan te maken, wel om de gevolgen van ons gedeelde slavernijverleden in het heden te bestrijden en het héle verhaal te vertellen.’

De slavernij in Oost en West (ook de VOC was actief in slavenhandel- en arbeid) staat vol ferme conclusies. Kort samengevat: het Amsterdamse stadsbestuur zat tot zijn nek in de slavenhandel en slavenarbeid. Van de 139 mannen die tussen 1578 en 1795 het ambt van burgemeester vervulden, was de helft óók bestuurder van de VOC en/of de WIC of van de Sociëteit van Suriname (de particuliere beheerder van de kolonie Suriname). Ook de schepenen – vergelijkbaar met wethouders – hadden belangen in deze ondernemingen. ‘Staatsbelang, compagniebelang en privébelang liepen vaak naadloos in elkaar over’, schrijven de auteurs.

Stroomversnelling

De aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden kwam de afgelopen jaren in een stroomversnelling. Zorgeloos patriottisme (‘VOC-mentaliteit’, zeehelden, tolerantie) zag zich geconfronteerd met een andere, langdurig onderbelicht gebleven blik op het Nederlandse koloniale verleden: die van roof, wandaad en onderdrukking.

Mede door Black Lives Matter en de groeiende antiracismebeweging in Nederland, proberen behalve historici ook musea (van Museum Van Loon tot het Rijksmuseum) het koloniale verleden veelzijdiger te belichten en de directe relatie met het heden inzichtelijk te maken.

Ook de bredere viering en herdenking van 1 juli is een illustratie van die trend. Tot de afgelopen eeuwwisseling werd landelijk amper stilgestaan bij de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Inmiddels telt Nederland diverse slavernijmonumenten en op veel plaatsen in het land worden bijeenkomsten op Keti Koti (‘ketenen gebroken’) georganiseerd. De nationale herdenking wordt live uitgezonden door de Publieke Omroep en de vier grote steden pleiten ervoor 1 juli tot nationale feest- en herdenkingsdag te maken.

Erkenning

De erkenning die excuses in zich dragen zit volgens historicus en slavernij-onderzoeker Karwan Fatah-Black (Universiteit Leiden) niet alleen in het benoemen en nemen van verantwoordelijkheid voor aangedaan leed in de periode van slavenhandel en slavernij, maar zeker ook voor de periode direct daarna. ‘Die diende maar een doel: de ongelijkheid in stand houden.’

Excuses bevestigen volgens Fatah-Black de relatie tussen het slavernijverleden en hedendaags racisme en ongelijkheid. Hij verwacht dat burgemeester Halsema de juiste toon zal vinden voor ‘geslaagde excuses’. Het feit dat zij de button met het jaar 1873 draagt, laat volgens hem zien dat de burgemeester ‘oog heeft voor het perspectief van de nazaten’. Vrijgekomen slaafgemaakten moesten nog 10 jaar – vandaar 1873 – voor hun oude meesters werken.

Onderdanig houden

De voormalige eigenaren kregen een vergoeding van de Nederlandse overheid, de mensen die vrijkwamen uit slavernij kregen niets. Fatah-Black: ‘Zij werden onderworpen aan een proces van culturele manipulatie, kerstening, uitbanning van hun eigen taal en cultuur – alles met het doel hen ook na de afschaffing onderdanig te houden.’

Amsterdam is met de excuses de eerste Nederlandse stad die zich aansluit bij een langere lijst van steden, landen en staten (in de VS) die al excuses uitspraken voor hun slavernijverleden, waaronder Londen, Liverpool, Ghana en Benin.

‘Excuses zijn een fundamentele vorm van erkenning ’, zegt NiNsee-bestuursvoorzitter Linda Nooitmeer. ‘Nazaten van slaafgemaakten pleiten er al voor sinds het verschijnen van Wij Slaven van Suriname van Anton de Kom in 1934.’ NiNsee is de organisatie achter de Keti Koti-viering en herdenking. ‘Excuses zijn dé manier om zichtbaar te maken welk leed er door de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij is veroorzaakt en hoe dat nog altijd doorwerkt in het heden.’

Achterstelling oplossen

Nooitmeer noemt de term ‘transgenerationele verantwoordelijkheid’ van hoogleraar holocaust – en genocidestudies Johannes Houwink ten Cate. ‘De volgende stap is kijken hoe je achterstelling die is ontstaan door dit verleden, kunt helpen oplossen. Nooitmeer vindt het goed dat lokale overheden het voortouw nemen, maar kijkt ook uit naar de uitkomst van de gesprekken die (demissionair) minister Ollongren met de dialooggroep slavernijverleden het afgelopen jaar voerde met mensen uit de sport- en cultuurwereld en het bedrijfsleven voor ‘een bredere erkenning van het gedeelde verleden’.

Excuses van de Nederlandse staat voor het slavernijverleden wees premier Rutte in juli vorig jaar nog van de hand in een Kamerdebat over racisme, onder meer uit vrees dat de samenleving daardoor ‘verder polariseert’. Meerdere ministers spraken al wel over ‘diepe spijt en berouw’. Termen die juridisch niet verschillen van excuses maar ethisch wel, zo legde hoogleraar rechtsfilosofie Wouter Veraart eerder uit in deze krant. ‘Excuses draagt een morele verwerping van het gebeurde in zich.’

Rekenschap afleggen voor historisch onrecht blijft een ingewikkelde aangelegenheid. Pas vorig jaar – 75 jaar na dato – bood de Nederlandse staat excuses aan voor zijn rol in de Holocaust. In de woorden van de joodse Rudi Cortissos (82), die de oorlog in onderduik overleefde, onlangs in NRC: ‘Ik heb er niet op zitten wachten, maar ze waren wel nodig.’

De beroemde schrijver Belle van Zuylen (1740-1805) stak ongeveer 40 procent van haar vermogen in koloniale compagnieën, waardoor ze een luxe leven kon leiden. En zij is lang niet de enige Utrechtenaar die flink profiteerde van slavernij, zo blijkt uit het onderzoek dat burgemeester Sharon Dijksma woensdag in ontvangst nam. Bestuur, burgers en instituties van de stad hebben koloniale activiteiten aangejaagd, erin geïnvesteerd en ervan geprofiteerd, luidt de conclusie. De bijdrage van Utrecht aan de slavernij is volgens de onderzoekers minder dan die van Amsterdam, maar groter dan het bestaande geschiedbeeld doet vermoeden. Utrecht is na Rotterdam en Amsterdam de derde grote stad die het eigen koloniale verleden liet onderzoeken. Den Haag besloot deze week dat voorbeeld te volgen.

Meer over