Amerika telt zijn leugens

De invasie in Irak heeft het merk USA geen goed gedaan. Ook de reputatie van de Amerikaanse media heeft onder de oorlog geleden....

De golven glanzen in het avondrood als George Bush jr. op 1 mei 2003 in zijn gevechtsvliegtuig gierend neerdaalt op het vliegdekschip USS Abraham Lincoln. Gekleed in een olijfgroen vliegenierspak klimt de Commander in Chief uit het toestel. Terwijl achter hem een vlag wappert met de tekst Mission Accomplished, spreekt hij de wereld toe. Het tij is gekeerd, de dreiging van samenwerking tussen Irak en Al Qa'ida bezweerd. 'Irak is vrij.'

Spin doctors en mediaspecialisten waren eensgezind in hun bewondering voor deze Top Gunact. Het vliegdekschip lag vlak bij San Diego, maar de kustlijn werd gecamoufleerd, zodat kijkers de president op volle zee zouden wanen. Bush had er net zo goed met een helikopter kunnen landen. Maar arriveren in een straaljager, voor een overwinningsspeech bij zonsondergang op prime time het kostte een miljoen dollar levert mooiere beelden op.

De overwinning beklijfde echter niet. Ondanks de mooie plaatjes heeft de invasie in Irak het merk USA geen goed gedaan. Zelfs voordat de martelfoto's uit Abu Ghraib naar buiten kwamen, gaven de peilingen van de Pew Research Group al aan dat de geloofwaardigheid en de populariteit van de VS een nieuw dieptepunt hadden bereikt.

Ook de reputatie van Amerikaanse media heeft onder 'Irak' geleden. De discussie over hun berichtgeving inzake Irak en hun afhankelijkheid laait op. Justin Webb, BBC-correspondent in Washington, vroeg zich in een essay af of zijn Amerikaanse collega's soms 'geen ruggengraat' hebben.

Woensdag ging de eerste kwaliteitskrant door het stof: The New York Times legde in een achtergrondverhaal verantwoording af over de falende berichtgeving aangaande Irak. 'Terugkijkend wensen wij dat we de beweringen (van de regering-Bush RA) agressiever hadden heronderzocht toen nieuwe bewijzen opdoken of uitbleven.'

De leugens van Bush en zijn oorlogskabinet zijn officieel geteld. Maar liefst twee misleidende verklaringen hield hij op die eerste mei 2003 op de Abraham Lincoln. Ten eerste suggereerde Bush een link tussen Irak en Al Qa'ida, ten tweede bracht hij Irak in verband met de aanslagen van 11/9. Dat staat in het parlementaire onderzoeksrapport Iraq on the Record dat twee maanden geleden werd gepresenteerd. Volgens de onderzoekscommissie hebben Bush, Rumsfeld, Cheney, Powell en Rice in totaal 237 misleidende verklaringen afgelegd in de periode maart 2002 tot en met januari 2004. Het grootste aantal betreft overdrijving en misleiding, maar er zitten ook grove leugens bij. Liegen tegen het parlement is een zwaar politiek misdrijf. In de VS werd de publicatie van Iraq on the Record echter overschaduwd door een basketbalkampioenschap en het schandaal rondom lifestylegoeroe Martha Stewart. In Nederlandse media bleef het rapport geheel onbesproken.

De propagandamachine van Bush heeft op volle kracht gedraaid, maar niet altijd met het gewenste resultaat. Een paar voorbeelden:

Halabja In de aanloop naar de oorlog had iedereen het ineens over dit Iraakse dorpje waar vijftien jaar geleden op bevel van Saddam Hussein duizenden Koerden vermoord werden bij een gifgasaanval. In 2003 werd deze misdaad voor het eerst grootschalig herdacht. Hotels in de wijde omtrek van Halabja waren gevuld met westerse journalisten. Inwoners wisten niet wat ze overkwam.

Natuurlijk vormde Halabja een uitgelezen illustratie van Saddam Husseins onmenselijke regime. De vraag rijst echter waarom Halabja in de Eerste Golfoorlog geen enkele rol heeft gespeeld. Destijds werd een verschrikkelijk verhaal uit de duim gezogen om de Iraakse vijand te dehumaniseren. Iraakse soldaten zouden in Kuweit couveusebaby's op koude vloeren hebben gesmeten en voor dood hebben achtergelaten. Hill & Knowlton, indertijd 's werelds grootste pr-bedrijf, had de couveusehorror bedacht.

Om Saddam Hussein te kunnen aanmerken als babymoordenaar, hoefde niks verzonnen te worden. De slachtoffers in Halabja bestonden voor driekwart uit moeders en kinderen. Lastig was alleen dat de slachting in Halabja plaatsvond toen Irak militaire en economische steun kreeg van de Verenigde Staten. Direct na het drama in 1988 wezen de VS met de beschuldigende vinger naar Iran.

De Eerste Golfoorlog kwam te vroeg om Halabja ter sprake te brengen. Het zou te veel onaangename vragen oproepen. In 2003 was de tijd volgens de regering-Bush rijp om het drama uit de kast te halen. Een goede inschatting. Slechts in een fractie van de reportages over Halabja werd gewag gemaakt van het feit dat Saddam ten tijde van zijn meest gruwelijke misdaden werd gesteund door George Bush sr.

Standbeeld Het bronzen standbeeld van de dictator wordt omvergetrokken, Irakezen spugen erop, slaan het beeld met hun slippers en slepen het hoofd van het standbeeld van Saddam door de straten van Bagdad. Een overenthousiaste Donald Rumsfeld: 'Als je dit ziet, kun je niet anders dan denken aan de val van de Berlijnse muur en het instorten van het IJzeren Gordijn.'

Maar er waren niet, zoals toen, honderdduizenden of een miljoen juichende mensen. Blijkens een fotoserie van de BBC stonden er maximaal tweehonderd Iraki's op het Firdusplein, een fractie van de duizenden demonstranten die enkele dagen later het vertrek van de Amerikanen eisten. Verder liet een panoramafoto van zien dat het nagenoeg lege plein afgezet was met tanks, behangen met Amerikaanse vlaggen.

Mediacritici onder wie columnist en cartoonist Ted Rall hebben 'Saddams standbeeldspektakel' onderuitgehaald. Rall identificeerde een deel van de standbeeldvandalen als leden van de militie van het Iraaks Nationaal Congres (INC), de club van Ahmed Chalabi. Deze groep, die het Pentagon tijdens de invasie had ingevlogen, verzorgde de fotomogelijkheid in opdracht van de VS, stelt Rall. Pal tegenover het standbeeld lag de grootste concentratie westerse journalisten in Irak.

Ondergrondse gangen De ondergrondse gangen van Saddam dan. 'Heel Irak lijkt ondertunneld', kopte Trouw vorig jaar. Dankzij geavanceerde catacomben zou Saddam Hussein zich met voertuigen door Irak kunnen verplaatsen en af en toe een duik nemen in een van de zwembaden van zijn ondergrondse villa's. De gangen zijn de graphics in kranten ten spijt nooit gevonden, en Saddam lag in een hol.

Lynch De theatrale redding van krijgsgevangene Jessica Lynch is inmiddels doorgeprikt, maar voor die tijd had iedereen het over de moedige Jessica, die vocht als een leeuwin toen haar konvooi onder vuur kwam. Beschoten en gestoken was ze krijgsgevangen genomen. Dankzij de tip van een Irakese jurist konden Amerikaanse militairen haar op heldhaftige wijze bevrijden. Het heldenepos ging na een maand aan gruzelementen. Saving Private Jessica was een 'primeur' van Combat Camera. Deze filmploegen, bestaande uit militair personeel leverden in de hoogtijdagen van de strijd honderden foto's en filmpjes aan vanaf de frontlinies. Een deel daarvan werd dagelijks naar nieuwsorganisaties gemaild. Niemand zal ervan opkijken dat op de foto's van Combat Camera vooral supersonische F-16's en snoep uitdelende militairen zijn te zien.

Brieven Van een ander kaliber zijn de brieven die in Irak gelegerde soldaten zouden hebben verzonden naar regionale kranten aan het thuisfront. Het bleek propaganda, met minimale middelen: de brieven waren identiek. Ze bestonden uit vijf alinea's waarin gerept werd van de vriendelijke bevolking, voor wie de kwaliteit van leven aanzienlijk verbeterd zou zijn, en het instellen van politie, brandweer, water, riolering. Onderzoek heeft aangetoond dat de brief bij tientallen plaatselijke kranten is beland. De soldaten wisten van niks, of hadden met een handtekening toestemming verleend.

De massavernietigingswapens, de link met Al Qa'ida, de factuur voor uranium uit Nigeria, de aluminium buizen voor nucleaire wapens tot en met de opgefokte 45-minuten-dreiging het was allemaal niet waar, onjuist, gelogen of vervalst. Het oorlogskabinet deed wat het nodig achtte; maar de media hebben zeker een handje geholpen, want ondanks duidelijke voortekenen brachten velen de aantijgingen aan het adres van Saddam keer op keer prominent in het nieuws.

Rumsfeld moet tevreden zijn over de media. Vooral over de journalisten die het Pentagon meesleepte naar de strijd nooit eerder waren het er zo veel. Kenneth Bacon, voormalig hoofd voorlichting van het Pentagon, stak zijn eerbied voor de embeds (ingekwartierde journalisten) in elk geval niet onder stoelen of banken. 'Ingehuurde acteurs hadden het leger niet zo'n goede dienst konden bewijzen.'

De regie van de oorlogsverslaggeving lag duidelijk in handen van de regering-Bush. Die bombardeerde de media met informatie om ze zoet te houden. Het is ook geen sinecure om objectief nieuws te genereren als de krijgsmacht onder de codenaam D5E perscontacten gebruikt voor destruction, degradation, denial, disruption, deceit en exploitation. Maar inmiddels moet Bush' tevredenheid over de media getemperd zijn, want diverse media die eerder gezeglijk in de pas liepen, hebben de deceptie aan het licht gebracht.

Hoezeer Bush ook had gewild dat de wereld bij de Tweede Golfoorlog zou terugdenken aan de frisse, blonde en dappere Jessica Lynch, het is de wanstaltige blik van Lynndie England, met aan een halsband een uitgeputte Irakees, die op het netvlies gebrand staat.

'Het afgelopen jaar heeft deze krant het felle licht van wijsheid achteraf laten schijnen op de beslissingen die de VS in Irak hebben doen belanden. (...) Het wordt tijd dat we datzelfde licht op onszelfrichten', schreef de hoofdredactie van The New York Times woensdag.

Hoe het ooit zo ver heeft kunnen komen? Een veelgehoorde oorzaak is het patriottisme dat na 11/9 een stevige greep op de Amerikaanse media heeft gekregen. Ook het feit dat nieuws steeds vaker als infotainment wordt gepresenteerd zou er debet aan zijn. Daarnaast wordt gewezen op de groeiende mediaconglomeraten: het is voor een regering makkelijker een paar grote spelers aan zich te binden dan een reeks uitgevers.

Volgens CNN-topverslaggeefster Christiane Amanpour stond haar zender onder grote druk van de regering om onwelgevallige feiten en vragen achterwege te laten. Ook stelde ze dat het populistische Fox News een sfeer van angst en patriottisme crede waardoor gematigder zenders in hun kielzog werden gezogen. De reactie van Fox News, de best bekeken nieuwszender in de VS, is tekenend: 'Gegeven de opties is het beter om beschouwd te worden als een infanterist van Bush, dan als zegsvrouw van Al Qa'ida.'

The New York Times die woensdag het boetekleed aantrok, geeft voornamelijk haar bronnen de schuld. Te vaak is de krant volgens eigen zeggen afgegaan op informatie van overlopers die het Iraakse regime om zeep wilden helpen. Dat deze informatie ook nog eens werd bevestigd door Amerikaanse overheidsdienaren die een invasie noodzakelijk achtten, compliceerde het werk van journalisten, klaagt het dagblad.

Een van die journalisten, Judith Miller, kwam eerder onder vuur nadat bleek dat Chalabi en zijn INC de belangrijkste bronnen waren voor haar artikelen over Saddams vermeende wapenarsenaal. Een groot deel van de Amerikaanse inlichtingendiensten en het militair apparaat en veel journalisten namen Chalabi, destijds nog het lievelingetje van de haviken in het kabinet-Bush, al jaren niet serieus. Chalabi zou geen onderscheid maken tussen propaganda en inlichtingen en had belang bij een inval in Irak.

Chalabi is inmiddels zowel bij de media als bij het oorlogskabinet uit de gratie geraakt. De maandelijkse toelage die het INC sinds zijn oprichting van het Pentagon kreeg, is onlangs stopgezet. Deze week wezen Amerikaanse inlichtingendiensten met de beschuldigende vinger naar Iran. Dat land zou de VS hebben misleid door informatie over het Iraakse wapenprogramma te verstrekken aan Chalabi.

Er is simpelweg geen Amerikaanse overheidsfunctionaris meer die Chalabi's informatie zal bevestigen. Maar of de problemen voor de media daarmee uit de wereld zijn, valt te betwijfelen.

Meer over