Column

'Amerika mikt niet op regime change, maar wel op game change in Syrië'

Columnist Paul Brill onderscheidt langzamerhand een strategie bij de Amerikanen: militaire interventie in Syrië zou niet alleen een 'corrigerende tik' zijn, maar ook een game change: 'zodanige verzwakking van het regime dat het onder hernieuwde druk komt te staan om te gaan onderhandelen over een politieke regeling'.

President Barack Obama op de G20-top in Sint-Petersburg. Beeld ANP
President Barack Obama op de G20-top in Sint-Petersburg.Beeld ANP

Kanonneerbootdiplomatie - dat woord hoor je tegenwoordig nog maar zelden. Komt natuurlijk door de ouderwetse bijklank. Het doet denken aan de tijd van Bismarck en Lord Palmerston, toen weerspannige volkeren in verre streken nog zwaar geïmponeerd raakten wanneer een schip met een groot kanon opdoemde voor de kust. Om Von Clausewitz te parafraseren: de kanonneerboot was de voortzetting van de diplomatie met andere middelen.

Kanonneerboten doen nu alleen nog dienst in de strijd tegen kleine smokkelaars en amateurpiraten. Elke staat van enig formaat beschikt tegenwoordig over wapens die een eenvoudig marinevaartuig per omgaande naar de bodem van de zee doen verdwijnen. Een beetje machtsvertoon vereist tenminste een destroyer met geavanceerde raketten. In het oostelijk deel van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië, varen nu zelfs vijf Amerikaanse destroyers.

Aanzienlijk potentere oorlogsbodems dus, maar toch is het woord kanonneerbootdiplomatie eigenlijk wel van toepassing op wat zich afspeelt rond Syrië. Geleidelijk ontvouwt zich in de Syrië-crisis een scenario dat meer omvat dan een puur militaire strafactie tegen het regime van president Bashar al-Assad vanwege het gebruik van gifgas. Het heeft een belangrijke diplomatieke component.

Een 'corrigerende tik' voor Assad heeft zeer weinig zin als deze niet steunt op een meer omvattende strategie voor een politieke oplossing van de burgeroorlog, schreef ik vorige week. Aan die mening houd ik vast, maar moet er nu wel aan toevoegen dat zo'n strategie enigszins vorm begint te krijgen. Improviserenderwijs, nog niet helder en overtuigend, maar toch.

Game change
Ik kom tot die constatering door nog eens na te lezen wat de ministers Kerry en Hagel afgelopen week hebben gezegd tijdens de hoorzittingen van de Senaatscommissie van Buitenlandse Zaken. Daaruit valt af te leiden dat het doel van de beoogde luchtaanval verder gaat dan een overwegend symbolische tuchtmaatregel. Nee, regime change staat nadrukkelijk niet op de Amerikaanse agenda. Maar er wordt toch wel gemikt op wat je game change zou kunnen noemen: zodanige verzwakking van het regime dat het onder hernieuwde druk komt te staan om te gaan onderhandelen over een politieke regeling, waarvoor het Geneefse akkoord van juni 2012, mede ondertekend door Rusland, het uitgangspunt vormt. Alle onmin ten spijt kan datzelfde Rusland daarop ook worden aangesproken, omdat het nu eenmaal niet is gediend met een machtswisseling in Syrië waarbij Moskou's belangen niet de nodige consideratie krijgen.

Dat vereist dus aan Amerikaanse kant een zeer uitgekiende militaire operatie: zwaar genoeg om het regime serieus pijn te doen, maar niet zo zwaar dat de oppositie kan gaan denken aan een spoedige militaire overwinning. Er is gemakkelijk een lijst op te stellen van redenen waarom dit mis kan lopen en het scenario een zeer riskante wending kan krijgen. Gevaar nummer één: dat er een chaotische situatie ontstaat waarvan bij uitstek extremistische strijdgroepen met abjecte aspiraties profiteren. Zodat de Verenigde Staten feitelijk fungeren als 'de luchtmacht van Al Qaida', zoals de Republikeinse senator Cruz uit Texas het licht demagogisch verwoordde.

Maar er staan twee belangrijke overwegingen tegenover. De eerste is dat we niet moeten doen alsof het Syrische verzet uit niet veel meer bestaat dan Jabhat al-Nusra en aanverwante jihadisten. Zeker, zij zijn sterk in het noorden van het land. Maar het zuidelijke front wordt gedomineerd door het Vrije Syrische Leger. Dat is inmiddels het best uitgerust en getraind, vormt de grootste bedreiging voor het regeringscentrum in Damascus en beseft dat er in een overgangsperiode zal moeten worden samengewerkt met delen van het regeringsleger (en niet met de jihadisten).

Minderheid
Punt twee: het is een illusie te denken dat het regime-Assad zich op langere termijn kan handhaven. Ook in Israël wint dat inzicht terrein. Assad en de zijnen zijn te ostentatief de exponent van een minderheid in Syrië geworden en hebben ook te veel bloed aan hun handen. En jammer maar helaas: we kunnen geen hek om het land zetten en het pas weer weghalen als de laatste Syriër de voorlaatste een kopje kleiner heeft gemaakt. De crisis vergiftigt de hele regio en dreigt ook het Westen in de problemen te brengen. Europa eigenlijk nog meer dan de VS.

Nog steeds zou het beter zijn geweest als president Obama zichzelf niet voor het blok had gezet met zijn rode lijn (overigens destijds nauwelijks bekritiseerd door degenen die nu meewarig spreken van een tactische blunder, sterker: toen heette het nog een zwaktebod). Maar zoals de zaken er nu voorstaan, komt deze verzuchting neer op crying over spilt milk. Nu Obama zo duidelijk positie heeft gekozen en het Amerikaanse prestige in het geding is gebracht, staat niet alleen het Congres, maar ook Europa voor een cruciale beslissing. Moet hij zich er maar alleen zien uit te redden of geven we ten minste enige politieke rugdekking? Een vraag die om meer draait dan om het gebruik van chemische wapens, hoe verfoeilijk dat op zichzelf ook is.

Paul Brill is buitenlandcommentator voor de Volkskrant.

Meer over