EssayHAAT-LIEFDEVERHOUDING

Amerika is nooit een land geweest om zomaar van te houden

Voor de een was Amerika het land van Martin Luther King en de bevrijders van Europa. Voor de ander het land van schietgrage presidenten en zielloos consumentisme. Amerika voedde onze verlangens en angsten, zegt Sander van Walsum, maar onverschillig liet het ons nooit.

Beeld Eleni Debo

Amerika: in dat woord lag een belofte besloten toen ik (63) opgroeide. Amerika: daar was de toekomst die voor ons nog in het verschiet lag al begonnen. En dan vooral in materiële zin. Amerika, als synoniem van de Verenigde Staten, was ergens tussen Europa en het futuristische voorland van de gebroeders Das gesitueerd – bouwkundigen die met hun tekeningen een sterk verlangen naar de toekomst wisten te wekken.

Het adjectief ‘Amerikaans’ was nog een aanbeveling. Naar onze eerste keukenmachine, een Kenwood, en naar onze eerste afwasmachine, een Westinghouse, kwamen de mensen in Bathmen – net gewend aan de televisie – nog kijken. Een oom die zich in een Buick (‘een Amerikaan’) verplaatste, genoot alleen om die reden al maatschappelijk prestige.

Groot respect

Voor mijn in 1926 geboren vader was Amerika ook een morele grootheid. Hijzelf was als 19-jarige op zijn onderduikadres (waar hij zich aan de Duitse arbeidsinzet onttrok) weliswaar door de Canadezen bevrijd, maar in zijn perceptie was de zege op nazi-Duitsland toch vooral van Amerikaanse makelij. Het feit dat Amerikanen in de 20ste eeuw tweemaal een oorlog hadden beëindigd op het continent dat hun voorouders nog waren ontvlucht, getuigde volgens mijn vader van offervaardigheid en onbaatzuchtigheid. En dan had hij het nog niet eens over het aandeel van zwarte Amerikanen in de bevrijding van Europa. Die hadden nóg minder reden gehad om het oude continent te hulp te schieten.

De namen van Amerikaanse presidenten en oud-presidenten – Franklin Delano Roosevelt in het bijzonder – werden met eerbied genoemd. De moord op John F. Kennedy, de eerste generatiegenoot van mijn vader in het Witte Huis, heeft hij bijna als een persoonlijk verlies ervaren. Op de avond van 22 november 1963 werd mijn vader, dierenarts, door de ‘radionieuwsdienst ANP’ op de hoogte gebracht van de schokkende gebeurtenissen in het verre Dallas. De eerste sterveling die hij deelgenoot kon maken van het overlijden van de president was een boer die hem kort tevoren voor een spoedgeval had ontboden. Diens reactie was even bondig als ontnuchterend: ‘Wat doet die man dan ook zo laat op straat.’

Het respect dat Kennedy bij mijn vader had genoten, werd overgedragen op zijn opvolger, Lyndon Johnson. Zeker nadat die werk was gaan maken van de gelijkberechtiging van de zwarte Amerikanen. Want dat was voor verlichte Europeanen natuurlijk wel een dingetje geweest: de rassensegregatie (zeg maar: apartheid) in het zuiden van de Verenigde Staten. Ik herinner me nog vaag de ontroering van mijn vader bij de I Have a Dream-toespraak van Martin Luther King tijdens de mars op Washington, een paar maanden vóór Kennedy’s dood. De meestgedraaide grammofoonplaat bij ons thuis was We Shall Overcome, de registratie van het concert in Carnegie Hall van protestzanger Pete Seeger in de zomer van 1963.

Vietnam

En toen diende Vietnam zich aan, een thema waarover de opvattingen in het gezin nogal uiteenliepen. Mijn vader keek bekommerd naar de beelden van het strijdtoneel op het NTS Journaal, maar die brachten zijn vertrouwen in de rechtvaardigheid van de Amerikaanse zaak – die ook ónze zaak was – toch niet aan het wankelen. Van het wereldbeeld waarin de Amerikanen bij geopolitieke conflicten aan de goede kant stonden, liet hij zich niet zomaar beroven. 

Hij had er grote problemen mee dat mijn broer en ik in 1966 van ons zakgeld het singletje Meneer de president van Boudewijn de Groot kochten – een aanval op de oorlog van president Johnson. Mijn vader was er niet de man naar om ons zo’n aanschaf te verbieden, maar hij had liever niet dat we het plaatje in zijn bijzijn draaiden. Vooral de laatste regels van het eerste couplet vielen slecht bij hem: ‘En vergeet het vierde van die tien geboden, die u als goed christen zeker kent.’

Kanttekeningen

Amerika: het heeft ons nooit onverschillig gelaten. De bewondering voor het land ging ook altijd gepaard met kanttekeningen en voorbehouden. Onvoorwaardelijke liefdesverklaringen aan de Verenigde Staten – zoals die wel tot Frankrijk of Engeland worden gericht? Nee, daarvoor is men op dit continent altijd huiverig geweest. Nederlanders vinden, net als de meeste Europeanen, altijd wel een reden om symbolisch afstand te scheppen, om op de Amerikanen neer te kijken of hun presidenten van de slechtste motieven te verdenken’, zei Ronald Havenaar, hoogleraar moderne trans-Atlantische betrekkingen, al jaren vóór het aantreden van Donald Trump als president van de VS.

Nederlanders, van oudsher Atlantisch georiënteerd, waren ervan doordrongen dat ze in ‘de Amerikaanse eeuw’ leefden – met alle verlokkingen en schrikbeelden van dien. Vaak dachten ze daarbij aan hetzelfde: volle snelwegen, pretparken, consumptieparadijzen, lichtreclames, ‘wolkenkrabbers’, verkiezingen als democratisch spektakel. Voor de een waren dit de kenmerken van een glanzend voorland, voor de ander de voorboden van een onwelkome toekomst. Maar zelfs de cultuurkritiek was van Amerikaanse makelij. Net als de symbolen en de slogans (‘make peace, not war’, ‘black is beautiful’, ‘the whole world is watching’, ‘Ho, Ho, Ho Chi Minh’) waarvan de protestgeneratie zich bediende.

Veel Nederlanders voelden een speciale verwantschap met Amerika. Ze gingen er prat op dat de Nederlandse Opstand (tegen Spanje) een inspiratiebron was geweest voor de Amerikaanse Founding Fathers. Ze herinnerden aan het eerste saluutschot – vanaf Sint-Eustatius – waarmee een Amerikaans oorlogsschip (in 1776) werd begroet. En ze verwezen graag naar de Zeeuwse wortels van beide presidenten Roosevelt (Ted en Franklin Delano), die daarop ook nog eens reuzetrots zouden zijn geweest. 

Journalist en staatsman Abraham Kuyper maakte in 1898 een lange rondreis door de VS om zijn these dat het calvinisme de bron van westerse vooruitgang was, te toetsen aan de Amerikaanse praktijk. Hij keerde, aldus zijn biograaf Johan Snel, ‘terug naar huis met de overtuiging dat de Amerikaanse droom inderdaad bij Calvijn begonnen was’, maar stelde ook vast dat die droom voor veel Amerikanen onbereikbaar was. Niettemin bleef hij de Amerikanen als calvinistisch broedervolk zien.

Ontzag en afkeer

Eenduidig waren de observaties van Amerika maar zelden. In reisverslagen gaat het vaak over de verwarring waaraan de auteurs ten prooi vallen. De bekendste, en meest geciteerde, was cultuurhistoricus Johan Huizinga, die de Verenigde Staten in 1926 bezocht (na het land in 1918 al op de snijtafel te hebben gelegd, zonder er ooit te zijn geweest). Wandelend door de grote steden werd hij heen en weer geslingerd door ontzag voor de hoogte van de gebouwen en afkeer van hun zielloosheid, schreef hij aan de achterblijvers thuis. ‘Als je ’s avonds over Broadway komt, waar al die veelkleurige lichtreclames zijn, weet je eigenlijk niet of je zult gaan lachen of huilen, en of je zeggen zult: heel lelijk of toch eigenlijk heel mooi.’

En zo verging het hem ook met het lezen van kranten – die weliswaar dik waren, maar ook vol stonden met ‘moordgeschiedenissen, roovers en dergelijke feiten’ – en in het sociale verkeer. De Amerikanen die hij trof, waren ‘zonder uitzondering vriendelijk, gemakkelijk, goedlachs en eenvoudig. Voor ons Hollanders heel goed mee op te schieten.’  Toch verzuchtte hij na zijn terugkeer in Leiden, in navolging van de Amerikaanse filosoof William James: ‘Progress is a terrible thing.’ 

In het boek over zijn reis door de Verenigde Staten – Amerika levend en denkend – wendde Huizinga zich tot de bewoners van het land waarmee hij zich geen raad wist. ‘Wij bewonderen Uw kracht, maar wij benijden U niet. Uw toestel van beschaving en vooruitgang, Uw big cities en volmaakte organisatie, geven ons slechts heimwee naar wat oud en stil is, en Uw leven schijnt ons soms nauwelijks meer waard om geleefd te worden, om van Uw toekomst niet te spreken.’

Bij Eelco van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog, kantelde de geamuseerdheid over die vriendelijke maar ook wat naïeve Amerikanen naar een dedain dat – in het licht van de machtsverhoudingen in die tijd – volstrekt ongepast was. Zo schreef hij op 3 juni 1943 na een gesprek met een aantal Amerikaanse politici in zijn dagboek: ‘Deze heet gebakerde en oppervlakkig denkende lieden bleken voor een deel verwarde ideeën te hebben, en niet het geduld om, tenzij gedwongen, daarin op hun gemak orde te brengen; in alles zoeken zij ‘short cuts’: short cuts naar de overwinning, naar een goeden vrede, naar goede economische verhoudingen enz.’ In 1945 noteerde hij: ‘Amerikanen zijn blijkbaar tevreden wanneer hun gelegenheid wordt gegeven lawaai te maken, tegen elkaar te roepen (‘Hello Bill, how are you today’) en niet te luisteren.’

Het verschijnsel Amerika

Later, tijdens de Koude Oorlog, bleven zelfs overtuigde atlantici een onderscheid maken tussen de geopolitieke rol van de VS – die zij waardeerden – en het land zelf, dat zij met consumentisme, maatschappelijke ongelijkheid en mentale oppervlakkigheid associeerden. ‘Het verschijnsel Amerika – als u wilt: de Amerikaanse cultuur – is een verschijnsel sui generis geworden, een verschijnsel dat in vele opzichten essentieel verschilt van het Europese voorbeeld’, merkte de nog immer gemiste columnist J.L. Heldring in 1964 op.

Toch kon Heldring, ofschoon hij zich zelf altijd tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam had uitgesproken, kritiek op Amerika en op de Amerikaanse samenleving slecht verdragen – zeker toen de linkse mode van de jaren zeventig die was gaan voorschrijven. Als dat anti-amerikanisme in het buitenland door Amerikanen werd beleden, riekte dat – wat Heldring betreft – naar nestbevuiling. Zo wond hij zich in NRC Handelsblad hevig op over de Huizingalezing die de Amerikaanse linguïst Noam Chomsky in 1977 in de Leidse Pieterskerk had uitgesproken. Daarin had hij het Amerikaanse ‘propaganda-apparaat’ vergeleken met dat van nazi-Duitsland. Alsof dat al niet erg genoeg was geweest, hadden de toehoorders óók nog voor Chomsky geklapt.

Makkelijk hebben de Nederlandse atlantici het sinds Vietnam niet meer gehad. In de jaren tachtig moesten zij het imago van Ronald Reagan als oorlogszuchtige B-filmacteur trotseren. Na de val van de Muur en de desintegratie van de Sovjet-Unie moesten zij het bestaansrecht van de Navo verdedigen. George W. Bush bracht hen in verlegenheid met omstreden invallen in Afghanistan en Irak. Pas na het aantreden van Barack Obama was Amerika weer even ‘the shining beacon on the hill’ – waarbij de Obama-fans vaak over het hoofd zagen dat hun idool zich aan Ronald Reagan spiegelde.

Voor mijn vader, die in 2012 overleed, werd met de verkiezing van Obama de belofte ingelost die in het woord Amerika besloten lag. Eindelijk kon hij het land dat ons had bevrijd weer zonder voorbehoud waarderen. Zijn oude wereldbeeld werd enigszins hersteld. In 2016 zou dat oude wereldbeeld mogelijk in duigen zijn gevallen. Maar mogelijk zou zelfs Donald Trump mijn vader niet hebben kunnen beroven van het vertrouwen dat het uiteindelijk altijd weer goed komt met Amerika.

Niks missen van de strijd tussen Biden en Trump? Lees hier alles over het Amerikaanse verkiezingscircus. Of luister naar POTUS de podcast, waarin u wordt bijgepraat over het laatste verkiezingsnieuws.

Meer over