Ambiorix wijst in Tongeren de weg

Niet alles is in Tongeren van Romeinse makelij, maar wel veel. En niet alles is al gerestaureerd, maar wel voldoende voor een welgevulde dag in de oudste stad van België....

door Frans van Schoonderwalt

Ocharm, de nood is hoog. Net onder het bordje 'Verboden te wateren' staat bij de Gasthuiskapel een buitenkraan te druppen. Zo aanstekelijk werkt blijkbaar het pompwater dat twintig meter verderop in deze zelfde Maastrichterstraat onafgebroken in een overlopende emmer klettert.

Rond de pomp houden zich drie uiterst luchtig geklede dames en één man-in-decent-zomertenue op. De middelste dame zit wijdbeens op haar hurken bij de emmer en laat zich schaamteloos in haar groen-oplichtend kruis kijken. De man zit onverstoorbaar op een bank een boterham te eten.

Na een kwartiertje loopt de man weg. De dames blijven achter. Zij zijn van brons en heten gedrieën Pumpklats.

Niet alles in Tongeren is van Romeinse makelij.

Tongeren heeft zijn titel 'oudste stad van België' niet gestolen. Nog vrijwel elke dag geeft de bodem stukje bij beetje de bewijzen prijs van een verleden dat er eerder was dan de christelijke jaartelling. De relieken komen uit de opengewoelde vloer van de

O.L. Vrouwebasiliek (voor archeologen de komende jaren de grootste goudmijn van België), uit de afgravingen bij het middeleeuwse Agnetenklooster of zo maar uit de grond in de binnenstad, bestemd voor nieuwbouw. Waarna ze, van eeuwen stof ontdaan, een liefdevol onderdak krijgen in het fascinerende Gallo-Romeins Museum.

Het was in de dagen dat de Romeinse veldheer Julius Caesar zijn zinnen op Gallië had gezet. In wat nu Belgisch Limburg heet, leefde de weerspannige stam der Eburonen met zijn koning Ambiorix. Zij hakten in 54 voor Christus de Romeinse legionairs bij de plaats Atuatuca in de pan nadat Ambiorix hen eerst een vrije aftocht had toegezegd.

Ambiorix is het boegbeeld van het hedendaagse Tongeren, al was hij mogelijk een ordinaire woordbreker. Maar evengoed kan hij een sluwe strateeg zijn geweest. Of was hij gewoon een opportunist? Vragen zonder antwoorden. In ieder geval liep het niet goed met hem af. Caesar sloeg meedogenloos terug, joeg de Eburonen over de kling en maakte van Atuatuca de hoofdplaats van het Romeinse district Tungrorum. Ambiorix werd nog wel eens in de Ardennen gesignaleerd, maar viel nooit in handen van de wraakbeluste Romeinen.

Mede dankzij de pax Romana groeide Atuatuca Tungrorum uit tot een welvarende stad, die in omvang Keulen, de hoofdstad van Germania Inferior, overtroefde. Servatius wees haar in de vierde eeuw aan als zetel voor het eerste bisdom in Nederland. Toen de latere heilige echter naar Maastricht verhuisde, trad het verval in, mede in de hand gewerkt door tal van plunderingen. Tongeren verdween in de anonimiteit en leefde dankzij het prinsbisdom Luik pas weer in de dertiende eeuw op. In 1677 maakten Franse troepen van Louis XIV definitief een einde aan de welvaart door de stad vrijwel plat te branden. Van de metropool die de Romeinen voor ogen stond, is nooit meer iets gekomen.

Het Tongeren van nu heeft iets innemends waarvoor je eigenlijk meteen valt. Vanwege zijn zangerige taal, zijn met terrassen bevolkte markt, zijn intieme winkelstraten? Of misschien vanwege zijn wat volkse karakter? De Franse taal heeft op menige brievenbus sporen nagelaten (Lettres), maar de Franse mentaliteit bleef, zo te zien en te horen, van de volksziel af. Geen opgeprikte Franssprekende dametjes achter een pousse-café in brasserie Central, geen geforceerde chic achter de mosselen van restaurant Lido. Wie zich aan de Grote Markt een glas Ambi of een Trappist Tongerlo laat opdienen, zit er niet om gezien te worden, maar om ongecompliceerd te genieten.

En zelfs de geringste afleiding wordt dan amusement. Zoals in de namiddag een bijtende nevelspuit die het imposante standbeeld van Ambiorix op zijn drie meter hoge voetstuk te lijf gaat. Of in de valavond de brander die onophoudelijk het besnorde gezicht van de koning aftast en over diens helm glijdt. Op de achtergrond straalt tegen die tijd de voorgevel van café Au Phare het violette licht van een ouderwetse nachtclub uit waardoor de Grote Markt begint te fluoresceren.

Aan Ambiorix valt in Tongeren niet te ontkomen. Koperen mega-punaises met het konterfeitsel van de vrijheidsstrijder zijn door de hele binnenstad in de stoeptegels geklonken. Tezamen beslaan zij een route van ruim vier kilometer langs Romeinse en middeleeuwse overblijfsels, waarop (nog) niet altijd het etiket 'bezienswaardigheid' geplakt kan worden. Tijd en geld hebben hier nog heel wat werk te verrichten. Zo staat het Munthuis (voorbestemd tot museum) er uitgewoond bij, is verwaarlozing het kenmerk van het Agnetenklooster en wacht ook de Infirmerie met smart op betere tijden.

Maar er blijft genoeg over. Het begijnhof aan het met zwarte zwanen bevolkte Jekerriviertje bijvoorbeeld, sinds 1998 door de Unesco als Werelderfgoed aangemerkt. Het is een stratenhof, een stadje in de stad, ontsnapt aan de brand van 1677, geplaveid met kasseien, gevuld met panden van groot tot klein, met bouwstijlen van mooi tot lelijk. Het is een monument, maar dan wel eentje dat leeft en in beweging is, waar in Onder de Linde (de voormalige boomgaard) aan een auto wordt gesleuteld, waar buurvrouwen over de heg hangen.

Vanwege 'dringende instandhoudingswerken' is de Sint-Catharinakerk (dertiende eeuw) tijdelijk gesloten. Dat geldt niet voor de Pelgrim aan de overkant van het intieme kerkpleintje, een herberg uit 1632 die ooit het rustpunt was voor bedevaartgangers op hun vermoeiende weg naar Santiago de Compostela. In dorpen was vaak het café slechts enkele stappen van de kerk verwijderd. In dit begijnhof ligt binnen handbereik van de kerk niet alleen een herberg, maar ook, in de Sint-Ursulastraat, het Brouwhuis (1644). Begijntjes wisten blijkbaar een goed evenwicht aan te brengen tussen geestelijke en wereldse genotmiddelen.

In de basiliek knielen twee nonnetjes voor het miraculeuze Onze-Lieve-Vrouw-beeld, dat baadt in een zee van noveenkaarsen. Op het hoofdaltaar krijgt het koper een poetsbeurt. Boven een crèmekleurige tap met een lekbakje hangt de mededeling: 'Wijwater om mee naar huis te nemen.' Men wordt geacht zelf een flesje mee te brengen, zegt het bord.

Driekwart van de kerk is afgeschut. Achter de betimmering peuteren archeologen met engelengeduld in de opgebroken kerkvloer. Omdat het gebouw toe is aan nieuwe vloerverwaming, hebben zij de unieke kans om tot vier meter onder de basiliek door te dringen. Vanaf een speciaal platform is hun arbeid te volgen.

Een jaar of vier hebben ze de tijd om de Romeinse opgraving buiten een vervolg te geven binnenshuis. Bij de zuidelijke ingang van de basiliek stond in de tweede eeuw een Romeinse stadswoning met badhuis. Toen dit huis afbrandde, verrees er in de vierde eeuw een laat-Romeinse stadsmuur. En weer later een middeleeuwse omwalling. Van al die bouwsels zijn de restanten nu samengeklonterd tot een stenen geschiedenisboek waar voetpaden doorheen lopen.

Vandaar is de overstap naar het Gallo-Romeins Museum een vanzelfsprekende. In dit moderne glazen gebouw krijgen de oude vondsten een nieuwe dimensie dankzij de uitstalling, de uitleg, de actieve rol van de bezoeker en zeker ook dankzij de hallucinerende tijdmachine die filmregisseur Stijn Coninx ondergronds aanlegde.

'Help mij voor een goed rapport en veel succes met de tennis' staat te lezen in het gastenboek van de Moeder van Altijddurende Bijstand in de Sint-Janskerk. Het is al geschreven: niet alles staat in Tongeren in het teken van de Romeinen. Maar wel veel.

Meer over