Alzheimer te lijf

Komende week vergaderen 2500 experts uit de hele wereld in Amsterdam over de ziekte van Alzheimer. Ze zullen het hebben over nieuwe medicijnen, psychosociale therapieën of vroege diagnose met hersenscans....

SUZANNE BAART

PATIENTEN met de ziekte van Alzheimer krijgen een 'geheugenpil', ronkte het vorige maand in sommige media. Het middel rivastigmine, merknaam Exelon, kan de achteruitgang bij de ziekte met een half jaar vertragen, had de fabrikant gemeld. Rivastigmine geneest de ziekte niet, maar de patiënt blijft langer zelfstandig functioneren: taalgebruik, rekenen en oriëntatievermogen zouden tijdelijk niet achteruit gaan.

De stap voorwaarts bleek echter miniem, en de populaire opwinding over het nieuwe medicijn verdween al snel. Dat geldt niet voor de belangstelling die wetenschappers voor Alzheimer hebben; die is nog steeds groeiende. De slopende en ontluisterende ziekte die vooral ouderen treft, is onderwerp van veelsoortig onderzoek.

Wat is de oorzaak, of beter: wat zijn de oorzaken, en is de ziekte in een vroeg stadium te diagnostiseren en wellicht te behandelen? En zolang dat nog niet aan de orde is: hoe kunnen de symptomen zo goed mogelijk worden bestreden? Vanaf vandaag komen deze onderwerpen zes dagen lang aan de orde op het zesde wereldcongres over Alzheimer, dat dit keer in de Amsterdamse RAI wordt gehouden.

In Nederland lijden 120 duizend personen aan Alzheimer. De aandoening is nog niet te genezen. Uit recent onderzoek blijkt dat de ziekte veel meer gebieden in de hersenen aantast dan alleen het geheugen. De gedragsstoornissen die bij Alzheimer horen - depressie of agitatie bijvoorbeeld - zijn dan ook niet alleen een reactie van de patiënt die merkt dat zijn geheugen niet goed werkt; ze zijn ook een gevolg van verwoesting van andere hersengebieden.

De ziekte van Alzheimer is een grote paraplu waaronder allerlei vormen van dementie schuilgaan. Er zijn verschillende oorzaken, verschillende genen en soms niet-genetische oorzaken. 'Wat je uiteindelijk onder de microscoop aan schade in het hersenweefsel ziet, is betrekkelijk uniform', zegt prof. dr. Piet Eikelenboom, hoogleraar ouderenpsychiatrie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en als psychiater werkzaam bij de Valeriuskliniek in Amsterdam.

Eikelenboom, een van de spreker op het congres in de hoofdstad: 'Het einde van het dementeringsproces, dat een kettingreactie van gebeurtenissen is, is hetzelfde. Maar het begin is dat zeker niet. En we weten niet waar, wanneer en hoe de lijnen bij elkaar komen.'

Er zijn aanwijzingen dat een hoge opleiding beschermt tegen de ziekte. Maar wellicht zijn beter opgeleide ouderen handiger in het maskeren van hun vergeetachtigheid en hun verlies van gevoel voor tijd. Ze hebben hun leven lang op de klok gekeken en blijven dat doen. Ook het slikken van oestrogenen door vrouwen zou bescherming bieden, evenals ontstekingsremmers. Onderzoekers was het opgevallen dat reumapatiënten minder vaak de ziekte kregen.

Risicofactoren zijn er ook. Eikelenboom: 'Erfelijkheid kan een rol spelen bij Alzheimer, vooral als de ziekte zich op jongere leeftijd openbaart. Deze vorm komt nogal eens voor binnen families. Als een van de ouders het bewuste gen bezit, heeft het kind een kans van 50 procent de ziekte ook te krijgen. Bij mensen met het syndroom van Down treedt Alzheimer bijna altijd op tussen de 40 en 70 jaar. Ook hoofdtrauma, een hersenbeschadiging als gevolg van een verkeersongeluk of boksen, is een risicofactor. En ten slotte de leeftijd. Als we maar oud genoeg worden, krijgen we uiteindelijk allemaal de ziekte.'

Nieuwe geneesmiddelen richten zich, net als de bestaande, niet op de genezing, maar op de bestrijding van de vaak zeer ingrijpende symptomen. Zij vullen tekorten aan van de neurotransmitter acetylcholine, die belangrijk is voor de kennende functies van de hersenen. Hoe sterk het effect van die aanvulling is, is nog onvoldoende onderzocht.

Het begin van de ziekte, zegt Eikelenboom, kenmerkt zich door inprentingsstoornissen - problemen met het opslaan van nieuwe informatie - en verlies van intellectuele vaardigheden. Patiënten krijgen moeite met de taal, lijden aan vergeetachtigheid en herkennen hun omgeving en bekenden niet meer. Complexe handelingen, zoals een veter strikken, worden onmogelijk.'

Daar komen de gedragsstoornissen bij. Het slaap-waakritme raakt verstoord, waardoor patiënten overdag en niet meer 's nachts slapen. Ze gaan zwerven, worden achterdochtig en beschuldigen iedereen, raken geagiteerd en soms zelfs agressief. Het zijn vooral de gedragsstoornissen die ertoe leiden dat Alzheimerpatiënten ten slotte niet meer thuis kunnen worden verzorgd en moeten worden opgenomen in een verpleeghuis.

Een aantal symptomen is goed te behandelen met bestaande medicijnen, zegt Eikelenboom. 'Zo helpen antidepressiva tegen depressies en kan een lichtherapie orde brengen in het verstoorde slaap-waakritme, een gevolg van een in de war geraakte biologische klok. Neuroleptica kunnen helpen bij ernstige achterdocht en bij nachtelijke onrust kan een slaapmiddel worden gegeven. Er zijn geen aanwijzingen dat een geheugentraining veel oplevert.'

Maar medicijnen hebben bijwerkingen en het zieke brein van Alzheimerpatiënten is buitengewoon kwetsbaar, dus zeer gevoelig voor deze bijwerkingen. 'Soms is het dan ook beter psychosociale therapieën te gebruiken die net zo goed lijken te werken als sommige medicijnen. Er is een toenemende belangstelling voor vergelijkend onderzoek naar de effecten op het dagelijks functioneren tussen dit soort interventies en het slikken van geneesmiddelen. Je moet deze therapieën overigens niet losmaken van de biomedische.'

Eikelenboom geeft als voorbeelden van psychosociale interventies een regelmatige bewegingstherapie die de agitatie moet beteugelen. Een ander voorbeeld is de dagopvang die structuur brengt in het leven van de patiënt. Ook een juiste omgang met demente patiënten kan agitatie en onrust helpen voorkomen.

Maar nieuwe medicijnen en zorg voor de patiënten zijn niet de enige thema's waarop het wetenschappelijke onderzoek zich richt. Er wordt ook gekeken naar mogelijkheden om de ziekte in een vroeg stadium op te sporen. Eikelenboom: 'Alzheimer is een sluipende ziekte die uiteindelijk, in een proces dat twintig jaar kan duren, een groot deel van de hersenen verwoest. Er is geen weg terug. Vroege diagnostiek is dus van groot belang.'

Tekenen van de ziekte zijn duidelijk zichtbaar in het hersenweefsel. 'Er zijn aanwijzingen dat de hippocampus verschrompelt, maar dat gebeurt ook bij de normale cerebrale veroudering en is niet genoeg voor een diagnose en geen aanwijzing dat de ziekte haar werk doet. Daarvoor is het nodig ook de activiteit te meten. Dat gebeurt met behulp van MRI-scans.'

Dr. Philip Scheltens en drs. Serge Rombouts van het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit doen daar onderzoek naar. De patiënt wordt in een MRI-apparaat geschoven en krijgt foto's te zien. Bij het registreren van de beelden op de foto's zullen de intacte hersendelen, betrokken bij de imprenting, oplichten. Al in een vroeg stadium van Alzheimer is er, in vergelijking met gezonde ouderen, minder hersenactiviteit te zien in gebieden die belangrijk zijn voor het geheugen.

Maar hebben Alzheimerpatiënten iets aan een vroege diagnose? Nee, erkent Eikelenboom. 'We hebben deze patiënten nog niets te bieden. Er zijn geen geneesmiddelen in ontwikkeling. Het is alleen maar interessant voor onderzoek.'

Er wordt volop onderzoek gedaan naar het Downsyndroom en erfelijkheid als risicofactor, maar het is de vraag die kennis te vertalen is naar alle ouderdomsdementie, waarvan Alzheimer 70 tot 80 procent voor zijn rekening neemt, zegt Eikelenboom. 'Dat is nog in discussie. Misschien gaat het om verschillende ziekteprocessen.'

Vroeger heette alles aderverkalking en hoorde dementie bij het ouder worden. Sommige onderzoekers zien Alzheimer nog steeds als versterkte veroudering, die - behalve bij het syndroom van Down - op de grens van de levensverwachting valt. Pas sinds midden jaren tachtig wordt Alzheimer steeds meer gezien als een ziekte, die als zodanig moet worden benaderd. Dat wil zeggen: de oorzaak moet worden gevonden en de ziekte moet behandeld kunnen worden.

Er zijn geen aanwijzingen dat op korte termijn het raadsel van Alzheimer zal worden ontward en de ziekte kan worden genezen. Maar elke vertraging van enkele jaren heeft enorme gevolgen, zegt Eikelenboom. 'Op 70-jarige leeftijd lijdt 5 procent van de bevolking aan dementie, vijf jaar later is dat 10 procent en weer vijf jaar later 20 procent. Boven de 85 jaar is dat al 40 procent. Elke vijf jaar is er dus sprake van een verdubbeling. Een vertraging van een paar jaar kan een enorme daling van het aantal patiënten tot gevolg hebben.'

Suzanne Baart

Meer over