AnalyseVrijheid van onderwijs

Alweer artikel 23? Waarom de schoolstrijd al zo’n tweehonderd jaar steeds opnieuw oplaait

Onderwijsvrijheid wordt wel gezien als een relict uit de tijd waarin christen-democraten het in Nederland voor het zeggen hadden. De seculiere meerderheid wil er onderhand dus wel van af. Maar ‘klassiek christenen’ willen zich tegen de dominante ‘genderideologie’ kunnen verweren.

Minister Arie Slob van Onderwijs (ChristenUnie) dinsdag op het Binnenhof.Beeld Bart Maat / ANP

In geen land heeft de inrichting van het onderwijs de politiek en de samenleving zo lang en zo intensief beziggehouden als in Nederland. Bijna de hele 19de eeuw stond in het teken van de zogenoemde schoolstrijd, waarvan de inzet was: moet de rijksoverheid naast de openbare (‘neutrale’) scholen ook de bijzondere scholen (op een levensbeschouwelijke grondslag) bekostigen? In 1917, bij de totstandkoming van de ‘pacificatie’, kregen de voorstanders van gelijkstelling hun zin.

De standpunten die tijdens de schoolstrijd waren betrokken, zouden de politieke verhoudingen echter nog lange tijd blijven beheersen. ‘Een tweedeling op het onwaarschijnlijke niveau van levensbeschouwing sloeg de Nederlandse democratie een goed deel van de twintigste eeuw uit het lood’, schreef historicus Johan Snel in zijn onlangs verschenen biografie van Abraham Kuyper – de grote aanjager van het bijzonder onderwijs in Nederland.

Franse Revolutie

En nu, ruim een eeuw na de pacificatie, vormt de positie van bijzondere scholen opnieuw de inzet van hevige debatten. Daarbij gaat het vooral om de verenigbaarheid van Grondwetsartikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd, met artikel 1 – dat bepaalt dat ‘iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld’.

In de 19de eeuw ageerden voorstanders van de gelijkstelling van openbare en bijzondere (in de regel christelijke) scholen feitelijk tegen de Franse Revolutie, de wegbereider van een ‘neutrale’ overheid. Die overheid stond de oprichting van scholen op confessionele grondslag ‘in beginsel’ niet toe. In 1857 werd dat beginsel weliswaar losgelaten, maar van een gelijkberechtiging was nog steeds geen sprake: protestanten en rooms-katholieken mochten voortaan hun eigen scholen stichten, maar deze werden niet door de overheid gefinancierd.

Kuyper

Hiertegen kwam Abraham Kuyper, de latere stichter van de Antirevolutionaire Partij (ARP), in opstand. Met een ‘beroep op het volksgeweten’ verzamelde hij in 1878 ruim 300 duizend handtekeningen – drie maal het aantal kiesgerechtigden in die tijd – tegen wat hij noemde ‘de dode almacht van de onpersoonlijke staat’. Zijn katholieke medestanders voegden daar nog eens 164 duizend handtekeningen aan toe. Tot ontsteltenis van de liberale elite werd het ‘volkspetitionnement’ niet aan de verantwoordelijke minister aangeboden, maar aan koning Willem III – die de liberalen nog altijd verweet dat ze hem tot ceremonieel staatshoofd hadden gedegradeerd. ‘Tot overmaat van ramp leek Willem III wat mee te buigen’, schrijft Kuyper-biograaf Johan Snel. ‘Hij kon een verzetje wel gebruiken.’ Niettemin zou het nog tot de pacificatie van 1917 duren voordat de constellatie die Kuyper voorstond in de Grondwet werd vastgelegd.

De pacificatie was in die zin een succes, dat ze de burchtvrede in het verdeelde Nederland min of meer herstelde. Vanuit het perspectief van protestants-christelijke en rooms-katholieke Nederlanders was ze een succes omdat ze de langdurige dominantie van de christen-democratie inluidde (pas in 1994 trad het eerste kabinet zonder christen-democraten aan). En waar openbaar onderwijs in de 19de eeuw de norm was, is het bijzonder onderwijs dat tot op de huidige dag: al vele decennia bezoekt zo’n 60 procent van de kinderen in Nederland een school op protestants-christelijke of rooms-katholieke grondslag – al is daar in de praktijk soms weinig meer van te merken.

Het doel van de pacificatie was niet de begunstiging van het confessioneel onderwijs, maar vrijwaring van een levensbeschouwelijke invloed van de staat op het onderwijs. Niet de kerstening van het onderwijs was het oogmerk van Abraham Kuyper, maar onderwijsvrijheid. Artikel 23 heeft dus ook de vestiging van scholen op een pedagogische grondslag mogelijk gemaakt, zoals dalton- en montessorischolen. In de jaren dertig van de vorige eeuw liet de onderwijsvrijheid echter ook de vestiging van enkele Duitse scholen toe. Die moesten zich weliswaar naar de Nederlandse wet voegen, maar stelden de leerlingen ook bloot aan nazistische indoctrinatie.

Islamitische scholen

In de huidige tijd genieten islamitische scholen protectie van artikel 23. Zij kunnen slechts door de overheid worden aangepakt als het onderwijsniveau onder de maat is of als – zoals bij het Haga Lyceum in Amsterdam – de school naar het oordeel van de onderwijsinspectie door wanbestuur wordt geteisterd, maar niet vanwege het uitdragen van een geloofsovertuiging die in strijd is met de kernwaarden van de Nederlandse Grondwet.

Eveneens met rugdekking van artikel 23 menen enkele reformatorische scholen van de ouders een verklaring te mogen verlangen waarin ze – in de geest van de school – homoseksualiteit afwijzen. Daarmee hebben ze mogelijk een strafbaar feit gepleegd. Nadat de Kamer daar lastige vragen over had gesteld, raakte minister Arie Slob verstrikt in de strijdigheid tussen de vrijheid van onderwijs en de gelijkheidsbeginselen van Grondwetsartikel 1. Op seculier Nederland ging hiervan slechts de aanmoediging uit om – niet voor het eerst – afschaffing van dat anachronistische artikel 23 te bepleiten.

Respecteren

Volgens aanhangers van de status quo zou daarmee de kind met het badwater worden weggegooid. ‘Het is duidelijk dat de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid met elkaar kunnen botsen, zeker als mensen deze rechten tegen elkaar uitspelen’, zegt René de Reuver, scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). ‘Maar de roeping van ieder mens is om, in navolging van Jezus, altijd het goede na te streven. Dat betekent: niet met opzet beledigen van wat heilig is voor de ander én respecteren wie iemand is. Scholen, ongeacht hun signatuur, moeten hoe dan ook een veilige plek zijn voor leraren en leerlingen.’

Volgens de theoloog Piet de Vries, docent bij het Hersteld Hervormd Seminarie aan de Vrije Universiteit, miskennen de pleitbezorgers van afschaffing van artikel 23 ‘dat het openbaar onderwijs voor klassiek christenen een onveilige omgeving is’. Juist nu christenen een minderheid in de Nederlandse samenleving zijn gaan vormen, moeten hun vrijheden – die vroeger min of meer vanzelfsprekend waren – worden gewaarborgd. Te meer omdat hun opvattingen over huwelijk en seksualiteit steeds verder af komen te staan van wat De Vries ‘de genderideologie’ van de overheid noemt. ‘Het feit dat de overheid zelf die ideologie incorporeert in wetgeving, mag niet betekenen dat levensbeschouwelijke minderheden die deze meerderheidsideologie niet delen, de toegang tot het publieke domein wordt ontzegd of bemoeilijkt.’

Zwaar bevochten

Grondwetsartikel 23 is het zwaar bevochten resultaat van een eeuw schoolstrijd. Het bepaalt dat de overheid niet alleen openbare scholen bekostigt, maar ook scholen met een levensbeschouwelijke of pedagogische grondslag (die eerder niet voor overheidsfinanciering in aanmerking kwamen). Deze bijzondere scholen dragen soms echter ook geloofsovertuigingen uit die botsen met de gelijkheidsbeginselen van artikel 1 van de Grondwet.

Een etmaal lang was minister Slob in opspraak door te verdedigen dat scholen zich negatief mogen uitlaten over homoseksualiteit. Totdat hij toegaf dat het vragen van een schriftelijke verklaring een brug te ver is.

Meer over