Altijd zijn zaakjes voor elkaar

De Amerikaanse tenorsaxofonist Benny Golson (76) blaast nooit op routine. In zijn spel zitten weinig uitschieters, maar hij is steeds op zoek naar nieuwe nuances....

Eigenlijk is Benny Golson nogal saai. Zijn toon is fluwelig en netjes. Van de wereldberoemde standards die hij heeft geschreven, lijken er een paar verdacht veel op elkaar. Along Came Betty en Killer Joe bijvoorbeeld. En anders dan de titel doet vermoeden is het laatste nummer een nogal gezapig wijsje.

Thelonious Monk zei het al tegen hem: ‘Je speelt te perfect.’ Art Blakey drumde keihard door Golson heen om hem te laten voelen dat hij eens wat meer moed moest tonen: ‘Get up out of that hole!’. Tot overmaat van ramp speelt de immer beminnelijke gentleman ook nog eens zichzelf in de laatste film van Steven Spielberg. Dat zie je zijn veel brutere tenorsaxcollega Sonny Rollins niet doen.

Toch is de 76-jarige Benny Golson een belangrijk jazzicoon. Door op het juiste moment op de juiste plaats te zijn geweest en dankzij zijn fijnzinnige handigheid heeft hij een rol van betekenis gespeeld in de jazzgeschiedenis. En hij mag dan keurig spelen, hij klinkt bijzonder gevoelvol. Wie zo’n prachtige ballad schrijft als I Remember Clifford –voor de op 25-jarige leeftijd gestorven supertrompettist Clifford Brown– verdient een plek in de eregalerij der jazzgroten.

De beroemde foto A Great Day in Harlem, op een ochtend in 1958 in New York gemaakt door Art Kane, is een soort vooruitziende eregalerij. Er staan 57 jazzmuzikanten op waarvan het leeuwendeel later tot de absolute top zou blijken te horen. Golson stond nog aan het begin van zijn carrière toen hij poseerde. Hij vroeg zich af wat hij daar deed, tussen al die beroemdheden. Een halve eeuw later brengt die foto Golson meer roem dan hij ooit had kunnen denken.

Het groepsportret speelt een essentiële rol in de recente film The Terminal, met Tom Hanks in de hoofdrol. De film gaat over een man uit een voormalige Sovjet-republiek die door een bureaucratische paradox vast komt te zitten op het vliegveld in New York. Hij is naar Amerika gekomen om de handtekening te vragen van Benny Golson, de enige muzikant van de Harlem-foto van wie hij er nog geen van heeft. Golson zegt drie zinnen in de film, speelt een stukje Killer Joe en daardoor heeft hij nu meer werk dan ooit. Zo is hij plotseling hip bij the rich and famous. De saxofonist luisterde onlangs nog een feest op van Nicola Bulgari, van het exorbitant luxe juwelenmerk. Een dergelijke carrièreontwikkeling past perfect bij Golson die, in tegenstelling tot de meeste jazzmusici van zijn generatie, op de een of andere manier altijd zijn zaakjes voor elkaar heeft gehad.

De drummer Art Blakey heeft de doorbraak van zijn Jazz Messengers te danken aan Benny Golson. Nadat hij Golson in 1958 had ingelijfd nam deze zo’n beetje de hele organisatie over. Niet alleen regelde Golson het zakelijke gedeelte, hij liet Blakey meteen het grootste deel van de band ontslaan en rekruteerde de trompettist Lee Morgan, de pianist Bobby Timmons en de bassist Jymie Merritt. Het werd een van de succesvolste bands uit de jazzgeschiedenis. Golson schreef nieuw repertoire voor Blakey, waaronder de klassiekers Blues March en Whisper Not. Moanin’, een van de grootste jazzhits aller tijden, staat op naam van Bobby Timmons. Maar het was Golson die de pianist aanspoorde om het lickje dat hij op het podium vaak tussendoor speelde uit te bouwen tot een nummer. Dit alles gebeurde in het tijdsbestek van een jaar, want daarna verliet de saxofonist The Messengers om met de trompettist Art Farmer en met de trombonist Curtis Fuller zijn eigen band te beginnen: The Jazztet. De rauwe stijl van Blakey bleek toch niet helemaal bij de saxofonist te passen. De verfijnde, fraai uitgewerkte structuren en het beheerste spel van The Jazztet, dat is op en top Golson. Ook die band bestond maar kort: drie jaar. In de jaren tachtig en negentig is de groep nog verschillende keren bij elkaar gekomen.

Het was niet de eerste keer dat Benny Golson afscheid nam van een muzikale partner die veel heftiger was dan hijzelf. Als tiener was Golson dikke maatjes met een buurtgenoot in Philadelphia: John Coltrane. In 1945 zagen ze samen een concert van onder anderen Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Het veranderde hun levens voorgoed. Tot dan toe luisterden ze naar swing en rhythm ’n’ blues. Gillespie en Parker speelden iets totaal nieuws: bebop. Na het concert droegen ze de koffer van Charlie Parker op weg naar een nachtclub. De kinderen vroegen hem de oren van het hoofd over wat voor mondstuk hij gebruikte, wat voor riet, enzovoort. Twee weken later kwam Coltrane –die toen nog altsax speelde– bij Golson langs. ‘En, merk je al verschil?’ ‘Nee, niks.’ ‘Ik ook niet.’

Maar Coltrane had zich gedurende die twee weken opgesloten met zijn sax en was toch al anders gaan klinken. Golson was veel minder fanatiek, hij wilde ook nog wel eens naar de film en achter de meisjes aan.

Golson is nooit bezeten van zijn instrument geweest. Naar eigen zeggen duurde het ontzettend lang voor hij er behoorlijk geluid uit kreeg. Toen hij eind jaren zestig de mogelijkheid kreeg om in Hollywood filmmuziek te gaan schrijven heeft hij zijn saxofoon zonder moeite acht jaar in de koffer laten zitten. Met mensen als Oliver Nelson en Benny Carter kreeg hij in Los Angeles al het werk toegeschoven waar Quincey Jones geen tijd voor had. Zo maakte hij muziek voor talloze commercials en voor tv-series als M*A*S*H, Mod Squad en Mission Impossible. Toen de synthesizer zijn intrede deed en de studiobazen meer op hun geld gingen letten was Golson een van de eersten die minder werk kreeg. Hij moest zich wederom in het zweet studeren om de saxofoon onder de knie te krijgen. Het was alsof hij nooit eerder had gespeeld.

Mede daardoor is Benny Golson iemand die nooit op routine blaast. In zijn spel zitten weinig uitschieters, maar hij is steeds op zoek naar nieuwe nuances. Door het vermijden van extremen heeft hij overleefd in de zware muziekscene. Spielberg had dan ook weinig alternatieven voor zijn film. Van de 57 muzikanten op de foto A Great Day in Harlem leven er nog maar een paar.

Meer over