Altijd op zoek naar een fris groen blaadje

De Wageningse genenbank haalde zaad van wilde slasoorten uit Armenië en Azerbeidzjan. Dit verse bloed moet onze slakrop wapenen tegen ziektekiemen.

RIK NIJLAND

Het was half augustus in de nachttrein door de Trans-Kaukasus dat het Chris Kik (57) voor het eerst door het hoofd schoot: klopt onze hypothese over de afstamming van de slakrop wel? Geen vraag waar de doorsneeconsument zich bij de groenteboer het hoofd over breekt; wel een kwestie voor een hoofdcurator van de genenbank in Wageningen.

Dna-onderzoek wees vorige eeuw uit dat onze huis-tuin-en-keukensla, Lactuca sativa - in welke gekrulde en gekleurde vorm die tegenwoordig ook op je bord ligt - waarschijnlijk afstamt van de wilde kompassla, Lactuca serriola. Dat is de meest nauwe verwant. Maar dat was voordat Kik deze zomer in Azerbeidzjan voor het eerst Lactuca georgica onder ogen kreeg. 'Die wilde slasoort vormt bladrozetten waarvan de bladeren een lichtgroene kleur hebben. Je kunt je voorstellen dat onze voorouders daarmee zijn gaan kweken; serriola heeft lange stengels met af en toe een donker grijsgroen blad. Hoe kom je vandaar naar een krop; hoe konden ze dat bedenken? Mijn idee is heel speculatief, maar georgica is toentertijd bij het dna-onderzoek bij mijn weten niet meegenomen. Die is in genenbanken namelijk zeer zeldzaam.'

Inmiddels is aan die schaarste - in Wageningen althans - een eind gekomen. Als het tl-licht aanflitst in de droogruimte van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN), zoals de Nederlandse genenbank officieel heet, komen kleine kratjes in beeld met daarin 128 linnen zakjes. Binnenin bevinden zich papieren boterhamzakken met in elk een handvol minuscule zaadjes met veel vruchtpluis - sla is verre familie van de paardebloem.

Dit is de wat armzalig ogende opbrengst van een verzamelexpeditie die Kik deze zomer ondernam in de Trans-Kaukasus om zaden van wilde slasoorten te verzamelen.

De Wageningse genenbank is een buitenbeentje. Bij de meeste zusterinstellingen - zo'n 1.300 over de hele aardbol - zijn groenten een ondergeschoven kindje: wereldwijd maar 9 procent van het opgeslagen zaadmateriaal. 'In de strijd tegen de honger lag de nadruk jarenlang op granen, rijst en peulvruchten', zegt Kik. 'Wij hebben ons op groenten geconcentreerd, vanwege het belang ervan als bron van micronutriënten, zoals vitamines, maar ook uit economische overwegingen. Nederland heeft zich de laatste 25 jaar ontwikkeld tot een grote speler op het gebied van de veredeling van groentegewassen.'

Die nieuwe Hollands glorie zit te springen om vers genetisch materiaal. De afgelopen vijf jaar is Kik al vier keer eerder op reis geweest om zijn genenbank te spekken met wilde voorouders - van asperge, prei en twee maal spinazie.

Het resultaat van Kiks verzamelinspanning mag in de droogruimte in Wageningen wat onbeduidend ogen; belangstelling ervoor is er te over, vertelt hij. Van de moderne rassen in de land- en tuinbouw is de genetische basis niet bijster groot. Af en toe is vers bloed van wilde verwanten nodig, voor onderzoek en voor het ontwikkelen van nieuwe rassen die aan andere groeiomstandigheden zijn aangepast of die nieuwe ziekten het hoofd kunnen bieden.

De door Kik verzamelde zaden vertoeven voorlopig nog enkele maanden in de droogruimte. Vervolgens verdeelt het GCN de oogst over de veredelingsbedrijven die hebben meebetaald aan de verzamelexpeditie, zodat die mede de zaden kunnen opkweken en vermeerderen. Zelf houden die bedrijven een deel van de vermeerderde zaden; de rest wordt luchtdicht in dik aluminiumfolie geseald en in porties van 50 tot 100 zaden bij min 18 graden opgeslagen in een van de koelcellen in Wageningen en in het internationale genendepot op Spitsbergen. Ook wordt aan de genenbanken in Azerbeidzjan en Armenië een duplicaat van het verzamelde materiaal gezonden. Na drie jaar - om de aan de expeditie meebetalende veredelingsbedrijven een onderzoeksvoorsprong te geven - kan iedereen met een serieus oogmerk de zaden gratis opvragen.

Wat de veredelingsbedrijven precies beogen, weet Kik niet, maar hij vermoedt dat het verse bloed vooral zal worden gescreend op resistentiegenen tegen ziekten - met name valse meeldauw, een desastreuze schimmel op slabladeren. Elke twee of drie jaar steekt een nieuwe mutant de kop op die de zorgvuldig ingebouwde weerstand van de plant doorbreekt. Om het lek in de bescherming te dichten, wordt een volgend resistentiegen ingekruist. 'Dat is weinig duurzaam', vindt Kik. 'Je kunt je voorstellen dat de genetische mogelijkheden zo snel worden opgebruikt'.

Er zijn aanwijzingen, vertelt hij, dat er een blijvender bescherming mogelijk is door meerdere genen in te zetten die elk op zich niet afdoende zijn, maar die samen veel langer stand houden tegen nieuwe mutanten van valse meeldauw. 'Het is nog toekomstmuziek, maar ik heb hoop dat het verzamelde materiaal niet alleen de commercie dient, maar ook bijdraagt aan het onderzoek naar zo'n robuustere aanpak.'

Om in de lacunes in de slacollectie te voorzien, lag de Trans-Kaukasus als reisdoel voor de hand: Armenië en Azerbeidzjan vormen een hotspot van wilde slasoorten. In beide landen werkte Kik nauw samen met deskundigen van de lokale genenbank en een botanisch instituut of botanische tuin. Die voerden vorig jaar een voorinspectie uit om de haalbaarheid te beoordelen en geschikte regio's om te verzamelen uit te zoeken. 'Zij zijn mijn oren en mond bij overleg met de lokale bevolking, die ons naar geschikte groeiplaatsen kan loodsen.'

En dat zijn niet de plekken met een aangenaam klimaat en airco-hotels. Temperatuur: 35 graden of meer, dus droeg Kik een breedgerande hoed tegen de brandende zon, en altijd beenbeschermers. Net als Indiana Jones heeft genenjager Chris Kik een broertje dood aan slangen.

Tijdens zijn reis had Kik ook graag Georgië bezocht, maar daar mocht hij niet verzamelen. Na de biodiversiteitsconferentie in Rio de Janeiro is begin jaren negentig bepaald dat het eigendom van genetische hulpbronnen toebehoort aan het land van herkomst. Voordien mocht iedereen naar believen wereldwijd op strooptocht gaan; nu wordt dat gezien als biopiraterij.

Georgië vindt planten verzamelen voor wetenschappelijk onderzoek prima, maar niet voor commerciële doeleinden. Daar wil het land met de betreffende bedrijven achteraf over onderhandelen. 'Ik merk dat de bedrijven dat een te onzeker vooruitzicht vinden', aldus Kik. 'Die hebben er best geld voor over, maar ze willen voordat ze investeren weten waaraan ze toe zijn. Dat is een patstelling. Daardoor zijn we momenteel vaak niet in staat optimaal gebruik te maken van de genetische hulpbronnen op aarde. Dat werkt belemmerend. Ook in deze tijd van moderne biotechnologie is de klassieke veredeling van gewassen nog altijd de belangrijkste manier om hogere voedselopbrengsten te genereren.'

Dat is wel een kwestie van de lange adem, beseft ook Kik. Het duurt nog wel vijf tot tien jaar voordat zijn eerdere spinazie-expedities resulteren in nieuwe spinazierassen, verwacht hij, en eenzelfde periode voordat er Trans-Kaukasische genen in onze sla zitten.

KEN UW GROENTEN

Spinazie bestaat uit bladeren van Spinacia oleracea, een van oorsprong Aziatische plantensoort waarvan geen wilde voorouders bekend zijn. De plant deed in de 12de eeuw zijn intrede in Europa, aanvankelijk als laxeermiddel.

Net als veel andere groenten komt sla, Lactuca sativa. van oorsprong uit het Middellandse Zee-gebied en Klein Azië. Al in 4500 voor Christus hebben de Egyptenaren sla op het menu staan. De krop is van later datum.

Al zo'n 5.000 jaar geleden wordt er kool, Brassica oleracea, gekweekt, maar de oorsprong is niet duidelijk, vermoedelijk een gecultiveerde strandplant in het Middellandse Zee-gebied. Mogelijk waren de Kelten op de Britse eilanden er eerder bij, op basis van de zeekool.

Andijvie, Cichorium endivia, en witlof, Cichorium intybus, zijn nauw verwant. Andijvie - afkomstig uit het Middellandse Zeegebied - werd al voor het begin van de jaartelling gegeten. Pas midden 19de eeuw ontdekten de Belgen dat er in het donker eetbare witlofkropjes ontstaan op de wortels van cichorei, die werden gebruikt als veevoer en koffiesurrogaat.

RARE PARADOX

'In de genenbank bewaren we ook zaden van groenten die lokaal door kleine boeren van generatie op generatie zijn geteeld. Vaak hebben die bijzondere genencombinaties. Wereldwijd dreigen dergelijke landrassen te verdwijnen; meer en meer zie je verpakkingen van bekende Nederlandse veredelaars. Dat is een rare paradox. Aan de ene kant hebben veredelaars genetische variatie nodig; aan de andere kant verdringen de nieuwe rassen de lokale landrassen.' (Chris Kik, Centrum voor Genetische Bronnen Nederland)

undefined

Meer over