Altijd meer bewonderd dan bemind

Peter Paul Rubens verbeuzelde zijn dagen niet. Hij stond om vier uur op, ging naar de mis en toog aan het werk....

In de Antwerpse Sint-Jacobskerk, dat kun je nalezen in Victor Hugo's reisnotities uit 1837, was er 'een rare snuiter van een suisse die men beter op een openbare plek aan de kaak zou stellen'; de ellendeling beschikte naar eigen goeddunken over Peter Paul Rubens. Je moest vele sous betalen als je werk van hem wilde zien. 'Al die kunst in kerken werd schaamteloos uitgebuit . . . Hij toonde of verborg hem volgens zijn luimen, zonder dat er controle op hwas, onbeschoft en soeverein. Het was hatelijk.'

Rubens (1577-1640) is alomtegenwoordig in Antwerpen. Zijn fraaie huis op de Wapper, met de lieflijke Italiaanse tuin, toont Rubens' hele spectrum: verstand, wijsheid, liefde en succes. In het Rubenshuis proef je nog die sfeer van geleerdheid, ondernemerschap, collectievorming en diplomatie; maar ook van zinnelijke genoegens tussen de kamperfoelies en de rozen. Het ging de stads-en hofschilder voor de wind. Er waren in zijn tijd weinig kerken die geen schilderijen van hem hadden. De sporen van die alomtegenwoordigheid kun je ook nu nog goed zien, gelukkig zonder hinderlijke bemoeienissen van zo'n suisse, maar letterlijk in Peter Paul Rubens' voetsporen.

De stad heeft een Rubenswandeling uitgestippeld, van zijn huis op de Wapper bij de Meir naar de Sint-Jacobskerk waar hij is begraven; dan naar de Carolus Borromeuskerk, darokkerk van Antwerpen; vervolgens naar de Sint-Pauluskerk die in 1968 gedeeltelijk afbrandde, en ten slotte naar de kathedraal, het grootste kerkgebouw van de Nederlanden, waar De kruisoprichting De kruisafneming hangen, adembenemend en weergaloos truly God made flesh.

Er hangt overal in Antwerpen werk van Rubens, 'de prins der schilders en de schilder der prinsen': De Sabijnse maagden in het Osterriethhuis en Maria en kind in het Rockoxhuis; een stervende Seneca in het Museum Plantin-Moretus; topstukken als De verloren zoon of Het ongeloof van Thomas in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten; een Heilige Franciscus in de Sint-Antoniuskerk, een Sint-Willibrordus in de Sint-Willibrorduskerk; zijn zelfportret met breedomrande hoed in het Rubenshuis.

Hij wordt dit jaar door een 'gelukkige samenloop van omstandigheden' zegt de commissaris van de Rijselse tentoonstelling Arnauld Brejon de Lavergn ged, gelauwerd en bejubeld in 'culturele hoofdstad van Europa' Lille, in Antwerpen (met zeven exposities), maar ook in Rotterdam en Madrid ('Rubens en het leven van Achilles'), in Genua en Londen, in New York en Wenen (tekeningen en schetsen), en in Braunschweig (Rubens: Barocke Leidenschaften). Maar wordt hij ook bemind?

Peter Paul Rubens, rijk en geridderd, beroemd schilder en geslepen diplomaat, geleerde, verzamelaar, Antwerpse seigneur en gevierd ondernemer, is altijd meer bewonderd dan bemind. In alle grote musea, van Parijs tot Sint-Petersburg, van Madrid tot Berlijn, hangen overweldigende taferelen en schitterende portretten van Rubens, maar toch vraag je je af: zouden al die liefhebbers van die schilderijen wel t van Rubens houden? Wordt hij net zo gekoesterd als Rembrandt, Botticelli of Vermeer?

Dat heb je ook bij de zeventien jaar jongere Nicolas Poussin, de grootste schilder uit de Franse 17de eeuw. Er zijn zoals bij Rubens felle voor-en tegenstanders van zijn werk, strijdvaardige Poussinistes zoals er even strijdlustige Rubstes waren. Poussin was een peintre-philosophe, niet heftig en zwierig zoals Rubens maar eerder een wiskundige en een man van de esprit. De Fransen houden wel degelijk van hussin, de schilder van het eclatante blauw, maar tegelijk vinden ook velen hem le plus barbifiant des raseurs, 'de meest stomvervelende van de vervelende zeuren', een 'kleurloos schilder'.

Rubens is krachtiger en barokker. Hij is weliswaar teder en sensueel, maar tegelijk ook vol geweld, fel en dronken van kleur. Soms is hij zachtzinnig, op een tafereel in zijn tuin of in een portret, dan weer ernstig of diep-religieus; maar vaak is hij ook theatraal en nietsontziend. Hij schilderde afgehakte hoofden, tongen die bij de wortel zijn uitgerukt en aan de honden worden gevoerd, graaiende en parende boeren. Hij modelleerde personages met dikke, romige verf; ze zitten goed in het vlees. Maar tegelijk kon hij ook haarlokken van het fijnste gouddraad schilderen.

Bij Poussin komt compositie vkleur; het tekenen, dat beroep doet 'op de geest', is superieur aan het gebruik van koloriet. Kleur beoogt een zintuiglijker effect. Er werd in de late 17de eeuw al fel over getwist tussen Poussinistes en Rubstes: tekenkunst versus kleurgebruik. Rubens schilderde een tastbaarder decorum; opdrachtgevers hielden meer van zulke kleurige maar soms ook protserige taferelen. Misschien was hij dom ook populairder dan Poussin.

Elke middag schrijft Simon Schama in Rubens' portret in De ogen van Rembrandt (over diens bewondering voor de veel oudere Rubens) 'ging hij op een fraai Spaans paard uit rijden'. Rubens was een seigneur een ondernemer. Hij verbeuzelde zijn dagen niet. Rubens stond om vier uur op, ging naar de mis en toog aan het werk. Hij wist wat zijn klanten zochten of wilden. Voor de gasten en de cli was hij de hartelijkheid zelve. Zijn huis was een kunstkabinet. Een winkel. Hij werkte voor vorsten en aristocraten, voor de burgerij en de clerus. Omdat er tijdens de Beeldenstorm veel was vernield en omdat het calvinistische stadsbestuur tal van religieuze kunstwerken uit de kerken had laten weghalen, was er tijdens de katholieke restauratie na de Val van Antwerpen veel vraag naar altaarstukken en andere stichtende taferelen.

In zijn atelier werkte hij met tal van leerlingen. In tegenstelling tot de schildersentourage in Rembrandts werkplaats is over Rubens' paleisatelier weinig bekend. Het is, schreef hij in een brief uit 1626, 'mijn geheim kabinet'. Een van zijn leerlingen, vermoedelijk ook de huisbewaarder, Willem Panneels, heeft veel tekeningen gemaakt naer Rubens, naar prenten uit diens geheime studievertrek. Panneels' Rubens Cantoor, studietekeningen met teksten in geheimschrift, dat zich nu in Kopenhagen bevindt, is het receptenboek van schilder-koopman Rubens.

Kopin was heel gewoon; maar je maakte ook 'inventies', nieuwe vondsten voor composities. Toen er een keer een gepekelde neushoorn in Rome was aangekomen, maakte de toen in Italionende Rubens meteen een schets van het curiosum; zulke prenten behoorden tot de ateliergeheimen.

Rubens bewaarde zijn leven lang tekeningen die hij in Rome van de mooiste antieke beelden had gemaakt. Zowel tekeningen van eigen hand als die van andere kunstenaars vormden de kern van zijn artistieke praktijk: alle beginnende schilders werden aangespoord meesters te kopin met een bescheiden persoonlijke toets. Rubens retoucheerde vaak die tekeningen, zowel de originelen als de kopie Dat fysieke contact met andere grote meesters belichaamde zijn ideaal van imitatie en assimilatie. Tijdens de voorbereiding van Een huis vol kunst Rubens als verzamelaar een reconstructie, nu in het Rubenshuis, van een deel van zijn collectie spraken de samenstellers eerst schertsend over 'bij Rubens thuis'; dwerd treffender naarmate ze zich meer verdiepten in de artistieke en intellectuele wereld van de schilder, in zijn smaak. Rubens was een pictor doctus, een 'geleerd schilder'. Hij had een indrukwekkende verzameling boeken en folianten, die hij vooral in de Officina Plantiniana van Balthasar Moretus kocht.

Toen zijn hart was bezweken, na enkele dagen van koorts en door de jicht die naar zijn zeggen al jaren 'zijn handen teisterden' (op een laat zelfportret heeft hij een gehandschoende rechterhand), liet sir Balthasar Gerbier, de agent van de Engelse koning, zijn opdrachtgever Karel I weten dat 'Rubens' rariteiten van schilderijen, beelden, agaten, ivoorsnijwerk en tekeningen onderhands zullen worden verkocht'. Geen kunstenaar had ooit tevoren een verzameling bijeengebracht die kon wedijveren met die van vorsten. Rubens bezat meesterwerken van Titiaan, Rafaen Tintoretto, van Pieter Bruegel de Oude, Antoon van Dyck en Adriaen Brouwer; in de daartoe speciaal gebouwde rotonde bracht hij zijn collectie antieke beeldhouwkunst onder.

We weten wat hij bezat: de Specification, zoals kortweg de inventaris van zijn kunstbezit wordt genoemd, vermeldt meer dan driehonderd schilderijen, originelen en kopie

Misschien werd Rubens door latere schilders niet bemind, maar zeker wel bewonderd. Charles Baudelaire echter schreef, na een bezoek aan het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, dat in zijn ogen het werk van Rubens 'een fontein van banaliteiten' is. Baudelaire's pam flet was dan ook het venijnigste geschrift dat ooit tegen een heel volk is geschreven. Maar ook de grootste 19de-eeuwse Rubensliefhebber, Eug Delacroix, maakte in zijn dagboek eens opmerkingen over diens overdaad, 'de zware vormen van de menselijke figuur, de overdonderende dynamiek en het absurde naturalisme van de allegorische composities'.

In een in 2002 in Parijs gepubliceerd proefschrift over de 'receptie' van Rubens in Frankrijk, waar tot nu in Lille dit jaar nooit een overzicht van zijn werk was te zien, heeft historicus Alexis Merle du Bourgis het over een 'enthousiaste belangstelling'. Veel kunstenaars assimileerden zoals vroeger zijn leerlingen het werk van Rubens. Hij is nooit helemaal vergeten. 'Dat ik schilder geworden ben', zei Delacroix ooit, die Rubens in het Louvre kopieerde, 'heb ik aan twee dingen te danken: aan de waterdruppeltjes van de sirenen van de Reis van Maria de' Medici en aan het geeloranje kraagje van de man die neerhurkt in de linkerhoek van de Bruiloft van Kana.'

Meer over