Altijd klaar om in te grijpen

De neoconservatieven staan in Amerika aan de zijlijn. Ze geven toe dat er fouten zijn gemaakt bij de invasie in Irak. Maar ze kloppen zich vooral op de borst vanwege hun rol bij de interventie.

ARIE ELSHOUT

Tammy Duckworth was helikopterpiloot toen ze haar benen verloor. 2004 was het. Haar Blackhawk werd neergehaald in Irak, waarna ze werd verpleegd in het Walter Reed ziekenhuis bij Washington. De vele oorlogsgewonden en -verminkten hadden een opmerkelijke bezoeker, vertelde ze onlangs.'Paul Wolfowitz was er daar voor ons. Hij kwam 's avonds en in de weekenden.' Ja, ze weet dat hij als een van de neoconservatieven 'de reden was dat ik naar Irak werd gestuurd en opgeblazen. Maar hij bekommerde zich om ons.'

Het is een aangrijpende ontboezeming. Zo veel tragiek in zo weinig woorden. Het beeld van Wolfowitz: de intellectueel met de fluweelzachte stem die als onderminister van Defensie een oorlog hielp ontketenen, zittend tegenover mannen en vrouwen die met hun verbrande huid, geamputeerde ledematen en een hoofd vol verschrikkingen een hoge prijs betaalden voor zijn ideeën. Oorzaak en gevolg kwamen hier aan de rand van het bed pijnlijk dicht bij elkaar.

Maar Duckworth stond zichzelf niet toe het verlies van haar benen te compenseren met gevoelens van wrok. Tien jaar na de Irak-oorlog is zij lid van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Wolfowitz is naar de achtergrond verdwenen. In het najaar van 2002 zei hij in een interview met onder meer de Volkskrant dat oorlog verschrikkelijk is en toch soms noodzakelijk kan zijn. Op een verzoek om terug te blikken, reageert hij nu niet.

De neoconservatieven hebben zich teruggetrokken in de coulissen van Washingtonse denktanks en pressiegroepen. Ze zijn herhaaldelijk dood verklaard, maar hun reputatie is zo slecht dat hun tegenstanders de overlijdensberichten niet vertrouwen en bij het minste of geringste menen weer beweging in het lijk te zien. Ze lijden aan het neocon-syndroom, een hardnekkige aandoening die voortdurend doet vrezen dat de neoconservatieven opnieuw Amerika kunnen kapen om het weer in oorlog te storten.

Die angst heeft een reden. Columnist Thomas Friedman verwoordde de gevoelens van velen toen hij in 2003 tegen de Israëlische krant Ha'aretz zei: 'De Irak-oorlog was de oorlog die de neoconservatieven wilden.' Volgens hem kon hij de namen geven van 25 man die zich op dat moment allemaal in de vijf blokken rond zijn kantoor in het centrum van Washington DC bevonden. 'Als je ze anderhalf jaar geleden naar een onbewoond eiland zou hebben gedeporteerd, zou de Irak-oorlog er niet zijn gekomen.'

Met het nodige gevoel voor drama reduceert Friedman de werkelijkheid tot een overzichtelijke samenzwering. Een coup d'état bijna. Maar het lag, zoals altijd, ietwat ingewikkelder.

11 september

Voor de Irak-oorlog was meer nodig dan een groepje neoconservatieven in het hart van de macht. Zij waren inderdaad eenvoudig te lokaliseren, omdat ze er nooit een geheim van hadden gemaakt dat het bewind van Saddam Hussein omvergeworpen moest worden. In 1979 noemde Wolfowitz de Iraakse dictator al een gevaar. Volgens hem was democratie, desnoods met geweld opgelegd, de oplossing voor het instabiele Midden-Oosten, met al zijn corrupte en onderdrukkende regimes. Maar onder de presidenten George Bush sr. en Bill Clinton kregen de neoconservatieven geen voet aan de grond. Zelfs Bush jr. en zijn vicepresident Dick Cheney lieten zich aanvankelijk niet overtuigen. Dat veranderde na de catastrofe van '11 september'.

De sluizen van de angst gingen helemaal open bij de Amerikanen: wat eenmaal was gebeurd, kon nog keer gebeuren, en misschien wel op nog veel grotere schaal. Elke potentiële dreiging moest bij de wortel worden aangepakt. Het was in dit klimaat dat de geesten rijp werden gemaakt voor een preventieve oorlog tegen de seri-ele onruststoker Saddam, ook al had hij met de aanval op de Twin Towers niks van doen gehad.

Er ontstond een gelegenheidscoalitie tussen enerzijds de neoconservatieven en anderzijds Cheney en minister van Defensie Donald Rumsfeld. Op zich moesten deze twee niet veel hebben van die neoconservatieve dagdromerij over een democratische dageraad. Als nationalisten waren ze vooral geïnteresseerd in de verdediging van Amerika's macht, veiligheid en belangen. Als het aan Rumsfeld gelegen had, was Saddam afgezet in een bliksemoorlog: snel erin, snel eruit.

De aanslagen dreven nationalisten en idealisten echter in elkaars armen. De neoconservatieven leverden de ideeën en de mannen van de macht de troepen en kanonnen. Bush jr. gaf het zijn zegen.

Het was een unieke samenloop van omstandigheden, met '11 september' als hefboom. De vrees van links Amerika voor een herhaling van de neoconservatieve machtsgreep lijkt daarom overdreven. De grimmigheid van de jaren na 9/11 is verdwenen, er zijn geen grote aanslagen meer geweest in de VS, het land is oorlogsmoe, het koos tot tweemaal toe voor een president die geen grootscheepse militaire avonturen meer wil. De voedingsbodem voor een nieuwe bloei van het neoconservatieve geloof is weg.

De neocons zijn de band met de macht kwijtgeraakt in Obama's Washington. Ze hebben alleen nog hun ideeën. Die brengen ze naar voren in een blad als The Weekly Standard en in denktanks als het American Enterprise Institute en het CATO Institute. Wat ze ook hebben, is geld, veel geld. De steenrijke casinomagnaat en Israelsupporter Sheldon Adelson en industriëlen als de gebroeders Koch behoren tot hun geldschieters.

Republikeinen verdeeld

In de Republikeinse partij hebben ze nog altijd invloed. Mitt Romney en daarvoor John McCain hadden in hun campagneteams neoconservatieve adviseurs. Maar dat wil niet zeggen dat ze één gewonnen verkiezing verwijderd zijn van een comeback. Want de Republikeinen zijn verdeeld. Iemand als senator Rand Paul wint aan aanzien: hij vindt dat de VS niet langer politieagent van de wereld moeten zijn.

Toch zal het neoconservatisme niet gauw verdwijnen, omdat het geworteld is in de idealistische stroming in Amerika's buitenlandse politiek die sinds president Woodrow Wilson het verspreiden van de liberaal-democratische waarden als een belangrijke taak ziet. Het verschil was alleen dat het voor de neoconservatieven niet snel genoeg ging. Geïnspireerd door de Duits-joodse denker Leo Strauss en de Amerikaanse defensie-intellectueel Albert Wohlstetter bedachten zij daarom een actieprogramma, waarbij Amerika zijn militair-technologische suprematie moest aanwenden om de democratie een handje te helpen. Dictators en andere dreigingen zouden zonodig in preventieve oorlogen worden uitgeschakeld en weggenomen.

Het zwaard zou hier aan twee kanten snijden. De bevolkingen van de bevrijde landen kregen de door hen gewenste democratie, terwijl Amerika profiteerde van een veiliger want democratischer wereld. Neoconservatieve denkers als Robert Kagan, William Kristol en Richard Perle spraken van Amerika's benevolent hegemony, goedaardige alleenheerschappij. Niet toevallig hadden tal van de vroege neoconservatieven een verleden als trotskist - hun denkbeelden waren een voortzetting van het linkse maakbaarheidsdenken, maar dan met rechtse machtsmiddelen.

De ironie is dat de neoconservatieve ideologen vervolgens dezelfde fout maakten als veel van hun linkse voorgangers: zij trapten in de val van de hoogmoed. Net als de communisten dachten de neoconservatieven dat zij zouden worden meegevoerd op de wieken van de geschiedenis. Hadden de Oost-Europeanen niet laten zien dat mensen overal verlangen naar vrijheid? Maar Irak en het Midden-Oosten bleken geen Oost-Europa. Het standbeeld van Saddam viel net als de Muur, maar de Amerikanen werden dit keer niet toegejuicht als bevrijder, maar bestreden als bezetter. Opnieuw weigerde de realiteit zich te voegen naar de idee. Ten koste van mensenlevens.

De neoconservatieven geven toe dat er fouten zijn gemaakt. Zoals te weinig plannen en troepen voor de fase na de afzetting van Saddam. Maar er is niet veel deemoed te bespeuren op de momenten dat ze weer van zich doen spreken. Robert Kagan schreef vorig jaar een boek waarin hij alle bespiegelingen over Amerika's verval schromelijk overdreven noemde.

Wolfowitz vindt het 'onzin' dat de Amerikanen met de inval in Irak zich zouden hebben bezondigd aan een overreactie op 9/11 en de democratie een slechte naam zouden hebben bezorgd. 'Tienduizenden Arabieren wagen vandaag hun leven in Syrië en elders, niet voor Bin Ladens droom van een hemels paradijs, maar voor vrijheid en democratie', schreef hij bij de tiende verjaardag van '11 september'. Elliott Abrams, plaatsvervangend nationaal-veiligheidsadviseur onder Bush, zei toen in een interview met de Volkskrant dat hij zich moeilijk kon voorstellen dat de democratisering van Egypte, Tunesië en Libië succes had kunnen hebben als in Irak nog de alom gevreesde Saddam had gezeten.

Saddam en zijn zonen zijn dood, twee van de drie bevolkingsgroepen (sjiieten en Koerden) zijn erop vooruitgegaan, de Amerikanen zijn vertrokken, er zijn verkiezingen geweest met een hoge opkomst, het is een democratie, maar een heel wankele die ook zo weer kan veranderen in een nieuwe dictatuur.

Toch steekt Irak op dit moment gunstig af bij buurland Syrië, waar duidelijk wordt dat ook een poging tot regimewisseling die van binnenuit komt en niet van buitenaf, tot veel bloedvergieten leidt. Er klinkt zelfs weer de roep om ingrijpen. De ironie daarvan zal de neoconservatieven niet ontgaan. Hun radicale activisme mag dan in diskrediet zijn geraakt, de drang tot militair interventionisme blijkt onuitroeibaar, ook ter linkerzijde, zoals ook bleek in Libië.

Maar de meerderheid van de Amerikanen en Obama blijven afkerig van nieuwe oorlogen. Alleen Iran, en de angst dat dit land een kernwapen krijgt dat Israël bedreigt, kan dat veranderen. Op dat punt laten de neoconservatieven zich weer ouderwets gelden. Ze boden heftig verzet tegen Chuck Hagel als nieuwe minister van Defensie, omdat ze vrezen dat hij te slap zal zijn tegenover Iran en te streng voor Israël. Ze beschikten echter niet over voldoende macht om de benoeming te blokkeren.

Er is weinig animo voor het bombarderen van Iran, laat staan voor een regimewisseling in Teheran. Dit concept van de neoconservatieven maakt niet veel kans meer. De herinnering aan de tol die Tammy Duckworth en vele anderen moesten betalen voor hun poging de wereld tot Amerika's evenbeeld te maken, is nog veel te vers.

Door

undefined

Meer over