Altijd in de stutten

De Beurs van Berlage bestaat honderd jaar. Van begin af was het een monument. Het gebouw markeerde de geboorte van de moderne architectuur in Nederland....

Door Anne van Driel

De locatie was beroerd, daar begon het al mee. Op het einde van de Amsteldelta, direct tegenover open water, met iets verderop het Centraal Station, dat toen net werd aangelegd op een aangeplempt eiland - nee, de plek die in 1898 werd aangewezen voor de bouw van de Beurs van Berlage was zonder twijfel een van de slechtste in heel Amsterdam.

En dan de fundering die bouwmeester Berlage koos voor zijn zware kolos, rustend op een ondergrond van opgespoten duinzand en drassig leem. Maar liefst 4880 houten palen werden in het gedempte stuk Amstel - parallel aan het Damrak tot aan de Oudebrugsteeg - de grond in gedreven. Tot op de eerste zandlaag, zo'n tien tot dertien meter diep. Maar die zandlaag, bleek al snel, is op sommige plekken niet dikker dan een meter. Tel daarbij op dat tijdens het honderdjarig bestaan van de Beurs het geklos van de paardentram werd vervangen door het getril van de voorbijdenderende elektrische tram; de koets door zwaar vrachtverkeer, en de slotsom luidt: scheuren, verzakkingen, stenen die uit de gevel komen vallen.

De Beurs van Berlage was van meet af aan een nachtmerrie, bouwtechnisch gezien. Al een half jaar na de opening door koningin Wilhelmina, in mei 1903, vertoonde het monumentale pand met zijn rechte bakstenen gevels - alom beschouwd als het begin van de moderne architectuur in Nederland, en een must have seen voor (internationale) architectuurliefhebbers - ernstige gebreken.

Die werden van kwaad tot erger. In 1958 stond de Beurs bijkans op instorten. En ondanks herstelwerkzaamheden was in 1996 opnieuw sprake van een 'collapsing point'. Pas toen besloot Amsterdam tot rigoureuze maatregelen en tot een opdracht aan Walter Kramer, de architect die eerder de Munttoren restaureerde en de Noorderkerk redde van de ondergang.

In De Beurs van Berlage. Historie en Herstel beschrijft Kramer de bouw, aftakeling en reanimatie van Berlages meesterstuk. 'Voor allen die betrokken waren bij de restauratie', zoals de opdracht voorin het boek vermeldt - en vermoedelijk daarom besteedt Kramer meer woorden aan 'historie' dan aan 'herstel'. Beginnend in 1200, toen de eerste vissers zich aan de Amstel vestigden, en in vogelvlucht door naar de bouwexplosie aan het eind van de negentiende eeuw, toen het de stad door de aanleg van het Noordzeekanaal financieel voor de wind ging, de handel opbloeide, en steeds meer grachten werden gedempt om Amsterdam klaar te stomen als handelsstad.

Dat het H.P. Berlage werd, die in 1898 een ontwerp voor een nieuwe graan-, goederen, effecten- en schippersbeurs mocht leveren, was te danken aan de gewiekste M.W.F. Treub. De wethouder van publieke werken verleende Berlage een stilzwijgende opdracht, spoorde hem aan zijn schetsen te radicaliseren, en overdonderde de gemeenteraad ten slotte met een besteksklaar plan.

Dat plan zou nog meermalen wijzigen. Opeenvolgende schetsen tonen hoe Berlage nog tijdens de bouw aan zijn ontwerp bleef schaven, de kenmerken van de toen populaire neo-stijlen versoberde, en het gebouw stroomlijnde tot strakke bakstenen gevels, zonder vooruitspringende delen, waarvan het karakter vooral door het ritme van de vensters en de torens wordt bepaald.

Met historische (en helaas nogal grofkorrelig afgedrukte) foto's toont Kramer eveneens hoe de omgeving van de Beurs veranderde, van de 'nieuwbouw' van het negentiende-eeuwse Victoria Hotel tot de stenen puist van de C & A. Met het enthousiasme van een zondagshistoricus levert Kramer er onderschriften bij - wijst hij op de strohoedjes van destijds, of verbaast hij zich erover dat de paardentram tot 1916 op de linkerweghelft reed (om te vervolgen met een lijst van Europese steden waar dat ook in zwang was).

Berlage, stelt Kramer, was ervan overtuigd dat de Beurs zijn functie van handelscentrum zou verliezen, en een publieke ruimte zou worden, zoals de middeleeuwse Italiaanse palazzo's, waarop hij zijn ontwerp losjes baseerde. Berlage zou verheugd zijn, meent Kramer. Niet alleen omdat de Beurs nu onder meer de concertzalen van het Nederlands Philharmonisch Orkest huisvest. Maar vooral omdat het de Amsterdamse bevolking was die de Beurs uiteindelijk redde. In 1958 overwogen burgemeester Van Hall en ook toenmalig wethouder Joop den Uyl de sloop van het monument. Ze bezweken onder druk van de publieke opinie.

Hoe halfslachtig de daaropvolgende restauratie werd afgehandeld, blijkt wel uit het huzarenstuk dat Walter Kramer en zijn team van 1996 tot 2002 moesten uitvoeren. Om de Beurs voor verdere verzakking te behoeden (en om te bewerkstelligen dat het pand de toekomstige aanleg van de Noord Zuidlijn overleeft) moest de oude houten fundering worden overgenomen door 713 injectiepalen met een diepte van 24,5 meter. Ruimte voor heien was er nauwelijks, lawaai maken werd aan banden gelegd. Om de repetities en de concerten van het NedPho niet te storen, werkten de bouwlieden met 'stilteschema's'.

Kramer schrijft er liefdevol over, en zonder morren. Al zit het venijn in de staart. Op de laatste pagina verhaalt hij hoe het huwelijk van van Willem Alexander en Máxima de planning van de restauratiewerkzaamheden verstoorde. Hoe de zorgvuldigheid waarmee zijn team te werk ging in schril contrast stond met de manier waarop - ter opluistering van het festijn - banieren en vlaggenmasten aan de gevel werden bevestigd (in de bakstenen van het rijksmonument werden 278 gaten geboord).

En Kramer vertelt wat televisiekijkend Nederland níet op televisie zag: hoe burgemeester Cohen het huwelijk inzegende, met boven zijn hoofd een balustrade die vanwege de wankele toestand flink in de stutten was gezet.

Meer over