Altijd een engel

Audrey Hepburn was zowel een dame als de meest kwajongensachtige van alle grote Hollywood-actrices. En ze stopte op tijd met acteren....

In Audrey Hepburn (1929-1993) kwamen zulke tegenstrijdigheden samen. Dat is nog altijd de fascinatie van haar beste films. En zoals in het klassieke Hollywood gebruikelijk is, reflecteerden de rollen het imago dat ze buiten haar films had. Ook in het leven van de in Brussel geboren actrice van Engels-Nederlandse afkomst waren de contrasten groot. Ze was een aristocrate die de oorlogsjaren in armoede in het niet bijzonder wereldse Arnhem doorbracht, een superster die oorspronkelijk was opgeleid tot tandartsassistente.

Hepburns carri begon vlak na de oorlog. Ze werkte als model en figureerde als KLMstewardess in Nederlands in 7 lessen van Charles Huguenot van der Linden. Rollen in kleine Britse films volgden. Toen ze voor de opnames van een van die producties in Monte Carlo was, werd ze in een hotellobby gezien door de schrijfster Colette, die op zoek was naar een actrice voor de Broadway-versie van haar boek Gigi. Hepburn speelde met succes een half jaar in het stuk, en werd direct door MGM gekozen voor de film die haar doorbraak zou worden, Roman Holiday uit 1953 van William Wyler.

Hoewel Hepburn aan de filmversie van Gigi uit 1958 niet wilde meedoen, kan het personage van Colette toch als de rol worden gezien die haar filmoptredens definieerde. Gigi is een Parisienne, en de associatie tussen de actrice en Parijs kenmerkt Hepburns films.

Sabrina uit 1954, Funny Face uit 1957, Charade uit 1963, Paris - When it Sizzles uit 1964. Steeds opnieuw brachten films haar naar de stad. Gigi is een opstandig meisje dat wordt klaargestoomd voor een society-leven, een traject dat in Hepburns films ook terugkeert. Maar vooral: Gigi is jong en valt voor een aanzienlijk oudere man.

De leeftijdsverschillen tussen Hepburn en haar tegenspelers in romantische films zijn opvallend. Cary Grant, die haar verleidt in Charade, was vijfentwintig jaar ouder. Gary Cooper, op wie ze verliefd is in Love in the Afternoon, achtentwintig jaar. Tussen haar en Fred Astaire, in Funny Face, en Humphrey Bogart, in Sabrina, was het verschil dertig jaar. En het werd verder benadrukt omdat Hepburn er lange tijd veel jonger uitzag dan ze was; ze leek tot ver in de jaren vijftig een tiener.

Maar wel een tiener die alle hindernissen kan overwinnen. Haar veranderlijke, levenslustige personages overbruggen generatiekloven net zo makkelijk als de verschillen tussen Europeanen en Amerikanen, of tussen rijk en arm. Daar om gaat het in Audrey Hepburns rollen. Met haar grote bruine ogen en een opvallend dunne nek, is ze de engelachtige verschijning die alle tegenstellingen laat verdwijnen.

De klasseverschillen in Sabrina, over een chauffeursdochter die voor de werkgever van haar vader valt, worden genegeerd. Cultuurbotsingen worden ontstegen in Funny Face, waarin ze als pretentieuze filosofiestudente in een mannequin verandert. Wanneer Hepburn haar tegenspelers in die films kust, is dat niet zozeer een romantische, en zeker geen erotische gebeurtenis. Het is eerder een symbolisch moment: nu zijn alle problemen overwonnen. Jeugdige spontaniteit liet alles goed komen.

Breakfast at Tiffany's uit 1961, naar een novelle van Truman Capote, gebruikte haar imago en haar persoonlijkheid op een zelfde manier. Het oorspronkelijke verhaal over de jonge New Yorkse Holly Golightly, die zich laat onderhouden door gefortuneerde mannen en ondertussen op zoek blijft naar nog rijkere minnaars, was te amoreel voor een Amerikaanse verfilming. Alleen al door Hepburn te casten, verandert de toon. Ze was te sympathiek om een berekenende goudzoekster te zijn. Wat in het script misschien op seksuele manipulatie leek, was bij haar slechts onnadenkende ondeugendheid.

In 1967, na de thriller Wait Until Dark, besloot Hepburn te stoppen met acteren - net op het goede moment om het ideaalbeeld dat van haar was ontstaan in stand te houden. Wellicht realiseerde ze zich dat ze de jeugdige onschuld waarom het in haar films altijd ging niet altijd kon blijven spelen; in de misdaadfilm Charade begonnen haar verbaasd knipperende ogen wat op een maniertje te lijken. Ze trok zich terug in Zwitserland, bleef een toonbeeld van goede smaak, en als ambassadeur voor Unicef omringde ze zich met kinderen.

In de late jaren zeventig en tachtig verscheen ze sporadisch weer in films, die echter zelden de kwaliteit van haar eerdere werk hadden. Tot Steven Spielberg met Always uit 1988 herontdekte wat de filmmakers uit de jaren vijftig in haar zagen. In die film ontploft het vliegtuig van piloot Richard Dreyfuss. Hij dwaalt daarop verward rond door een afgebrand boslandschap, waar hij de in een eenvoudig wit kostuum geklede Hepburn ontmoet, die hem een stoel aanbiedt en zijn haar begint te knippen.

Een gesprek ontwikkelt zich, voorzichtig komen ze ter zake. Dreyfuss wil het weten. Is hij dood? Zij bevestigt het, maar met zo'n begripvolle glimlach, zo'n geruststellend hoofdknikje dat het slechte nieuws niet hard aankomt. De beweeglijkheid, de veranderlijkheid van vroeger zijn verdwenen, de warmte en de elegantie bleven. Spielberg maakte expliciet wat door eerdere filmregisseurs alleen werd gesuggereerd: Audrey Hepburn speelde eigenlijk altijd al een engel.

Meer over