Alsmaar dat temmen van de dood 'Ik kan het gewoon niet, mezelf verkopen'

In Japan kreeg hij een schok. In Parijs overwon hij de drank. Nooit eerder was kunst van Mark Brusse op drie plaatsen tegelijk in Nederland te zien: De Beyerd, Breda (tot 28-3), galerie Ramakers, Den Haag (tot 14-3) en Espace, Amsterdam (tot 4-4)....

'MOEDER was zwanger en we gingen op de vlucht in een zee van vonken. Nijmegen stond in brand, na het bombardement. De straten waren overstroomd, water spoot uit kapotte buizen omhoog. Moeders hoofd was omgeven door een aureool van vuur. Wij kinderen probeerden die vonken in d'r haar te doven, terwijl ze de kinderwagen voortduwde. Daar lag een van mijn zusjes in, met wat spulletjes. Zoals ook dit heiligenbeeldje, kijk: Sainte Anne, van Bretons aardewerk.

'Er is een scherpere herinnering: ik zie een vrouw een brandende straat oversteken. Totaal hysterisch. Haar kousen zijn afgezakt. Die kousen hangen op haar schoenen. Dát klopt niet, dacht ik. Hier is iets verschrikkelijks aan de hand. Want zó zou die vrouw er normaal toch nooit bij lopen? Kijk, dat ene oorlogsbeeld heeft mij gevormd, gemaakt tot wat ik ben. Hoe ik naar dingen kijk. Zó ben ik blijven kijken, m'n leven lang: me vastbijtend in details, rare dingen die niet kloppen.'

Mark Brusse, even over uit zijn woonplaats Parijs: 'Bij mijn voorlaatste expositie in Amsterdam leek het of ik niet meer bestond. Alsof ik even uit de tijd was weggegumd, want het liep helaas niet zo goed. Tezelfdertijd had moeder een expositie in het dorp Ankeveen. En meteen raak! Moeder is pas op latere leeftijd gaan schilderen en ze heeft die eerste keer al heel veel schilderijen verkocht. Ja, zij wel. Maar dat heeft moeder niet durven vertellen aan mij hè, haar zoon. De beroemde schilder-beeldhouwer. Ha'

Zijn lach bevriest in de spiegeling van de vitrine waar dat heiligenbeeldje uit de kinderwagen van 1944 staat, omringd door nog veel meer religiosa - in het huis van zijn moeder. De lach van Mark Brusse heeft bijna wat verontschuldigends; vooral wanneer hij in museum De Beyerd in Breda een paar van zijn objecten aanwijst die door hun vrouwelijke vormen als vulva kunnen worden herkend. Maar een vagina waar een boom uit groeit, is niet zomaar een vagina waar een boom uit groeit. 'De voortgang der dingen, hè, dat houdt me bezig.'

Zijn Japanse vrouw Nobuko vindt het wonderlijk dat maar weinigen de erotiek in Brusse's werk lijken op te merken. 'Ik zie het zelf ook niet als erotiek. Ik zie het meer als een oervorm, weet je. Zet ik een ronde steen met een gleuf op een sokkeltje met wat gewas er omheen plus een trapje dat er naartoe leidt, dan is dat misschien interessant voor een psycho-analyticus, maar ik bedoel vooral: hier komt het allemaal vandaan. Van moeder aarde. Dit is oer.'

WIJ MOETEN vooral niet vergeten dat lang voordat de eerste mens voet zette op de maan, er al apen rondliepen op aarde; dát is zijn credo. De aap verdient onze sympathie. Brusse's geliefde zou dan ook in een harig (namaak)apenvel haar opwachting maken op de opening van zijn expositie. 'Een enorme hommage', zegt de kunstenaar die als metafoor voor zichzelf immers liever een aap of een schildpad schildert dan zijn eigen tronie. Brusse's apen staren naar een mensenschedel, of houden menselijke hersenen in hun handen. De serie noemde hij About Hamlet's question.

Als variant op dat onvermijdelijke to be or not to be hing vroeger op zijn jongenskamertje een papier met een regel die hij vergroot van Simon Vinkenoog had overgeschreven: Misschien wordt het morgen niet eens meer dag. 'Ga daar maar eens aan staan. Vond ik prachtig. Mijn moeder zei: Jézus jongen, waarom hangt daar zoiets raars?'

'Op school had ik nauwelijks interesse in dingen. Een vreselijk zware periode. Soms trok ik mijn jas aan om naar school te gaan. ''Waar ga je heen?'', vroeg mijn broertje Peter. ''Weet je niet dat het vakantie is?'' O, zei ik dan. En sjokte weer terug. Het was bijna pathologisch. Ik was een moeilijk kind, denk ik. Opvliegerig. Gefrustreerd vooral. Ik zat mijn tijd te verdoen met klootzakken op het Canisius College. Ik zonderde me af. Met een paar vrienden kwamen we bij elkaar om poëzie te lezen. Sartre ook, waar je als 16-jarige niet alles van begreep. Wam de Moor zat erbij, en een jongen die later zelfmoord heeft gepleegd. Veel Weltschmerz, dat kun je wel zeggen.

'Die zondagmiddagen waren het ergst. Als je op straat liep, hoorde je overal, bijna huis aan huis, de radio toeteren met sportverslagen. Van die hysterische reporters waar we thuis ook naar luisterden. Verschrikkelijk vond ik dat. Ik kreeg allerlei lichamelijke klachten. Last van m'n rug, slecht zien. Die klachten verdwenen toen ik naar de kunstacademie in Arnhem mocht. Daar ontmoette ik Jan Cremer en Klaas Gubbels. Daar was Rik van Bentum die al een heel verleden had en Frankrijk niet in mocht wegens joyriding. Dat milieu trok me erg aan.'

In Parijs, waar het allemaal gebeurde, woonde zijn halfbroer en AVRO-correspondent Jan Brusse, die in Nederland bekendheid genoot door zijn radiorubriek Paris vous parle. Mark ging, 23 jaar oud, ook naar Parijs, maar vermeed contact met zijn broer. 'Ik wilde geen opstapje, geen kruiwagen. Als kind had ik zwaar op mijn broer Peter geleund. Nu wilde ik het zelf doen. Ik had een beurs.'

Kamertjes waar het naar dooie ratten rook. Waar duiven van de huisbaas een uitstekend alternatief bleken voor kip met kerrie en die duiven scheten trouwens toch maar alles onder. Geen nagel om z'n gat te krabben, dus was het aanlokkelijk om melk te jatten uit een rek, maar dat rek stond toevallig wel naast een politiebureau in Quartier Latin. Het leven van een bohémien in Parijs kan soms door een verblijf in de gevangenis worden onderbroken. Mark Brusse schreef erover, over die pure overlevingsstrijd, rijkelijk begoten met goedkope wijn. Hij was kunstenaar. En in trek bij vrouwen, van Berlijn tot New York.

Maar of dat alsjeblieft niet te veel accent krijgt, klinkt het later bekommerd door de telefoon. Please. Hij is nu een ander mens, weet je. Hij drinkt al jaren geen druppel meer en ze zijn al zo lang verleden tijd: Marthe, Berthe, Suzan, Elisabeth, Marianne, Denise, Biche, Marina, Sally, Ruthie, Betsy, Kathy, plus nog wat dames van lichte zeden, onder wie een zwangere Puertoricaanse die bij 8th Avenue een kamer had met een stinkende petroleumkachel en een slapend kind.

Hoe jong was de kunstenaar niet toen hij klungelend met een strooibus tegen schaamluizen de Amerikaans-Mexicaanse grens per Greyhound passeerde? Dat hij met een schroevendraaier op zak bij de Martha Jackson Gallery in New York binnenstapte om een paar van zijn beelden in elkaar te zetten en daar drie secretaresses overdonderde met een apodictisch 'I'm here to screw'?

De jeune artiste die in het schelmenboek Paris Saloon noteerde: Je kent Parijs niet als je geen echte Parisienne geneukt hebt en hoe raar en overdreven dat ook mag klinken, er zit echt wat in en verder is zo'n verhouding natuurlijk goed voor mijn Frans ('die is trouwens van Jan Cremer').

'Beertje Brussels' was zijn naam in brasserie La Coupole waar hij met schilder Paul de Lussanet en tekenaarsduo Bernard Holtrop - Willem van Malsen schaterend het betere dorpsnieuws uit Nederland citeerde. Maar pas op: een Parijse bar met sponzige rondingen bleek in werkelijkheid uit hard hout, omvallende krukken en een scherpe rand te bestaan, zoals ook de joviale vriendelijkheid van Mark Brusse voor zijn betere vrienden vol valkuilen bleek te zitten, naar de toenmalige Volkskrant-correspondent (wijlen) Bob Groen vaststelde.

Het grappige is, zegt Brusse, dat de Franse kunstcriticus Pierre Restany óók over die valkuilen schrijft (in het boek Mark Brusse, uitgave De Beyerd, Breda / SUN, Nijmegen). 'Restany denkt dat ik een val opstel voor mensen die naar mijn werk kijken. En dat ik er weinig waarde aan hecht of ze er achter komen wat ik bedoel. Misschien weet ik het zelf ook niet precies. Soms ben ik bang om naar de opening van een eigen expositie te gaan. Zie ik die vrolijk-intuïtief gemaakte dingen bij elkaar, dan denk ik dat ik voor de buitenwereld volkomen in m'n blote reet sta.'

Zoals die keer dat Brusse met reageerbuizen van de vlooienmarkt z'n serie The private clinic maakte en er daarna zelf in terecht kwam, in de kliniek dan. Vanwege de drank. In het museum wijst hij naar een stoeltje van hout dat zeer scheef staat. Bewust zeer scheef. Titel: Mal à l'aise, ofwel: Niet op mijn gemak. 'Dat ding is gekocht door een filmproducent die het naast zijn bed heeft staan. Die man vindt het heerlijk. Hij zegt: jouw stoeltje is het eerste dat ik zie als ik wakker word. Het maakt m'n dag goed. Dan kan ik er weer helemaal tegenaan.'

IN MONTPARNASSE vond Brusse een zolder naast het kerkhof, vol oud hout. Hij ging ermee aan de slag, zoals met alles wat hij op straat vond. Door puur toeval kreeg hij aandacht van Raymond Hains, een cultidool voor jonge kunstenaars, les nouveaux realistes. 'Zo kreeg ik mijn eerste expositie. Maar verkopen deed ik niks. Het was een schizofreen leven: via de Biënnale van Parijs naar een cocktail bij de Rothschilds, terwijl ik op een rotkamertje woonde.

'Maar de vrienden waren er net zo aan toe. Het wildebeestenspul at 's avonds voor een prik bij Maurice, een ouwe Tunesiër. Voordat je naar huis ging, zei Maurice: kom even mee naar de keuken. Dan stopte hij een halve kip in je tas. Had ik een expositie, dan hielp hij mij met z'n karretje de zaak te vervoeren. Want een huurauto kon ik niet betalen. Als zo'n expositie voorbij was, kon hij het niet nog eens ophalen. Zo ben ik veel onverkochte spullen kwijtgeraakt.

'Ik zat in mijn kamertje van Hotel Beau Séjour aan de Place de la Contrescarpe en ik wist het niet meer. Ik moest de huur betalen en had geen geld. Ik zette een jazzplaatje op en maakte een lekker kopje koffie. Ik pak m'n kom, gooi er suiker in en proef. Had ik zout gedaan in m'n laatste koffie. Dat was wel het allereenzaamste moment, geloof ik.

'Je was met overleven bezig. De Algerijnse oorlog, les blousons noirs en de mei-revolte van '68 gingen een beetje langs je heen. Je was zelf een randfiguur.' Want platzak. Maar goodlooking. Tegen royale vergoeding had Mark Brusse zich eens in het Fiatje van een gewezen koperblazer van het Cirque d'Hiver teruggetrokken, om op verzoek in diens open mond te spuwen. Want dan kwam de man aan zijn gerief.

De koperblazer rook niet lekker, 's mans gulp was wit uitgeslagen en na zoveel jaar is Mark Brusse nog met schaamte vervuld. 'Dat was werkelijk weerzinwekkend. Je doet zoiets inderdaad in een vlaag van jeugdige overmoed en je denkt: die honderd franc is gauw verdiend! Vervolgens wil je bijna constant onder de douche staan om zo'n herinnering kwijt te raken. Nee, dieper ben ik nooit gezonken. Toen ging ik maar bordenwassen in een Indonesisch restaurant.'

De redding kwam van acteur Jean Claude de Feugas, die voor een riant bedrag werk van de jonge Nederlander aankocht. Een keerpunt. Brusse liep weg met Spoerri, raakte dik bevriend met Topor, maakte zelf school en schokte zijn galeriehouder door totaal onverwacht zijn vertrek naar Amerika aan te kondigen. 'Mensen zeiden: wat zoek je in godsnaam in dat a-culturele land? Zoiets doe je niet'

Carrière-technisch een stomme beslissing, maar het aanbod via Cees Nooteboom was te verleidelijk. Zonder vrouw maar mét beurs kwam Brusse in 'een waanzinnig stimulerend' New York terecht. Zijn werk werd strakker en feller van kleur. Bij Max's Kansas City ontmoette hij Andy Warhol en in Andy's Factory kon je blowen op de divan of tot de volgende morgen in slaap vallen met je geliefde zonder dat iemand er iets van zei. 'Alles kon. Als Andy met z'n witte kuif ergens kwam waar black tie verplicht was, dan droeg hij onder zijn smokingjasje een heel beroerde jeans en toch had hij een waanzinnige presence.

'Warhol had eens acht uur lang een camera gezet op een slapende jongen en toen hem voor de tv daarover iets gevraagd werd, zei hij alleen maar yes, mmm, yes en zweeg vervolgens minutenlang. Ik vind dat geniaal. Wat moest hij anders over zijn film Sleep zeggen? Andy was feest. In New York tipten mensen elkaar: daar is een feest. Er werd ontzettend veel gezopen, ook door mij.' Eens wilde Jan Cremer niet mee om een kater weg te drinken. Want: Mark zou de avond tevoren de hotelbar kort en klein hebben geslagen.

DE BAR bleek inderdaad een puinhoop en met doodsbleek gezicht trok Mark Brusse zijn portefeuille. Maar hij hoefde slechts 87 dollar te betalen (de lopende rekening) en begreep er niets meer van. Totdat hij Cremer achter de deur hoorde gillen van het lachen. Vijf minuten nadat Brusse de bar die avond tevoren had verlaten, zei Cremer, had er een veldslag tussen Puertoricanen gewoed. Het staat in Brusse's prachtboek Ik zit hier alweer langer dan ik dacht (1974). Maar schrijven is er niet meer van gekomen.

In Parijs moest hij opnieuw naar de gunsten van galeriehouders dingen. 'Men nam het mij kwalijk dat ik naar Amerika was vertrokken op het moment dat mijn werk net lekker begon te verkopen.' Toch zag de Parijse galerie Riedel in Brusse een nieuwe Mondriaan. Een Mondriaan met humor die zulke leuke dingen met klompen deed; die klompen van marmer voor Schiphol zou maken. Maar de grote doorbraak van Mark Brusse is tot dusver uitgebleven. Kwestie van slechte pr?

'Aan public relations doe ik niet', zegt hij afgemeten. 'Niet dat ik er op neerkijk, maar ik kan het gewoon niet, mezelf verkopen. Soms denk ik: godverdomme, waarom zit ik niet bij belangrijke manifestaties? Ligt aan mezelf. Ik ben niet zakelijk. Ik zou niet weten wie ik zou moeten benaderen. Ik werk liever, ook op zaterdag en zondag, dan te lunchen met lui van ministeries. Ik geloof dat ik dan geen nacht zou slapen. Als ik werk ben ik happy. Maar soms denk ik: het zit wel een beetje onrechtvaardig in elkaar.'

Dat intimi hem als een kluizenaar zien, begrijpt hij. 'Maar ik sluit mezelf niet af. Ik reis veel, vorig jaar nog door Ecuador. Reizen houdt je alert. Toen ik voor de eerste keer op het platteland van Japan in totaal isolement zat, deed ik een grote ontdekking. In het landschap stond een bouwseltje met een grote kei erop en je denkt: Jézus, wat zullen we nou krijgen? Dat heb ik gemaakt, dat ding! Maar die verbazing verdween. Als je dicht bij je eigen intuïtie blijft, zul je aan dingen raken die altijd bestaan hebben.

'Denk niet dat ik zweverig ben geworden, maar het idee van het animisme spreekt me aan. Dat je onderdeel bent van een groter geheel. In Korea en Japan had ik het gevoel: ik ben alsmaar bezig met het temmen van de dood. Het gebruik van schedels in mijn werk is niet iets lugubers. In Korea zag ik mensen dansen op de grond waar net iemand in begraven was. Ik verbaasde me over dat feestje maar een vriend zei: die man was oud, zijn vrouw was al dood en zijn kinderen zijn getrouwd, de cirkel is rond. Dat is wat ik met mijn werk aangeef: dat er na je dood een soort recycling is.'

IN PARIJS bewoonde Brusse het ateliercomplex La Ruche bij Montparnasse (Zadkine en Modigliani woonden er ooit) en toen de schatrijke Japanse galeriehouder Yoshii deze bijenkorf in Japan nabouwde, mocht Brusse de inwijding verrichten. In Seoul construeerde Brusse een monument ter gelegenheid van de Olympische Spelen, hij goot er gedroogde vissen in brons en belde vlak voor terugkeer naar Parijs de Japanse tekenares die hij in Tokio had ontmoet. Of ze mee wilde. Of ze een paspoort had. 'Ze zei: ''Ja, sinds gisteren.'' Ik vroeg: Maar als ik je nou niet had opgebeld? Zegt ze: ''Dan had je dat een jaar later misschien wel gedaan.''

'Nobuko heeft geen heimwee naar Japan. Ze voelt zich daar absoluut niet thuis. Haar ouders hebben geprobeerd haar uit te huwelijken, maar hebben er nu vrede mee. Dit is mijn derde huwelijk. Kinderen willen we niet, ze heeft godzijdank geen moederinstinct. En ik kan beter een leuke oom zijn dan een slechte vader, zeg ik altijd. Nobuko is twintig jaar jonger dan ik. Ze geeft me de rust die ik door alcohol nooit heb gekregen. En dan te bedenken dat ik in mijn vorige huwelijk bij het opstaan al witte wijn dronk. Jarenlang. Tak-tak-tak, dat was rampzalig. Godzijdank ben ik toen ziek geworden.

'Het was de grote verloedering. Na twee jaar Berlijn had ik geen cent. Nu is het soms nog een zorgelijk bestaan, maar ik ben bij vlagen een gelukkig mens. Ik heb mijn vrijheid. Ik voel me gereinigd. Ik zeg het Francis Bacon na: ik ben een optimist, al is er geen greintje reden voor. We leven in de eeuw van de communicatie, maar ze kunnen de pot op met hun hele communicatie. Heeft die een einde gemaakt aan het hongerprobleem? Sla eens een krant open: drie, vier pagina's vol annonces van mensen die een partner zoeken. Die absurditeit choqueert me steeds weer.'

Trots vervult de kunstenaar als een schoonmaakster het lijstwerk van zijn schilderijen op Koreaans moerbeiboompapier (hanji) poetst onder de uitroep: 'Voor mij is het helemaal niet vreemd wat u maakt, het is vertrouwd.' En gêne vervult de kunstenaar omdat een belangrijk schilderij, in bruikleen afgestaan door zijn vriend en NOS-nieuwslezer Philip Freriks, vergeefs uit Parijs naar Breda is getransporteerd; 'dat domineerde te veel, vonden ze hier in het museum. Terecht'.

Wie een afbeelding ervan wil zien, moet naar de Schillerbar aan het Amsterdamse Rembrandtplein. Zoals Corneille op dassen en balpennen staat, staat Brusse sinds kort met een paar anderen op een bierviltje. Heel bescheiden. Hij is zich er op zijn 61ste van bewust dat dit geen opmerkelijke stap voorwaarts is richting Zwitserlevengevoel, waarmee zijn halfbroer Kees de acteur jaren reclame maakte.

Ook verkoopt Mark Brusse niet aan de lopende band schilderijen van gemiddeld 12 mille per stuk ('daarvan krijgt de galeriehouder de helft en van wat er overblijft, gaat nog eens de helft naar de belasting'), 'was het maar wáár'. En pensioenvoorziening dan, straks? AOW?

Van verbazing laat de kunstenaar bijna zijn sigaret vallen. Frankrijk heeft een minuscuul uitkerinkje in petto, weet hij. 'En in Nederland zeiden ze: er is wel degelijk iets voor u. Daar kunt u met uw vrouw één keer per maand in een bescheiden restaurant van gaan eten.' Met grote ogen vol spot: 'Dus ik hoef niet te verhongeren.

'Cesar Domela Nieuwenhuis, de zoon ván, was mijn buurman in Parijs. Hij heeft het jaren volgehouden om u tegen mij te zeggen. Op zijn 90ste - hij bleef maar doorwerken - vroeg hij me of ik af en toe voor hem wat gaatjes kon boren in plexiglas, en toen mocht ik Cees zeggen. Deze wonderlijke man sprak ooit de gevleugelde woorden: ''Meneer Brusse, we hebben een mooi métier, maar u moet wel bedenken dat de eerste 65 jaar wel eens een beetje moeilijk kunnen zijn''.'

Meer over