GeneratiegesprekJoyce Sylvester en Margo Sylvester-Boerleider

‘Als je wilt dat er iets verandert, moet je meedoen’ zegt Joyce Sylvester in een interview met haar moeder Margo (75)

Joyce Sylvester (55) en haar moeder Margo (75) waren op hun werk vaak de eerste ‘met een kleurtje’. Margo als verpleegkundige in de jaren zestig, dochter Joyce als vrouwelijke burgemeester. En elke keer weer moesten ze extra hun best doen. ‘Het is niet in de haak mam, harder te moeten werken dan een ander.’

Joyce Sylvester met haar moeder Margo in haar tuin in het Gooi. Beeld Ivo van der Bent
Joyce Sylvester met haar moeder Margo in haar tuin in het Gooi.Beeld Ivo van der Bent

Bij het maken van de afspraak voor het interview had Joyce Sylvester (55) het al snel over een van de belangrijkste momenten van dit jaar gehad, voor haar en haar moeder: de inauguratie van Joe Biden en Kamala Harris als president en vicepresident van de Verenigde Staten. En nu hier, op het terras in de tuin van haar dochter, omzoomd door hoge sparren, de paarse hortensia’s in volle bloei, zegt ook Margo Sylvester-Boerleider (75) het: dat was ‘van binnen huilen’.

Ze zaten niet samen te kijken, maar hielden hun telefoon binnen handbereik om elkaar meteen te kunnen bellen.

Joyce: ‘Het meest ontroerd was ik toen Amanda Gorman het woord nam. Zo’n jonge vrouw, die zulke mooie en belangrijke woorden sprak. Ik dacht: daar staat een generatie die het stokje overneemt.’

En toen belde je je moeder?

Joyce: ‘Zij belde mij.’

Margo: ‘Ik was emotioneel. Ik zag in een flits mijn hele voorgeschiedenis: mijn grootmoeder, mijn moeder, ik die op 17-jarige leeftijd vanuit Suriname hiernaartoe kwam, vier kinderen op de wereld zette. Altijd druk bezig geweest en gedacht: redden we het, krijgen we de eindjes aan elkaar geknoopt? En dan hoor je die woorden, van iemand die mijn kleindochter had kunnen zijn…’

Joyce: ‘… en besef je: alle moeite, inzet, alle verdriet zijn dus niet voor niets geweest.’

Was er een fragment dat jullie in het bijzonder raakte?

Joyce: ‘Vlak voordat mijn boek uitkwam heb ik een filmpje ingesproken dat eindigde met de zin: de geschiedenis die wij achter ons laten, en de toekomst die wij samen tegemoet gaan. Toeval of niet, soortgelijke woorden gebruikte Gorman ook. Voor mij is dat de crux. We mogen terugkijken en leren van onze geschiedenis, maar we moeten, en ik gebruik echt dat woord moeten, we moeten samen verder.’

We zitten op het terras in de tuin van Joyce in een bosrijke omgeving in ’t Gooi, aan zo’n weg met hoge bomen waarachter de gazons door tuinmannen worden gemaaid. Dit voorjaar verscheen haar autobiografie, Bent ú de burgemeester? Het boek leest als een ode aan haar voorouders en ouders, in de jaren zestig als adolescenten naar Amsterdam gekomen. Vader was ambtenaar bij de sociale dienst, moeder huismeester van de Amsterdamse burgemeesters Ed van Thijn en Schelto Patijn.

Het boek leest als een roadtrip langs de vele bestuurlijke functies die ze uitoefende, vaak als eerste zwarte vrouw. Ze werkte bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat en als beleidsmedewerker bij de gemeente Amsterdam. Ze promoveerde op verzelfstandiging en privatisering van overheidsinstellingen en stapte over naar het bedrijfsleven, als adviseur bij TwynstraGudde. Daarna volgde de Eerste Kamer en tweemaal een waarnemend burgemeesterschap.

Bent ú de burgemeester? is ook het verhaal van een vrouw die gedurende haar leven te maken krijgt met mensen die bij de eerste ontmoeting zeggen: wat leuk, we hebben iets gemeenschappelijks, mijn voorouders hadden plantages in Suriname. Of die op een drukbezochte receptie in het stadhuis in Naarden, waar ze met ambtsketen om stond te ontvangen, niet kon geloven dat zij, een zwarte vrouw, de burgemeester was.

‘Racisme? Ik heb het liever over verwondering’, zal ze daar deze middag over zeggen. Maar dat komt later.

Zeven jaar geleden werd ze door de uitgeverij benaderd of ze haar verhaal wilde opschrijven. Welk verhaal, dacht ze, wat heb ik te melden, en voor wie is het interessant? Maar toen overleed haar vader en kreeg ze allerlei familiestukken, waaronder een geboorteakte van zijn opa Alexander Silas, in bezit. ‘Hij was de eerste die na de afschaffing van de slavernij, en na de tien jaar verplichte tewerkstelling die daarop volgde, op de plantage Belladrum in Coronie was geboren. Vrij. Toen viel het kwartje: ik wil die hele doorgaande lijn laten zien, van waar we vandaan komen naar waar ik nu ben. Om ook een voorbeeld te zijn voor een nieuwe generatie: waar je wieg ook heeft gestaan, wees trots.’

Op tafel ligt het boek. Er zitten foto’s in. Op een daarvan staat Albertina, de grootmoeder van Margo. De spil van de familie, noemt zij haar.

Margo: ‘De baas, kun je ook zeggen. Streng, maar rechtvaardig. Een onafhankelijke vrouw, zoals bijna alle Surinaamse vrouwen. Maar daar had je toen nog geen naam voor, dat was ver voor de Dolle Mina’s. Ze heeft altijd gewerkt, naast haar huishouden met zeven kinderen. Ze liep kilometers door de straten van Paramaribo naar de Surinamerivier, om een korjaaltje (een boomstamkano, red.) te pakken. Aan de overkant, in Commewijne, deed ze het huishouden bij mensen.’

Haar grootmoeder, zegt Margo, kon amper lezen en schrijven. ‘Maar ze hing aan mijn lippen als ik een boek uit de bibliotheek haalde. Zij is ook degene geweest die me heeft gestimuleerd om naar Nederland te gaan.’

Met welke droom kwam u in 1963 naar Nederland, als 17-jarige?

‘Ik wilde me verder ontwikkelen. Mijn grootmoeder had in Suriname een advertentie gezien waarin een opleiding tot leerling-verpleegkundige in Nederland werd aangeboden. Dus daar kwam ik aan, in Delft, in een psychiatrisch ziekenhuis.’

De eerste indruk: ‘Alles was grauw en grijs. Iedereen ging in het zwart gekleed, de mensen kwamen gesloten en teruggetrokken over. Voor een jong meisje is dat best vreemd, om ineens de drukte van Suriname kwijt te zijn. En ik was in het ziekenhuis ook nog de enige met een kleurtje. Als ik ’s ochtends aan het ontbijt zat, keken mijn collega’s me aan en je kon zien dat ze dachten: ze eet met vork en mes. Die verbazing: ze kán het.’

Joyce: ‘Terwijl Suriname al driehonderd jaar een kolonie was. Dat begrijp ik dus niet. Hoe kan het dat de mensen in Suriname wel wisten dat de Rijn bij Lobith Nederland instroomde, maar dat Nederlanders helemaal niks wisten van Suriname. Dat is toch raar?’

In de autobiografie beschrijft Joyce Sylvester hoe haar moeder begin jaren zeventig, al aangenomen als datatypiste bij een Amsterdamse drukkerij, op haar eerste werkdag te horen krijgt dat haar baan is vergeven. ‘Ik zou me op een maandagochtend melden’, zegt Margo. ‘Helemaal opgepoetst en opgedoft, de eerste indruk moet de beste zijn. Ik werd meegenomen naar personeelszaken en daar kreeg ik te horen dat de vacature al vervuld was. Ik werd er hartstikke duizelig van. Of ik nog een kopje koffie wilde? Ik had andere woorden willen gebruiken, maar ik heb keurig bedankt. En ik ben trots als een pauw die tent, en ik noem het bewust die tent, uitgewandeld en naar huis gegaan. Daar heb ik meteen de telefoon gepakt en Radio Stad gebeld. Alle gif dat in me zat, heb ik uitgesproken.’

Hoe werd daarop gereageerd?

‘Ik werd gebeld, vooral door Surinaamse mensen die zeiden: dat is mij ook overkomen. En dan antwoordde ik: je moet je mond opendoen, zodat iedereen weet hoe we in deze stad met elkaar leven.’

Vertelden jullie de kinderen over jullie eigen ervaringen met discriminatie?

Margo: ‘Toen ze klein waren niet, natuurlijk. Dan zeg je: het is allemaal móói hier. Want je moet hun brein fris en fit houden. Maar op een gegeven moment kun je het niet meer weghouden.’

Voetbalclub Real Sranang, halverwege de jaren zeventig. Vader Cecil zit in het bestuur en trekt op zaterdag de krijtlijnen op het veld. Moeder Margo helpt in de kantine. Op een zondag staat het eerste team op het veld. Ze staan op winst als er vanuit het publiek bananen het veld op worden gegooid. Iemand roept: ‘Nikkertjes, rot op naar jullie apenland.’

Joyce en haar vader staan langs de kant te kijken. Hij voorkomt dat de ruzie uit de hand loopt, zegt tegen de spelers die willen vechten dat dat niet de manier is. Dat ze gewoon nog meer doelpunten moeten maken.

Joyce: ‘Daar leerde mijn vader me een les die ik nooit ben vergeten: laat je niet uit de tent lokken. Blijf bij jezelf. Vaar je eigen koers.’

Een paar jaar later, Joyce zit in de zesde klas van de lagere school. Met een Cito-toetsscore die hoog genoeg is voor het vwo, krijgt ze het advies om naar de huishoudschool te gaan.

Haar moeder zag haar veranderen, zegt ze: ‘Ze werd boos, ging vechten op school. Joyce is een fijne dochter, altijd geweest. Altijd in de buurt, altijd met ons in huis. En dan zie je je kind somberder en somberder worden. We hebben haar bij ons geroepen: wat wil je nou? Zo ben je toch geen goed voorbeeld voor je jongere zussen?’ Mijn man heeft het uiteindelijk voor elkaar gekregen dat ze toch naar het vwo kon.’

Joyce, in je boek beschrijf je dit als het moment waarop je voor het eerst besefte: ik word niet beoordeeld op wat ik kan, ik zal altijd heel hard moeten werken om me te bewijzen.

Margo: ‘Hard werken is niet erg. Daar krijg je een rechte rug van.’

Joyce: ‘Maar het is niet in de haak, mam, dat je harder moet werken dan een ander.’

In het programma Buitenhof noemde je deze ervaring traumatiserend. Wat bedoel je daarmee?

‘Ik ben daardoor in een vechtmodus gekomen. In mijn hoofd is gaan zitten dat het leven een strijd is. Er zijn tientallen jaren overheen gegaan om dat van mijn harde schijf te krijgen. Het is nog niet zo lang geleden dat ik achterom keek en dacht: ik heb twee studies gedaan, ben gepromoveerd, heb mooie banen gehad, ik krijg respect en waardering – nu mag het wel een tandje minder.’

Had je minder hard hoeven werken van jezelf als je meteen het vertrouwen had gekregen?

‘Dat denk ik wel. Hoewel er na verloop van tijd ook een bewustzijn in sloop: als ik mijn werk niet goed doe, sluiten de deuren voor misschien wel een hele generatie vrouwen die er zo uitzien als ik. Daarom geef ik me voor 300 procent. Ik wil niet dat er gezegd wordt: ‘Zie je wel, ‘ze’ kunnen het niet.’

Margo: ‘Dat ambitieuze is ook de aard van het beestje. Joyce is niet af te remmen. Die wil altijd door.’

Ik sprak Edwin Lieveld, die jullie kent van Real Sranang, en die zei: die drive heeft Joyce van haar moeder.

‘O jee’, zegt Margo. ‘Nou ja, hij zegt het.’

Halverwege de jaren tachtig wordt Margo huismeester van de Amsterdamse burgemeester Ed van Thijn. Daar, aan de Herengracht 502, is zij degene die het reilen en zeilen in de ambtswoning regelt. Die aan de deur staat en de gasten ontvangt. Ze woont op de tweede verdieping met haar gezin. De burgemeester op de derde.

Wat betekende die stap voor u?

Margo: ‘Dat ik een vaste baan had, en ’s avonds niet meer voor werk de deur uit hoefde. En dat ik andere mensen leerde kennen, mensen die op het stadhuis werkten, beleidsmedewerkers enzo. Dat was een nieuwe wereld voor me.’

Joyce: ‘Ik studeerde en woonde in die tijd niet meer bij mijn ouders. Als ik ’s avonds na het leren langsging, vond ik het ook heel spannend, want in de gangen kwam ik Eveline Herfkens tegen, en Hedy d’Ancona. Ik wilde soms alleen maar bij die deur staan.’

Margo: ‘Ik heb heel veel mensen ontmoet die je normaal alleen op televisie zag. Oud-president Kaunda van Zambia, die onlangs is overleden: daar was een staatsbezoek voor geregeld. De gasten werden in de gang, aan het eind van de rode loper, door de burgemeester welkom geheten. De dames van de representatie namen ze vervolgens mee naar de eerste verdieping. Daar had ik dan, in een van die prachtige kamers, met een assistent de tafel gedekt, helemaal versierd met alle glitter en grote kandelaars.’

Ze pakt er een notitieboekje bij. ‘Ik heb wat namen opgeschreven, even kijken. Nelli Cooman en Ellen van Langen hebben we vorstelijk ontvangen, na hun olympische medailles. Daar ging ik weleens om het hoekje kijken, want ik vond Cooman heel leuk, ook omdat ze een kleurtje had natuurlijk. Nelson Mandela – top of the bill. Gorbatsjov. Stéphanie en Albert van Monaco. Sting is er ook geweest, jij was nog zo dol op zijn muziek, Joyce. Salman Rushdie. Je kon vaak niet geloven dat je die mensen in het echt zag.’

Werd er in die tijd al over gesproken dat de ambtswoning was gebouwd met geld verdiend met slavenhandel?

Joyce: ‘Dat was pas toen die plaquette op de woning kwam, in 2006.’

Margo: ‘Maar dat was na mijn tijd, lieverd. Er was geen gesprek over. Niet met mij, in ieder geval.’

Zou het iets voor u hebben uitgemaakt, als u het had geweten?

Margo: ‘Dat vind ik een moeilijke vraag.’

Waarom?

‘Omdat het in het verleden is gebeurd. Dat is niet uit te vegen. Maar of ik de baan had geaccepteerd als ik het had geweten? Het leek me een heel fijne werkomgeving. Nu we er zo over praten: ik denk dat ik het toch gedaan had.’

Joyce: ‘Voor mij geldt hetzelfde.’

Kunnen jullie je voorstellen dat er mensen zijn die hun wenkbrauwen optrekken bij het beeld van u in de deuropening van de woning van een witte burgemeester, een woning gebouwd…

Margo onderbreekt: ‘Met slavengeld.’

Joyce: ‘Bedoel je: nu of vroeger?’

Nu.

Joyce: ‘Dat ze denken: ze is een redi musu, iemand die meewerkt met de blanken? Zoals mijn vader destijds na die scheldpartij bij Real Sranang ook werd verweten?’

Margo: ‘Zo heb ik het nooit bekeken.’

Joyce: ‘Ja, ik kan me voorstellen dat mensen dat denken. Maar dan zeg ik: je hebt mensen nodig die radicaal zijn. Maar je hebt ook mensen nodig die zeggen: we moeten samen verder.’

En zo belanden we bij de man die niet geloofde dat zij de burgemeester van Naarden was. ‘Ik had’, zegt Joyce, ‘op dat moment tegen hem kunnen zeggen: u moet uw mond houden, u bent een racist. Ik had de bodes opdracht kunnen geven: weg met die meneer. In mijn strijdbare periode had ik hem misschien zelfs kunnen verslinden. Maar gelukkig had ik de mensenkennis om te zien dat die man zich verwonderde.’

Elkaar van mens tot mens ontmoeten, noemt de dochter het. De deur voor elkaar openhouden, zegt de moeder.

Joyce: ‘Het gaat om vertrouwen geven en vertrouwen krijgen. En dat je je daarbij kwetsbaar mag opstellen. Want als iemand zich verwondert, en je duikt er meteen bovenop, dan durft die ander niks meer te zeggen.’

Recent voorbeeld. Joyce werd voorzitter van de raden van toezicht van de stichtingen van Slot Zuylen. In die tijd was het nog niet algemeen bekend, althans niet voor zover zij wist, dat het slot van de familie Van Tuyll van Serooskerken was gebouwd met geld verdiend met aandelen in Surinaamse plantages. ‘Ik heb een afspraak gemaakt met de familie om te bespreken: hoe zullen we dit zelf naar buiten brengen?’

Ze merkt het om zich heen. Adellijke families die, met de schijnwerper op hun verleden, zeggen: ‘Wat is dat nou, daar hangt ons wapen, drie hondenkoppen: trouw aan de koning, trouw aan God, trouw aan de familie, en inenen blijkt ons mooie slot gebouwd op slavenbloed.’

Joyce: ‘En dan gaat het erom dat je verbindt, niet polariseert. Dus we zijn uitgekomen op een tentoonstelling die beide kanten van het verhaal belicht. En dan ben ik trots dat onze directeur Surinaamse kunstenaars weet te betrekken bij het maken van de posters. Om te benadrukken dat de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie vorig jaar op het slot de Belle van Zuylenring in ontvangst heeft genomen. Zo kun je het verdriet voelen, maar ook de vreugde en de trots.’

Onlangs werd op deze plek aan de Indische Amara van der Elst en haar moeder gevraagd: is Nederland racistischer dan vroeger? En de moeder antwoordde: ja.

Margo: ‘Als ik het vergelijk met zestig jaar geleden, ben ik eigenlijk best tevreden. Veel Nederlanders zijn toch anders naar de gekleurde mensen gaan kijken, ook omdat ze in de familie een kleinkind hebben met een kleur.’

Joyce: ‘Het is meer ontspannen, dat vind ik ook. Maar we zijn er natuurlijk nog lang niet.’

Ze memoreert de opmerking van de Belgische topman van BinckBank, Vincent Germyns. Zwarte vrouwen, zei hij vorig jaar, zijn net als Skoda’s. Ze rijden lekker, maar je wilt er niet in gezien worden.

Margo: ‘Zo’n man bestaat niet voor mij.’

Joyce: ‘Mijn nichten vroegen me daarna: tante, hoe kan iemand dat nou zeggen? We doen zo ons best. En ik zei: het is een sneue man, geef hem geen aandacht, recht je rug, concentreer je op jezelf.’

Zijn je nichtjes nog wel ontvankelijk voor die boodschap?

‘Dat verschilt. Er zijn er die zeggen dat die man totaal niet deugt en boos worden. Maar er is er niet één die zegt: ik stop het gesprek.’

Of: witte mensen moeten zich eerst educaten voor we verder praten.

‘Maar dan moet je ze eerst duidelijk maken waarin. Weet je, het is goed om de polarisatie te benoemen, maar ik weet het nu allemaal wel. We moeten een stap voorwaarts zetten. Als je wilt dat dingen veranderen, moet je meedoen.’

Het gesprek komt op de politiek. Moeder Sylvester stemt sinds haar 18de op de PvdA. Dochter werd op dezelfde leeftijd lid en klom omhoog in de partij. Kansengelijkheid is voor hen beiden het belangrijkste thema. Voor Joyce komt daar nog iets bij: van Ed van Thijn leerde ze het belang van een sterke rechtsstaat, waarin de burger wordt beschermd, óók tegen de overheid. ‘Bij elke nieuwe functie heb ik me steeds afgevraagd of ik aan die rechtsstaat een steentje kon bijdragen. Bij de Nationale Ombudsman is dat: duidelijk maken waar het misgaat tussen burger en overheid. Als waarnemend burgemeester maakte ik veel werk van de nationale herdenkingen, besteedde ik veel aandacht aan de Joodse gemeenschap, aan veteranen. Omdat het waardevol is om te beseffen dat we nu in vrijheid kunnen leven.’

Margo: ‘Ik hoor weleens van mijn buurtjes dat ze niet meer in de politiek geloven. Als vrijwilliger kom ik veel bij die mensen, en dan blijf ik het zeggen: is je stembiljet al binnen? Ga je naar de stembus? Nee hoor, zeggen ze dan, het is toch niks meer.’

Joyce: ‘Als je te maken hebt met een leerkracht die je kind een te laag schooladvies geeft. Als het UWV werkt met een algoritme dat discrimineert op kleur. Dan snap ik dat mensen niet meer vertrouwen op de rechtsstaat.’

Ze heeft de overheid hardvochtiger zien worden, zegt ze. ‘Ik kwam als burgemeester bij mensen thuis waar de deur amper open kon vanwege de berg ongeopende post die erachter lag. Daar moet je iemand naast zetten die brief voor brief opent, want dan help je echt. Maar wat deed bijvoorbeeld het Centraal Justitieel Incassobureau als de snelheidsboete niet werd betaald? Die stuurde een nieuwe brief met een hogere boete. Als daar niet op werd gereageerd, kwam er weer een brief. En zo verder, tot iemand in de cel werd gezet. Dan denk je: waar gaat dit over? Die man of vrouw kon het niet betalen, en die kan het nog steeds niet betalen als hij in de cel heeft gezeten. Dus wat is dit voor systeem? Gelukkig zie je dat steeds meer overheidsorganisaties speciale hulplijnen hebben opgezet. Dat is een stap in de goede richting.’

Jullie partij zat in het kabinet dat het wantrouwen in de burger institutionaliseerde.

Joyce: ‘Kijk, als Substituut Ombudsman kan ik daarover geen uitspraken doen. Dat is het correcte antwoord. Ook als burgemeester stond ik al steeds verder van het politieke handwerk, omdat ik boven de partijen moest staan.’

Onlangs zei Sylvana Simons, tijdens een bijeenkomst van de Jonge Socialisten, dat Bij1 kon ontstaan omdat de PvdA de verzorgingsstaat had verkwanseld.

Een stilte.

Zou u overwegen over te stappen naar Bij1?

Margo: ‘Nee, ik blijf trouw aan de PvdA, ondanks alles. De partij heeft een lange geschiedenis. Ik zie Sylvana wel, en ik volg wat er gebeurt, zoals toen Quincy Gario weg moest. Ik moet ook maar zien of Bij1 het op de langere termijn redt.’

Een vriendin van Joyce vertelde: Joyce zal nooit op Bij1 stemmen. Dat is haar stijl niet.

Joyce: ‘Dan zeg ik weer: daar kan ik geen uitspraak over doen. Waar ik het bij wil laten, is dit: het is goed dat mensen kunnen kiezen. Want Bij1 doet het goed, maar Volt en de BoerBurgerBeweging ook. Ik heb me lang een roepende in de woestijn gevoeld, met mijn ‘diversiteit is belangrijk’. En niet alleen wat betreft culturele achtergrond, maar maatschappijbreed: mannen en vrouwen, homo en hetero, regio en stad, oud en jong. Dat steeds meer mensen een spreekbuis krijgen, vind ik alleen maar goed voor de democratische rechtsstaat.’

Bij de laatste landelijke verkiezingen was Bij1 de grootste partij in Amsterdam Zuidoost, waar veel mensen met een Surinaamse achtergrond wonen. In 2012 kreeg de PvdA 50 procent van de stemmen. Nu nog 8. Dus toch nog even: wat doet Bij1 beter dan de PvdA?

Joyce: ‘Jij blijft maar in die vergelijking zitten. Dat vind ik niet interessant.’

Ze pakt het tijdschrift dat op tafel ligt, Opzij, met Hedy d’Ancona op de cover. ‘We hebben het nu de hele tijd over de emancipatie van mensen van kleur. Maar denk nou eens aan de vrouwenbeweging, aan hoeveel tegenwerking die heeft gekregen. En kijk dan naar hoe jij en ik erbij zitten, met onze banen.’

Haar moeder onderbreekt. ‘Ik ben zó trots op jullie’, zegt ze.

Joyce: ‘Misschien ben ik te positief, maar we komen echt wel stappen verder, hoor. Nee, dat gaat niet zonder slag of stoot. Maar dat geldt voor de hele maatschappij. We zijn allemaal aan het emanciperen.’

Je moeder wees haar grootmoeder aan, als belangrijkste foto uit dit boek. Welke kies jij?

Joyce wijst naar de foto van oma Wiesje, de moeder van haar moeder, omringd door zeven kinderen. ‘Je kunt zeggen: wat een hoop ellende, al die kinderen en een smalle beurs. Maar ik zie dat ze allemaal schone witte kleren aan hebben, goed gestreken, goed verzorgd. En ik zie mijn oma met een trotse glimlach op haar gezicht.’

Een laatste foto nog, een die was opgevallen tussen alle andere, waar Joyce omgeven is door voornamelijk witte mensen uit bestuurlijk Nederland. Hij is genomen in de tijd dat ze waarnemend burgemeester was in Anna Paulowna, in 2009, vlak voor het moment dat de naturalisatieceremonie begon van een jongetje van 3 jaar. ‘Zijn vader’, schrijft ze in haar autobiografie, ‘kwam uit Anna Paulowna, zijn moeder had een Afrikaanse achternaam. Ze waren trots dat hij de Nederlandse nationaliteit zou gaan krijgen en hadden hem in een smoking gehesen en zwarte lakschoenen aangedaan.’

Op de foto houdt Joyce hem tegen zich aan.

Haar moeder zegt: ‘Lief hè?’

Wat mij opviel: op al die andere foto’s zie ik iemand die…

Joyce onderbreekt: ‘Poseert.’

En hier ben je…

‘Ontspannen.’

Hoe verklaar je dat?

‘Ik hoef hier niet mijn best te doen. Dat jongetje sprong in mijn armen alsof hij me herkende. Pas toen ik de foto zelf in de plaatselijke krant zag, ging bij mij het lampje branden: dit is wat diversiteit betekent in dit ambt, voor mensen met een kleur. Dat je een voorbeeld bent.’ Laatst vroeg iemand haar of ze hem nog weleens had opgezocht. Nee, zegt ze, en ze is het ook niet van plan. ‘Omdat ik niet weet hoe ik hem zal aantreffen. Ik wil de magie van dat moment niet verbreken.’

Meer over