opiniegoede doelen

Als het om goede doelen gaat, zijn Nederlanders vooral egogevers

Nederlanders laven zich binnenkort weer massaal aan een kerstbacchanaal, maar geven steeds minder aan goede doelen. En doen ze dat wel, dan laten ze zich vooral leiden door hun ego betoogt Kas Woudstra.

Fietsers beklimmen de Alpe d’Huez  voor KWF Kankerbestrijding.  Beeld ANP
Fietsers beklimmen de Alpe d’Huez voor KWF Kankerbestrijding.Beeld ANP

KWF Kankerbestrijding is in Nederland het doel met verreweg de meeste donateurs, schreef de Volkskrant dit najaar. De helft van onze giften als burgers gaat sowieso naar doelen die te maken hebben met welzijn en gezondheid in Nederland. Dat terwijl we in datzelfde Nederland nu al 100 miljard euro aan zorg besteden, bijna 14 procent van ons bnp.

We geven giften dus vooral aan onszelf. Maar we geven wel steeds minder. Vijftien jaar geleden gaven we 0,93 procent van ons bnp aan goede doelen. Nu is dat nog maar 0,69 procent: een daling van 26 procent. En als we dan toch iets geven, dan geven we het ook steeds vaker via een challenge. Neem de Radboudumc, waar ik promoveer, maandenlang stond daar een kartonnen bord van een bestuurder die etappes van de Tour de France fietste. Via hem konden patiënten doneren aan, jawel: het Radboud Oncologiefonds.

Al met al laten Nederlanders zich dus het beste omschrijven als egogevers. We geven gemiddeld steeds minder, en als we doneren, geven we aan een doel dat onszelf of onze familie ten goede kan komen, het liefste met ons kartonnen hoofd naast de donatie.

Kerstbacchanaal

Stel, een Nederlander wandelt voor een goed doel door Italië. Hij loopt langs een modderig meer en hoort opeens een krijsende baby. De baby is in het water gevallen, kan duidelijk niet zwemmen, dus moet binnen enkele seconden geholpen worden. Anders gaat ze dood. De wandelaar ziet niemand om zich heen en snelt naar het meer. Hij heeft geen tijd zich van zijn fitbit en kleding te ontdoen voor hij in het water duikt. Vlak voordat hij zich in de modder werpt, bedenkt hij wat een kosten dat hem oplevert: de fitbit heeft 100 euro gekost, de kleding ook zoiets. Alles kapot en onbruikbaar door de drek. Bij nader inzien lijkt hem dat toch wat veel financiële schade. Hij besluit door te kuieren en de baby sterft.

Dit gedachte-experiment is gepopulariseerd door filosoof Peter Singer – zonder de fitbit, toegegeven. Vrijwel iedereen die het hoort vindt het gedrag van de man onethisch. Toch is dit wat dagelijks gebeurt. Aan ons jaarlijkse kerstbacchanaal besteden we per persoon honderden euro’s terwijl we met datzelfde geld kinderen medicijnen kunnen geven tegen malaria, waarmee ze hun levens terugkrijgen.

Waarom is doorlopen onrechtvaardig, maar al je geld aan zuipen en feesten besteden, terwijl daar ook kinderen aan sterven niet?

Hypocriet

Er is veel kritiek op Singer. Het verhaal impliceert dat we bijna al ons geld moeten weggeven, dat we helemaal geen plezier meer mogen hebben. En Singer geeft zelf één derde tot de helft van zijn inkomen aan goede doelen. Dat is veel, maar kan juist volgens zijn eigen doctrine meer zijn. Je bent al gauw een hypocriet met dit verhaal in de hand, want je kan bijna altijd meer geven. Toch is het een waardevol verhaal tijdens de kerstdagen. Met kleine stapjes kan het anders.

We kunnen best iets meer geven dan die schamele 0,69 procent. We kunnen gewoon aan kinderen geven die een heel leven terugkrijgen door een donatie. GiveWell is bijvoorbeeld een organisatie die onderzoek doet naar de effectiviteit en kostenefficiëntie van giften. Zo weet je zeker dat een gift helpt, en dat je het maximale uit die gift haalt.

Maar vooralsnog zijn we egogevers. We geven een beschamend percentage van ons inkomen weg. Als we geven, geven we de helft indirect weer aan onze eigen gezondheid terwijl we ons volproppen met kerststollen en bubbelwijn, zelfvoldaan terugdenkend aan die fenomenale prestatie: die lange wandeltocht langs dat mooie Italiaanse meer.

Kas Woudstra promoveert op participatieve methoden voor het ontwikkelen van medische technologie.

Meer over