Interview

Als één volk het slachtoffer is van religieus fanatisme, dan zijn dat de Afghanen, zegt psychiater Forugh Karimi

Hoogzwanger ontvluchtte Forugh Karimi 25 jaar geleden Afghanistan. Nu behandelt ze als psychiater in Nederland getraumatiseerde landgenoten. ‘Velen worstelen met het gevoel dat wij Afghanen er niet toe doen.’

Psychiater Forugh Karimi: ‘Dat het weer misgaat in Afghanistan en de hele wereld dit toelaat, voelt voor Afghanistan extreem onveilig.’ Beeld Kiki Groot
Psychiater Forugh Karimi: ‘Dat het weer misgaat in Afghanistan en de hele wereld dit toelaat, voelt voor Afghanistan extreem onveilig.’Beeld Kiki Groot

Het is verontrustend stil onder haar vrienden in Kabul, zegt Forugh Karimi. De mannen en vrouwen met wie ze in de jaren negentig geneeskunde studeerde en nog altijd contact onderhoudt via Facebook-groepen, ze zijn zichzelf niet meer. Verdwenen zijn de grapjes, de kinderfoto’s, de uitgesproken meningen over van alles en nog wat. Kwamen de Taliban tot voor kort in menig bericht voorbij, nu durven de meeste van haar vrienden het T-woord niet eens meer te noemen. ‘Dat is dus wat tirannie met je doet’, zegt Karimi, in haar spreekkamer in Den Bosch. ‘Zelf word ik ook voorzichtiger op Facebook, omdat ik niemand in gevaar wil brengen. Tegelijkertijd voel ik me schuldig, omdat ik een Nederlands paspoort heb en in principe kan zeggen wat ik wil, terwijl mijn vrienden dáár zitten en dochters hebben in dezelfde leeftijd als de mijne.’

Ze was 25 jaar en negen maanden zwanger, toen Karimi in de zomer van 1996 met haar man Abdul van Afghanistan naar Nederland vluchtte. Na vier jaar in oorlog te hebben geleefd, besloot het stel met behulp van een mensensmokkelaar een veilige toekomst te zoeken voor zichzelf en hun ongeboren kind. In Amsterdam vervolgde ze haar studie geneeskunde, vastbesloten om psychiater te worden. En toen werd het 11 september 2001 en boorden zich ineens twee vliegtuigen in het World Trade Centre in New York. Karimi groeide van de ene op de andere dag uit tot één van de gezichten van de Afghaanse gemeenschap in Nederland. Kranten en televisieprogramma’s benaderden haar voor interviews. ‘Dat was eigenlijk heel pijnlijk. Jarenlang hadden de Afghanen geprobeerd aandacht te vragen voor hun situatie, maar leek niemand geïnteresseerd. Pas nu het Westen was getroffen, werd de wereld wakker. Alsof ons leed daarvoor niet bestond.’

Inmiddels werkt Karimi alweer elf jaar als psychiater. Ze combineert haar particuliere praktijk in Den Bosch met haar werkzaamheden in een centrum voor transculturele psychiatrie in Eindhoven, waar ze onder meer mensen van Afghaanse afkomst behandelt. Daarnaast is ze voorzitter van de afdeling voor transculturele psychiatrie van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).

Welke impact heeft de terugkeer van de Taliban op de psyche van de vijftigduizend Afghaanse vluchtelingen die de afgelopen decennia naar Nederland kwamen? Als iemand het kan weten, is het Karimi.

De Afghanen die ze in haar spreekkamer ontvangt, voelen zich dezer dagen voortdurend teruggeworpen in de tijd, zegt ze. ‘Nu de Taliban terug zijn, komen alle pijnlijke herinneringen weer boven. Mensen die mishandeld of verkracht zijn, beleven dat allemaal opnieuw.’

Waar haar Afghaanse patiënten ook mee worstelen, is het gevoel: wij Afghanen doen er niet toe. ‘Ze voelen zich voor de zoveelste keer verraden, en dat is goed te begrijpen. De Amerikanen hebben het Afghaanse volk overgeleverd aan de Taliban. Dezelfde Amerikanen die in de jaren tachtig de moedjahedien in het zadel hebben geholpen en Osama bin Laden naar Afghanistan hebben gebracht. Het is ook aan de Amerikanen te danken dat Afghanen nooit hebben kunnen rouwen over het oorlogsgeweld dat het land al 42 jaar lang in de greep hield. Terwijl in Zuid-Afrika een waarheidscommissie in het leven werd geroepen om recht te doen aan de verschrikkingen van het apartheidsregime, en het Joegoslavië-tribunaal werd opgericht om massamoordenaars als Mladic en Karadzic te kunnen vervolgen, plaatsten de Amerikanen de grootste onderdrukkers van het Afghaanse volk gewoon weer in de regering. Dat het nu opnieuw zo misgaat, en dat de hele wereld dit toelaat, voelt extreem onveilig.’

Hoe uit zich dat bij uw patiënten?

‘Sommigen zijn woedend en willen in opstand komen. Bij anderen slaat de woede naar binnen, zij raken nog meer teleurgesteld in het leven en zakken nog dieper weg in een depressie.’

Wat kunt u voor deze mensen betekenen?

‘In de eerste plaats probeer ik hun gevoelens te erkennen en er ruimte aan te geven. Als iemand zegt: ik voel me verraden, dan zeg ik: dat klopt, dat ben je ook. Verder kan ik mijn patiënten alleen helpen hun machteloosheid te verdragen. Zelf ben ik als behandelaar ook machteloos. Ik kan nu eenmaal niet Joe Biden dwingen om in Afghanistan te blijven, en ik kan ook geen familieleden van patiënten ophalen in Kabul.’

In het Gelderse dorpje Harskamp werden Afghaanse evacués opgewacht door een woedende menigte die leuzen riep als ‘Eigen volk eerst’. Hoe kijkt u als psychiater naar deze demonstranten?

‘Voor mij verschillen ze weinig van een asielzoeker die gefrustreerd is over zijn procedure en overgaat tot geweld, of van een geradicaliseerd persoon met kwade bedoelingen. Het onderliggende principe is hetzelfde: ik ben boos, en dat kan ik niet verdragen, dus moeten anderen daarvoor boeten.’

Sommige Nederlanders zijn bang geworden voor vluchtelingen door de ervaringen in Europa met terrorisme. Kunt u daar begrip voor opbrengen?

(Korte stilte) ‘Kijk, angst is een gevoel dat wordt gevoed door bepaalde ervaringen. Dus je kunt nooit zeggen dat mensen geen angst mogen hebben. Maar ze zijn wel verantwoordelijk voor hoe ze ermee omgaan. Bovendien: het aantal terroristische aanslagen in Europa is nog geen fractie van wat Afghanistan te verduren heeft gehad. Als er één volk slachtoffer is van religieus fanatisme, dan zijn de Afghanen het wel. Juist daarom zijn we hier naartoe gevlucht. Dat uitgerekend wij worden geassocieerd met terrorisme is dus pijnlijk. Vraag je me daar begrip voor te hebben, dan vraag je me eigenlijk begrip te hebben voor de ongelooflijke onwetendheid van mensen. Terwijl de evacués in Harskamp ontzettend geschrokken zullen zijn van die protestacties. Dat zal hen nog jaren bijblijven.’

Haar eigen ontvangst in Nederland, vorige week precies 25 jaar geleden, herinnert Karimi zich nog haarscherp. ‘Onze reisagent, zo noem ik hem, zette ons af bij het politiebureau in Leiden. We hadden nauwelijks spullen bij ons en ik was door mijn zwangerschap zo ontzettend moe. Binnen in het politiebureau zeiden we dat we vluchtelingen waren en vroegen naar de vreemdelingendienst. Het gezicht van de vrouw achter de balie zie ik nog zo voor me. Ze was blond en had een litteken op haar wang. Ze keek ons niet aan en schoof alleen een stuk papier naar ons toe met een adres erop. Wij vroegen hoe we daar moesten komen. Toen zei ze, nog steeds zonder ons aan te kijken: Jullie zijn helemaal van Afghanistan naar hier gekomen, dan zal dit ook wel lukken. ‘

Tien dagen na aankomst in Nederland beviel Karimi van een zoon. Diezelfde maand kwam haar geboortestad in handen van de Taliban. Terwijl Karimi hier de taal leerde en zich steeds meer ontwikkelde, raakten haar vriendinnen in Kabul alsmaar verder in de verdrukking. Stenigingen en openbare executies van vrouwen die zich niet aan de draconische wetten van het nieuwe regime hielden, waren aan de orde van de dag. Vijf jaar lang konden de Taliban vrijelijk hun gang gaan. Tot die gewraakte dinsdag in september 2001. Vanaf dat moment domineerde Afghanistan ineens de krantenkolommen en kwam er ook meer aandacht voor de positie van Afghaanse vrouwen. In de interviews die Karimi gaf, benadrukte ze dat de meeste Afghanen de Taliban niet steunden. ‘Omdat er tegelijkertijd een sfeer ontstond waarin Afghanistan in één adem werd genoemd met terrorisme’, zegt ze nu.

‘Laat me daar een anekdote over vertellen. Mijn zoontje was 5 jaar oud toen de aanslagen in New York plaatsvonden. Ik had niet door dat hij daar iets van meekreeg, maar kort erna kwam hij naar me toe met een tekening. Er stond een hoog gebouw op waar mensen vanaf sprongen. En hij zei: “Mama, wij zijn Afghanen, maar wij zijn wél lief, hè?” Alsof Afghanen dit alles veroorzaakt hadden. Dat raakte me heel erg.’

Twintig jaar later gaan haar Afghaanse patiënten nog altijd gebukt onder de associatie met terrorisme, zegt Karimi. ‘Ze krijgen te horen dat veel Afghanen terroristen zijn. Of er wordt hun gevraagd waarom ze het pikten dat de Taliban hun land overnamen. Daar hebben mijn patiënten veel last van.’

Sterker, zegt Karimi, de manier waarop Afghaanse vluchtelingen in Nederland worden bejegend is doorgaans het voornaamste gespreksonderwerp tijdens hun therapiesessies. ‘Buitenstaanders denken vaak dat de Afghanen die ik behandel vooral getraumatiseerd zijn door hun ervaringen onder het communistische regime, de moedjahedien en de Taliban. Maar hun depressies en angstklachten komen voort uit een opeenstapeling van factoren: ze hebben veel te verduren gehad tijdens de oorlog, hun vlucht en de asielprocedure, en hebben vanaf de laagste tree op de maatschappelijke ladder een heel nieuw bestaan moeten opbouwen. Daar bovenop komen dan de vooroordelen waar ze hier tegenaan lopen. ‘Iedereen denkt dat we dom zijn en niks kunnen,’ hoor ik geregeld. ‘Ze zien alleen de eenzijdige beelden van Afghanen op tv en denken dat we uit de bergen komen en in grotten hebben geleefd’.’

Hoe komt dat het mensen die een oorlog hebben meegemaakt bij u in de spreekkamer vooral over die Nederlandse vooroordelen beginnen?

‘Omdat het meest voorkomende oorlogsgeweld, zoals zelfmoordaanslagen en explosies, vaak niet zozeer op de persoon gericht is. Racistische vooroordelen zijn dat wel. Die kunnen veel meer je eigenwaarde aantasten, zeker als je basis niet zo stevig is.’

Heeft u zelf ooit hinder ondervonden van vooroordelen?

‘Als ik het afzet tegen de kansen die ik heb gekregen en benut, valt het mee. Ik zeg daarom vaak dat ik niet moet klagen. Waar ik wel last van heb, is indirect racisme. Dat mensen allerlei negatieve uitlatingen doen over Afghanen of andere vluchtelingen, en dan tegen mij zeggen: ‘Maar jij bent anders.’ Wat me ook gestolen kan worden, zijn zogenaamde complimenten als: ‘Ben jij psychiater? Wat knap zeg!’ Of: ‘Jij komt uit Afghanistan en je kent Marcuse en de Frankfurter Schule? Hoe kan dat?’ Ik heb geleerd om me er niets van aan te trekken en zeg vaak gewoon beleefd: bedankt.’

Vorig jaar reageerde u op een tweet van Geert Wilders, die had beweerd dat ‘Mohammed en Fatima’ de ic-bedden bezet hielden. U schreef wat uw eigen ouders, die Mohammad en Fatima heten, voor u hebben betekend en dat uw eigen man op een ic-afdeling werkt. U kreeg 57 duizend likes. Waarom voelde u zich hiertoe geroepen?

‘Het was een impulsieve daad, maar ik wilde een bepaald beeld rechtzetten. Mijn vader werkte in Afghanistan als landbouwingenieur en mijn moeder als lerares wiskunde. Toen ze na mij naar Nederland kwamen, lukte het hen niet om hun carrières hier voort te zetten, onder meer omdat ze het lastig vonden de taal te leren. Maar ze hebben er wel voor gezorgd dat ik geneeskunde kon blijven studeren en psychiater kon worden. Zo zijn veel Afghanen in Nederland arts of succesvol ondernemer geworden met steun van hun ouders. Maar daar hoor je mensen als Wilders nooit over.’

Op Linkedin maakt u ook een vergelijking tussen het PVV-plan voor een ministerie van van Remigratie en De-islamisering en het voormalige ministerie voor de Verspreiding van Deugd en de Preventie van Ondeugd van de Taliban. Wat is volgens u de overeenkomst?

‘In beide gevallen wordt controle uitgeoefend op het doen en laten van mensen, zogenaamd om hen op het goede pad te brengen. Het Taliban-ministerie had een religieuze politie die vrouwen arresteerde die niet volledig bedekt waren. Wilders wil in wezen hetzelfde doen, maar dan met vrouwen die wél een hoofddoek of een boerka dragen. Het nare is dat macht vaak wordt geprojecteerd op het lichaam van de vrouw.’

De laatste jaren richt Karimi zich in haar werk steeds meer op de kinderen van de eerste generatie Afghaanse vluchtelingen, vertelt ze, ook omdat daar nog veel vooruitgang valt te behalen. ‘Zij kampen vaak met transgenerationele problematiek. Sommigen hebben er enorm onder geleden dat ze er getuige van waren dat hun ouders als een idioot werden behandeld, omdat ze slecht Nederlands spraken of een hoofddoek droegen. Als kind wil je kunnen opkijken tegen je ouders, wil je op hen kunnen terugvallen. Die mogelijkheid hadden zij niet.’

Daarnaast, zegt de psychiater, voelen deze jonge Afghanen een grote druk om hun ouders gelukkig te maken, omdat die zo veel hebben moeten doorstaan. Ze zijn er volledig op gefixeerd om succesvol te worden en aan de wensen van hun ouders te voldoen. Dat gaat ten koste van hun emotionele ontwikkeling, want om volwassen te kunnen worden, moet je je ook los kunnen maken van je ouders en zelfs boos op hen kunnen worden.’

U heeft zelf inmiddels twee kinderen van 25 en 16. Voelen zij deze druk ook?

‘Ik ben door schade en schande wijzer geworden en ik hoop dat mijn kinderen die druk minder hebben ervaren. Zelf heb ik wel altijd de neiging gehad om mijn ouders trots te maken. Ik heb er lang over gedaan voordat ik dat besefte. Zoals mijn kinderen nu tegen mij praten, heb ik bij mijn ouders nooit gedurfd.’

Verklaart dat waarom u in Kabul geneeskunde bent gaan studeren, terwijl u stiekem droomde van een leven als schrijver?

(Lacht) ‘Misschien. Ik heb bewust gekozen voor een studie waarmee ik verzekerd was van stabiliteit en een carrière, zoals veel van mijn generatiegenoten die opgroeiden in oorlog dat deden, maar diep van binnen heb ik inderdaad altijd geloofd dat ik als schrijver ben geboren. Dat mijn leven incompleet zou zijn als ik daar niets mee zou doen. Daarom heb ik uiteindelijk voor de specialisatie psychiatrie gekozen. Zo kon ik me in elk geval bezighouden met de verhalen van mensen. Schrijven deed ik in mijn vrije tijd en ben ik altijd blijven doen. Het is voor mij de beste manier om het leven te verwerken.’

Begin volgend jaar zal ze haar droom alsnog verwezenlijkt zien: dan verschijnt haar eerste roman, bij uitgeverij Meridiaan. Ze wil er nog niet veel over kwijt, behalve dat het boek over Afghanistan en Nederland zal gaan, dat het een ode aan de vrouw wordt, en dat het niet autobiografisch is. ‘Ik geloof in de kracht van fictie. Als je een foto ziet van een vrouw in een boerka, kom je niet dichtbij, blijf je toeschouwer. Maar als je een roman leest, kun je je identificeren met universele thema’s als liefde, verraad en mededogen. Dan voel je wat de personages voelen. Ik geloof dat literatuur ons mens houdt.’

En dat, zegt Karimi, is waar het uiteindelijk om draait: menselijk blijven, zonder voorwaarden. Zoals de Leidse politieagent met het blonde haar en het litteken 25 jaar later nog in haar geheugen gegrift staat, ziet ze ook nog steeds het gezicht voor zich van de vrouw van de medische dienst waar ze zich later moest melden. ‘Ik zal nooit vergeten hoe aardig zij tegen me was. Ze deed niets bijzonders, ze gaf me geen verblijfsvergunning ofzo, maar alleen haar houding maakte zo veel verschil. Je hoeft vluchtelingen niet te redden, soms is alleen een beetje menselijkheid voldoende.’

Meer over