'als decaan ben ik in de jaren negentig een stropdas gaan dragen'

Van spijkerbroek met colbertje, spijkerpakken en Afghaanse jassen tot stropdassen en de 'Zandvoort isering' in het parlement. Meindert Fennema (56), politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, ex-PvdA, ex-CPN en lid van GroenLinks over kleding in de politiek en op de universiteit....

tekst jacomijn de raad en fotografie tara fallaux

'Eén generatie boven mij zitten de mannen van 60, de sociaal-democraten die hun jasje nooit hebben uitgedaan: Harry van den Bergh, Relus ter Beek, Bram Peper. Kwes tie van een praktische instelling, er moesten zaken worden gedaan met mensen die pakken droegen. In de pvda ontstond zo een vaste dracht voor ambtenaren en politici: spijkerbroek met colbertje. Een duidelijk compromis. Staats secretaris Jacob Kohn stamm was er zo een. Want d66 deed dat ook, daar hadden ze de boodschap begrepen: das af, zeker in het openbaar. Maar om het contact met Schelto Patijn niet te verpesten wel een jasje aan.

Zelf heb ik tot op hoge leeftijd colbertjes gedragen. Zeker tot mijn 23ste. Ik studeerde sociologie in Utrecht en was lid van het corps, ik droeg altijd een blazertje of colbertje. En ik was links. Dat ging in die tijd goed samen. Met een aantal gelijkgestemde corpsleden heb ik in 1966 de jongerenorganisatie van de pvda nieuw leven ingeblazen. Daar naast zat ik in de studentenvakbeweging. Er was een nationaal studentenparlement met als leider ene Eduard Bomhoff. Droeg óók colbertjes.

De linkse scene in Utrecht was zo klein dat ieder een die niet rechts was, erin zat: corpsleden die toneel speelden en hun haar verfden en daarom met de nek werden aangekeken, homo's die geen zin hadden zich per ma nent te schamen, brave pvda'ers die in de corpsomgeving heel links waren, anarchisten - een divers gezelschap. Anders dan de meeste mensen nu denken, was die linkse beweging heel tolerant. Dat gold ook voor de kleding voor schrif ten. Iedereen deed maar wat. Wel waren er subculturen, uiteenlopend van heel elegante kledij tot broeken van het Leger des Heils.

Jasjes droeg ik nog steeds toen ik naar Amsterdam ging om politicologie te doen, een studie die langer duurde en linkser was. Ik stapte ook over naar de cpn. In een boek van oud-communist Ger Harmsen kom ik naar voren als een wat merkwaardige figuur die een beetje bekakt praatte. Die jasjes waren niet erg, dat bekakte wel.

In Amsterdam vielen mijn colberts nogal uit de toon. Mensen liepen er allemaal in spijkergoed, nee, in spijkerp kken. Bram de Swaan bezocht het bezette Maagdenhuis in een wit spijkerpak: duidelijk Provo-invloed. Die subcultuur kwam vrij plots op, zo tussen 1965 en 1970, en greep als een razende om zich heen. Anti-establishment-conformisme was het. Je droeg geen das, en wat je daarvoor in de plaats droeg moest je zelf weten. De omslag was gericht tegen de uniformiteit van kleren en de sekseverschillen. Vandaar die uniseks kleren en kapsels. Vrouwen knipten hun haar korter en mannen lieten het groeien tot ze allemaal ongeveer even lang haar hadden. Wel zag je verschillende golven. Er was bijvoorbeeld flowerpower, met soulkleren die je nu ook weer ziet: dames op zeer hoge plateauzolen, heren met uitwaaierende broekspijpen in felle kleuren velours.

Ik was inmiddels getrouwd met een Engel se die aan de kunstacademie had gestudeerd. Dankzij haar was ik enorm hip. We zaten vaak in Londen, waar de mode ver vooruit liep. We kochten Afghaanse jassen die als het regende een uur in de wind stonken. Mijn ouders hadden me gordijnstof gegeven, van die zware donkerrode velours. Daarvan knipte mijn vrouw tot hun grote ontsteltenis een colbert voor mij. In de stijl van de Beatles, lang en getailleerd.

In de faculteitsraad droeg ik mannenonderhemden die ik purper en in andere felle kleuren had geverfd. Deed ik aan als bovenhemd. Dan zag ik Daudt, de baas van de faculteit, naar me kijken: vréselijk vond hij het. Het had te maken met het niet echt serieus nemen van de instellingen die bij pakken hoorden. Een houding die uitdrukte dat je schijt had aan die lui.

Een stropdas ben ik gaan dragen toen ik in de jaren negentig decaan was van wat nu een International School heet. Dat was echte business, studenten betaalden 11.000 gulden per jaar. Een bewuste strategie. Ik had veel internationale ervaring opgedaan en dan realiseer je je: men wil dat je er netjes uitziet. Het was wel prettig om das en pak te dragen, mede vanwege de uitstraling. Tegen woordig wissel ik mijn kleding af. Die veranderlijkheid hangt samen met mijn stemming. Soms draag ik iets casuals, soms denk ik: mmm, het is een dag voor een mooi pak. Je moet mensen wel tegemoetkomen: naar een promotie of afstuderen draag ik altijd een pak. De hele familie van zo iemand komt mee, heeft een reis uit Friesland of Limburg achter de rug en verwacht decorum.

Op de universiteit is spijkerbroek-met-colbert een gangbare dracht. Aan de ene kant heb je de mensen die tevreden zijn in het academische milieu: geen stropdas. Aan de andere kant bestaat er een nieuwe generatie hoogleraren die hogerop wil. Zij die veel geld willen binnenhalen en graag staatssecretaris willen worden. Die dragen een pak.

In de politiek zie je nu de Zandvoort isering. Niet alleen Heinsbroek, ook Rosen möller. Juist linkse parlementariërs, en dan vooral van de pvda, dragen pakken van 1000 euro of meer. Geen grijze pakken, nee, híppe, in Italiaanse stijl. Wat dat betreft kun je zeggen dat linkse politici in sociologische zin vertegenwoordigers zijn van de nieuwe middenklasse. De lpf is daarvan slechts een turbovariant, van dat nieuwe type professional dat over veel geld beschikt en niet bang is om dat te laten zien. De pvda doet daar onbewust aan mee.'

Meer over