Als de taal komt los te hangen

Ook in zijn Boekenweekgeschenk laat Bernlef zijn personage de taal heroveren. De pianoman zwijgt, maar dat blijkt ook gevaarlijk. Even iets zeggen, dan weer kijken en denken, dat is het ideaal....

Zelf kan Boekenweekgeschenkschrijver Bernlef (71) ook een beetje spelen, al wist hij tijdig dat zijn talent dat van een middelmatige beboppianist nooit te boven zou komen. Wel is hij altijd een liefhebber van echte jazzpianisten gebleven, met name degenen onder hen (Dick Twardzik, Jimmy Rowles, Art Hodes) die met weinig middelen veel weten uit te drukken.

Niet verwonderlijk dat de schrijver met belangstelling de berichtgeving volgde rond de ‘pianoman’, zoals de man werd genoemd die op 7 april 2005 in het Engelse Sheerness aan land kwam in een nat pak waaruit de labels waren verwijderd. Bijzonderheden: hij zweeg, niemand wist wie hij was, maar in de kliniek waar hij werd onderzocht bleek hij wel te kunnen pianospelen (en tekenen). Een paar uur lang zou hij divers repertoire hebben doorgenomen.

Een anonieme man die geen taal gebruikte, en slechts pianospeelde; mooi onderwerp voor de schrijver die altijd soberheid nastreeft, en die op feestjes en in zijn vrije tijd regelmatig achter de vleugel plaatsneemt. Elk jaar komt er weer een boek van Bernlef uit, en als je niet oppast twee, met de regelmaat van een baspartijtje dat de linkerhand onverstoorbaar uitrolt als een oerdegelijk tapijtje, ongeacht of de rechterhand zich geïnspireerd voelt tot een improvisatie, of dat we het dit keer moeten stellen met een kleurloos genrestukje. Komt ook voor. Volgende keer beter, lijkt Bernlef soms gedacht te hebben – en vaak is dat ook zo. Vind je het gek? Het is weliswaar elk jaar North Sea Jazz, maar de ene keer gebeuren er wondertjes en een volgende valt het wat tegen. Moet je niet moeilijk over doen. In vijftig jaar schreef Bernlef zo’n vijfentachtig titels. Het zou niet gezond zijn als dat uitsluitend meesterwerken waren.

Het aardige van die pianoman was de verwarring die hij zaaide door enkel zijn mond te houden. Stilte maakt onrustig. Journalisten houden er al helemaal niet van. Die begonnen druk te speculeren dat de pianoman een vermiste concertpianist was. Maar hoe gaat dat, die vent in Sheerness bleef maar stom, en de hype waaide na een paar weken voorbij. De uitkomst van de geschiedenis, vier maanden later, dat het om Andreas Grassl ging, een matig pianospelende Beierse homoseksuele boerenzoon van 20 jaar (zijn vader had het te druk op het bedrijf om de kranten te volgen, de heisa was hem ontgaan), die in Parijs zijn baan was kwijtgeraakt en in een depressie verzeild, was dan ook een sisser in plaats van de apotheose.

Maar Bernlef kon er wat mee. Zijn boeken zijn laboratoria: op zijn tamelijk kleurloze proefpersonen laat hij een knaleffect los (neem een verkeersongeluk of een beroerte), en gaat dan kijken hoe ze de taal moeten heroveren. Preciezer: hij laat zien dat taal een afspraak is, en dat de wereld raadselachtiger wordt zodra die afspraak wordt geschonden en de taal los komt te hangen, niet meer als voorheen op de dingen past. Dan moet er ineens, aarzelend en met weinig middelen, worden geïmproviseerd.

Van Beieren naar Friesland, van Andreas Grassl naar Thomas Boender. Zo heet de licht autistische hoofdpersoon van De pianoman, de homoseksuele zoon van een man die bij een boer werkt. Zwijgzame ouders in een stille provincie. Van juf Jenny krijgt de kleine Thomas ook pianolessen. Als hij groot is en geld heeft gespaard, gaat Thomas er plotseling vandoor – uiteraard zonder iets te zeggen.

Het eigenaardige van Bernlefs stijl is dat hij alle avonturen die volgen met een ijzeren kalmte uit de doeken doet, alsof de lezer net als de hoofdpersoon alles veeleer ondergaat dan daadwerkelijk meemaakt. Het is niet niks wat Thomas beleeft (met drie buitenlanders van Amsterdam naar Parijs en vandaar naar Dover, de monosyllabische goedzak wordt in korte tijd kaalgeplukt), maar als hij zonder identiteitsbewijs of taal in de Engelse inrichting belandt, zit hij daar niet eens zo slecht. ‘Eigenlijk was hij niemand of op weg om niemand te worden. Wellicht gunden ze hem dat niet.’ Doordat hij de deuntjes heeft gespeeld die hij van juf Jenny leerde (een wereld van noten, ‘die zoveel mooier waren dan woorden, die meteen aan de wereld vastplakten. Muziek maakte zich daarvan los’), wordt hij bekend als de pianoman. Wie mist hem? Het duurt nog een aardig tijdje voordat de Friese juf hem van een krantenfoto herkent. Dan moet Thomas weer terug naar de terp.

Thuis is trouwens ook nog een ongeluk gebeurd – het is maar één keer Bernlefs Boekenweek, dus gooit hij er een tweede knaleffect tegenaan –, en dat illustreert dat altijd alleen maar zwijgen ook gevaarlijk kan zijn. Af en toe je mond opendoen, daar word je lichter van. Even iets zeggen, en dan weer lekker zwijgen, kijken en denken, dat is ideaal. Zo luidt de boodschap die Bernlef in passende grijstinten presenteert. Hij deinst zelfs niet terug voor een lelijkheids-hattrick met ‘ergens’ (‘ergens knaagt er iets in hem’; ‘ergens vanbinnen gebeurde er iets met hem’; ‘ergens hoopte ze dat het hem niet zou zijn’).

Dat zo’n vaagheid niet eens misstaat in dit verhaal, zegt genoeg over het ontbreken van verbaal spektakel. Een prestatie, in zo’n ongewoon verhaal. Soms weet Bernlef met weinig middelen weinig uit te drukken, alleen kijken we daar minder van op.

Aan de bloemlezing met verhalen Het begin van tranen, die tegelijk met het geschenk verschijnt, voegde Bernlef twee nieuwe toe: een oud-souffleur zit tussen dementerende bejaarden en bedenkt dat het net acteurs zijn die hun tekst vergeten zijn; en een man die na een hersenbloeding zijn spraakvermogen kwijt is, krijgt een Lucia de B-achtige verpleegster tegenover zich die opbiecht al veertien patiënten te hebben geholpen, naar gene zijde.

Daarop staat de verteller zich dit binnenpretje toe – en grinnikt u maar even, zo’n dolle boel is het bij Bernlef meestal niet: ‘Voor een keer kwam het goed uit dat ik met stomheid geslagen was.’

Arjan Peters

Meer over