Almere gaat de lucht in

Almere, de snelst groeiende gemeente van Nederland, wacht een rigoureuze metamorfose. Het bureau OMA van architect Rem Koolhaas ontwierp een 'masterplan' dat de ruime, groene polderstad in een compacte metropool moet veranderen, met een heuse skyline van woontorens....

Het gebeurt niet vaak, maar soms vertelt een marketingslogan de waarheid en niets dan de waarheid. 'Almere heeft geen geschiedenis en heeft die ook niet nodig', jubelt de Dienst Stadscentrum in een rijk geïllustreerde brochure. Zonder gêne, want Almere schrijft zélf geschiedenis.

Met een nieuwe binnenstad bijvoorbeeld, volgens een masterplan van het in Rotterdam gevestigde Office for Metropolitan Architecture (OMA) van Rem Koolhaas. Dat ontwerp van Koolhaas en zijn medewerkers - maquettes, teksten, bouwtekeningen en gemanipuleerde lichtbeelden - is sinds vrijdag te bezichtigen in het Nederlands Architectuur Instituut, ook in Rotterdam.

Het is, curieus genoeg, de eerste tentoonstelling die het NAi aan de internationaal geziene architect wijdt. Zoals het ook een primeur is dat Koolhaas in Nederland een groot stedelijk project mag realiseren. Het stadshart van Almere gaat de komende jaren voor 2,5 miljard gulden de lucht in en krijgt er onder zijn regie een stevig uitgaans- en winkelcentrum bij.

Floris Alkemade, die eerder het ontwerpteam van Koolhaas voor het nieuwe stationsgebied in Lille leidde, brengt nu zijn dagen door in Almere. In De Paviljoens, een expositieruimte in het wat levenloze stadshart, legt hij met lichtbeelden en stevige gebaren uit hoe Koolhaas' plannen passen in de geschiedenis van de snelst groeiende stad van Nederland. Of daar juist haaks op staan, want toen Almere werd ontworpen, 'was stedelijkheid een verdacht begrip in Nederland'.

Alkemade: 'Vrijwel elke stad kent een oudere historische kern met daaromheen een patroon van uitbreidingswijken dat op een stelsel van jaarringen lijkt. Almere is in de omgekeerde volgorde gebouwd, als een meerkernige, landelijke stad waarin elke kern zijn eigen centrum en gemeentehuis zou krijgen. Hoge gebouwen in grote dichtheden waren er niet of nauwelijks in opgenomen.'

Alkemade zegt het alsof hij door een licht gevoel van afgrijzen wordt overmand. Toch kan ook hij niet ontkennen dat het stedenbouwkundige plan van de toenmalige Rijksdienst IJsselmeerpolders ook grote verdiensten had.

Hier werd, voortbordurend op de opvattingen van de grote Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright, een stad in het groen opgetrokken. Een stad waar vrijwel iedereen een huis met een tuin zou krijgen. Waar automobilisten, fietsers en voetgangers hun eigen territorium kregen en waar het openbaar vervoer dankzij een stelsel van vrije busbanen een bijzondere plaats innam.

Almere werd een succesformule. Maar terwijl in de jaren tachtig en negentig tienduizenden inwoners van Amsterdam, Hilversum en andere steden in de omgeving een nieuw huis temidden van het koolzaad verkozen, bleef Almere met het negatieve imago van een 'slaapstad' kampen.

Ook bij de nieuwe bewoners. Die klaagden over gebrekkige voorzieningen en zetten hun jonge stad te kijk toen ze bij herhaling voor Janmaats Centrumdemocraten kozen - alsof ze wilden onderstrepen dat ze vooral uit rancune uit de oude stadswijken waren vertrokken en dat 'die Turken' ook in Almere niet welkom zouden zijn.

Een deel van randstedelijke elite mocht eveneens graag op Almere afgeven. Regen en rijtjeshuizen, aangeharkte tuintjes en winderige lege plekken figureren in menige beschrijving van een retourtje naar de polder. 'Geef mij maar een echte stad, met zijn mensenmassa's, zijn snelheid, gevaren, cultuur en onvoorspelbaarheid', zo zou je de teneur van de kritiek kunnen samenvatten. In de publieke opinie bleef Almere een dorp op stadsformaat.

Maar dat verandert, getuige de tentoonstelling in Rotterdam. In het Architectuurinstituut worden weliswaar vooral de grootstedelijke plannen van Koolhaas in het zonnetje gezet en níet de tuin- en carportcultuur van de modale Almerenaar, maar die komt aan bod in het jongste nummer van Archis, het architectuurtijdschrift van het NAi.

'Een les', noemt hoofdredacteur Ole Bouwman Almere zelfs. Beter een handvol goed doordachte Almeres, zo luidt de boodschap, dan de rafelranden die nu overal bij bestaande stads- en dorpskernen verschijnen.

Almere als rolmodel voor de inrichting van Nederland? Er is iets voor te zeggen. De stad is vanaf de eerste heipalen in 1975 een proeftuin voor ontwerpers geweest. Dat heeft, naast een onvermijdelijke hoeveelheid lelijkheid, ook prachtige woningen en wijken opgeleverd.

Experimenten worden in Almere nooit geschuwd. Zo krijgt de stad over een paar jaar een luxe woonwijk waarin het 'wilde wonen' van architect Weeber in praktijk wordt gebracht. 'Liberaal-democratisch wonen', noemt Weeber dat inmiddels zelf. Het zijn woningen waarvan de toekomstige bewoners zelf de indeling bepalen. Architecten en projectontwikkelaars zorgen daarbij voor een verantwoorde buitenkant die in de omgeving past, opdat de 'witte schimmel' van boerderettes en cataloguswoningen wordt vermeden.

In Almere, zo propageert een tekst op het stadhuis, is het niet alleen aangenaam wonen, maar ook goed winkelen en werken. Dat laatste is nog wat optimistisch. 60 Procent van de beroepsbevolking werkt buiten de stad en zit dagelijks in de file op weg naar huis of kantoor. Ook voor een avondje uit of een middagje winkelen geven velen de voorkeur aan Amsterdam boven de plaatselijke middenstand.

Maar ook daarin komt verandering, in innige samenwerking tussen gemeente, projectontwikkelaars en architectenbureau. Ten noorden van het centraal station in Almere-Stad wordt een hoogbouw zakencentrum gebouwd, waarin onder meer de lease-afdeling van ABN-AMRO, een World Trade Center en een ICT-centrum onderdak krijgen. Het treinstation wordt drastisch vernieuwd en uitgebreid.

Het pièce de résistance van Koolhaas' masterplan is het ambitieuze winkel- en uitgaanscentrum in het zuiden van de stad. Daar komt aan het Weerwater, een binnenmeer ter grootte van de Kralingse plas in Rotterdam, een heuse skyline van woontorens, een hotel, een popzaal en een deels in het water gebouwd theater. Het museum wordt wellicht gewijd aan niet-westerse moderne kunst, maar over de plannen wordt nog druk geredekaveld.

Dichter bij het bestaande centrum verrijst op een langzaam oplopend 'verhoogd maaiveld' een nieuw stadskwartier. Op het onderste niveau bevinden zich wegen, een busbaan en een stelsel van parkeergarages. Daarboven komt een voetgangerszone met een megabioscoop, winkels en een warenhuis.

En alsof het niet op kan worden daarop nog eens woningen gestapeld. Geen treurige blokkendozen met balkonnetjes, maar bijvoorbeeld patiowoningen die in de nieuwe grootsteedse cultuur toch weer naar het suburbane karakter van de rest van de stad verwijzen.

Floris Alkemade, die als projectleider al bijna tien jaar met Koolhaas samenwerkt, legt nog eens uit wat de pluspunten zijn van de nieuwe, gelaagde wijk.

'We hebben bewust gebroken met het huidige rechttoe-rechtaanpatroon van Almere. Het centrum had behoefte aan een nieuwe identiteit. En, volgens de gemeente, vooral ook aan gezelligheid. Daarom hebben we, anders dan elders in Almere, gestreefd naar een heel dicht bebouwingspatroon. Ook het winkelen, uitgaan en wonen zijn met opzet dicht op elkaar gepland. Zo krijg je telkens een nieuwe stroom van mensen in de stad.

'We hebben dat bereikt door als het ware twee steden over elkaar heen te leggen. De onderste is er voor de wegen, de bevoorrading van de winkels en het parkeren. De bovenstad wordt helemaal voor de voetganger ingericht en krijgt een verrassend patroon van straten en pleinen, enigszins vergelijkbaar met een middeleeuwse stad.'

Vriend en vijand roemen de radicaliteit van Koolhaas' centrumplan. Almere heeft, als het over zes jaar af is, vast en zeker een andere identiteit. Maar welke? Jaap Jan Berg van het lokale architectuurcentrum CASLa is toch enigszins beducht voor een 'Hoog Catharijne-effect', het winkelcentrum in Utrecht dat na dertig jaar verbouwd moet worden omdat het er in de avonduren zo onheilspellend is.

Ook een lokale bouwmeester, die wegens zijn betrekking bij de gemeente anoniem wil blijven, wijst op het risico van vrijwel lege winkelstraten en duistere parkeergarages. 'Doordat allerlei nieuwe centrumvoorzieningen (het theater, het hotel en de popzaal) ver van de oude uitgaansgelegenheden worden gesitueerd, zullen in de nieuwe en de oude stad net te weinig mensen aanwezig zijn om er een gezellige, veilige stad van te maken.'

De gemeente en projectontwikkelaar MAB zijn daar niet bang voor. Almere heeft nu 136 duizend inwoners, maar dat zijn er in luttele jaren 175 duizend en daar hoort een 'stevig' stadscentrum bij.

Alkemade maakt zich evenmin zorgen. 'Het probleem van Hoog Catharijne is dat het niet aansluit en je het maar via een paar trappen kunt bereiken. In ons plan kun je het winkel- en uitgaansgebied dankzij het geleidelijk oplopende maaiveld juist zonder onveilige passages bereiken. En die parkeergarage ontwerpen we niet voor niets zelf. Dankzij een groot aantal vides, een supermarkt en brede trappen wordt dat heus geen duistere onderwereld.'

Elders in de stad kun je op, alweer, een gemeentelijke gevel lezen dat het Koolhaas en Alkemade vooral om de 'onvoorspelbare' ontmoetingen gaat. Junks, bedelaars en tasjesdieven horen daar in Almere vast niet bij.

Meer over