Allesomvattende islam is een mythe

S AMUEL HUNTINGTON heeft na het einde van de Koude Oorlog een 'clash of civilisations' voorspeld tussen onder andere de christelijke/westerse wereld en de islamitische wereld....

Halliday poogt in deze verzameling essays de stelling te ontkrachten dat het Midden-Oosten uniek zou zijn, geheel anders dan de rest van de wereld en onbegrijpelijk voor buitenstaanders. Hij doet dat door de regio te bekijken in de bredere context van de internationale politiek. Volgens Halliday ligt de bijzonderheid van het Midden-Oosten in de manier waarop de sociale formaties zich hebben gevormd. Maar dit 'historisch particularisme' dient met een 'analytisch universalisme' bestudeerd te worden.

Aan de hand van de Iraanse revolutie van 1978 probeert Halliday duidelijk te maken dat het niet mogelijk is de islam als verklaringsmodel te gebruiken. Zo ligt de oorspronkelijkheid van de Iraanse revolutie niet in het traditionele, religieuze karakter ervan, noch in het moderne karakter van de massale protestbeweging gedragen door verschillende sociale groepen, maar in de combinatie van de twee. Er waren veel 'algemene' eisen die in de meeste moderne revoluties geuit worden, zoals herstel van de nationale onafhankelijkheid, herverdeling van rijkdom en bestraffing van corruptie. Pas later kreeg de religieuze component de overhand, maar, benadrukt Halliday keer op keer, dat betekent niet dat Iran een staat is waar alles uit religieus oogpunt te verklaren is.

Veel van de politieke besluitvorming heeft niets met de islam te maken en met name de desastreuze economische situatie van Iran heeft duidelijk gemaakt dat er niet zoiets bestaat als een islamitische economie. Ook de Rushdie-affaire wil Halliday eerder zien als een poging van Khomeini om zich als leider van de islamitische wereld naar voren te schuiven en zo zijn Saudische rivalen de pas af te snijden dan als een daadwerkelijke religieus gemotiveerde daad.

De titel van het boek verwijst naar de mythe die aan beide zijden in stand wordt gehouden: door diegenen in het Westen die de islamitische wereld als een belangrijke vijand willen zien, en door diegenen in de islamitische landen die voorstander zijn van een confrontatie met de westerse wereld. Voor- en tegenstanders van de islamitische beweging vinden elkaar in de stelling dat de islam een allesomvattend, onveranderlijk systeem is, dat door de eeuwen heen in alle samenlevingen de houding van de verschillende volkeren tegenover politiek, seksualiteit en maatschapij heeft bepaald. Beide groepen delen de visie van een historisch vastgelegde, essentiële islam die alles bepaalt wat moslims zeggen en doen, en wat zij zouden moeten zeggen en doen.

Halliday wijst er terecht op dat geen enkele religie, islam inbegrepen, een vast menu van moreel, politiek en sociaal gedrag is, maar dat iedere religie binnen bepaalde grenzen een à la carte keuze biedt, variërend met sekte, tijd en context, als het al niet van individu tot individu verschilt.

Een ander schoolvoorbeeld waarin voor- en tegenstanders van de islamitische beweging elkaar vinden, is de kwestie van islam en democratie. Vaak wordt in het Westen gesteld dat democratie en islam niet verenigbaar zijn met elkaar, iets dat Khomeini en het Saudische vorstenhuis ook vinden. Halliday benadrukt dat de barrières tegen democratie in islamitische landen vooral te maken hebben met de sociale en politieke kenmerken van de desbetreffende landen: werkloosheid, een traditie van almachtige staatscontrole, de afwezigheid van een tolerante politieke cultuur en het ontbreken van een scheiding tussen staat en islam.

'Geen secularisering, geen democratie', aldus Halliday, en hij wijst fijntjes op de voorbeelden uit de islamitische geschiedenis waarin sprake is geweest van een scheiding tussen religie en politiek. Niets zou dus een hedendaagse secularisering in de weg moeten staan, ook al willen fundamentalisten en hun ideologische tegenhangers in het Westen ons anders doen geloven.

Ten slotte wijdt Halliday zijn aandacht aan de kwestie van de mensenrechten. Veel islamitische landen doen de mensenrechten af als een typisch westers product. Zij vinden medestanders in de cultureel relativisten in de westerse wereld. Halliday beschrijft de pogingen die in het Midden-Oosten zijn gedaan om tot een islamitische variant van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te komen, maar hij stelt duidelijk: de oorsprong van een idee doet niets af aan de universele geldigheid daarvan.

In het verlengde hiervan ligt het 'orientalisme-debat', waarbij Halliday niet nalaat beide partijen een draai om de oren te geven. Deze discussie werd in 1978 door de Palestijns-Amerikaanse hoogleraar Edward Saïd in gang gezet met zijn roemruchte studie Orientalism, waarin hij stelt dat westerse geschriften over het Midden-Oosten zowel het product zijn van de onderdrukking van het Midden-Oosten door datzelfde Westen, als een instrument in dat proces.

Halliday wijst zowel de zienswijze van Saïd af als die van diens belangrijkste tegenstander Bernard Lewis, die hij een overmatige concentratie op taal en religie verwijt. Hij beschuldigt beiden ervan zich meer om het onderlinge debat te bekommeren dan om de studie van het Midden-Oosten en diens bewoners, en dat is hetgene waarover het volgens hem zou moeten gaan.

Charles Schoenmaeckers

Fred Halliday: Islam and the Myth of Confrontation - Religion and Politics in the Middle East.

I.B. Tauris, import Nilsson & Lamm; 255 pagina's; * 41,95.

ISBN 1 85043 959 1.

Meer over