Alles zoop en n...

Non-fictie Piet Calis, literatuurhistoricus, leidt een smeuïge rondgang onder de gordel van de literatuur.Door Aleid Truijens..

Aleid Truijens

We schrijven 1965. ‘vraagt ene jongetje andere jongetje:/ ‘weet jij het verschil/ tussen een condoom en een dinky toy?’/ zegt andere jongetje: ‘wat is dat, een dinky toy?’

Dit is geen mop, maar een gedicht – van de goeiige C. Buddingh’. Hij behoorde tot een groep dichters rond het tijdschrift Barbarber, die de poëzie van het alledaagse ontdekten. Ze hebben school gemaakt, de Barbarber-jongens. Nog altijd is het een ontdekking: als je een willekeurige tekst in stukjes hakt, onder elkaar zet en hier en daar witregels plaatst, ontstaat er je reinste poëzie. Vorige week kwam er nog een dichtbundel uit waarin het opgewonden geschreeuw van voetbalcommentatoren tot poëzie werd verknipt. De ready-made is eindeloos produceerbaar.

Maar om die briljante ontdekking ging het de meeste literatuurcritici in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog niet. Ze verstijfden bij een woordje als ‘condoom’ in een anekdotisch versje. Dit was immers de hoge literatuur, hun domein. Ze spraken schande van de dichtregels ‘Alles zoop en naaide/ heel Europa was één groot matras’, waarmee Remco Campert in 1962 de euforie van 1945 beschreef – onder de feestvierders ontbrak trouwens zijn in 1943 in Neuengamme omgekomen vader. Dat feit ontging de woedende critici, net zoals het ironische vervolg van het gedicht: ‘En ik bedeesde jongeling/ moest nodig/ de reine berk bezingen.’

In de Volkskrant werd ‘naaide’ omschreven als ‘een handeling waar wij het voortbestaan van de wereld aan te danken hebben’; de Haagse Post verving het vreselijke n-woord door puntjes. Piet Calis, literatuurhistoricus en Vondel-biograaf, belooft over Venus in minirok, dat gaat over seks in de literatuur na 1945: ‘Dit boek gaat over die puntjes.’

Het boek had ook met gemak alleen over die getekende naoorlogse jeugd kunnen gaan, die losbrak zodra ze de kans kreeg. Ze hadden als kind het kwaad aan zet gezien. Ze hadden bommen zien vallen op hun stad, ze zagen vriendjes opgepakt worden, soms kwamen ouders of grootouders nooit meer terug. Eenmaal volwassen constateerden ze dat fatsoen en beschaving geen bescherming boden, en veegden er hun kont mee af.

De rebellerende dichters werden door de ouderen, die liefst met frisse moed het leven oppakten, totaal niet begrepen. Reve, Hermans, Mulisch, Campert, Lucebert – ze zijn nog altijd bepalend voor de Nederlandse literatuur. Schrijvers die nu debuteren, lazen deze aartsvaders op school, en leerden over hun drijfveren uit Calis’ veelgebruikte literatuurgeschiedenisboek Het spel en de knikkers.

Maar zo’n boek over de roemruchte schrijvers van ‘vijftig’ en ‘zestig’ heeft Calis nu niet willen schrijven. Nu wil hij, schrijft hij in de inleiding, laten zien ‘welke veranderingen op het gebied van de seksualiteit in de laatste vijfenzestig jaar hebben plaatsgevonden’. Die veranderingen beschrijft hij aan de hand van poëzie, romans en toneelstukken van na 1945, omdat hij meent ‘dat literatuur een van de beste manieren is om de polsslag van de tijd te meten’.

Literatuur als illustratie bij de geschiedenis dus. Dat literatuur niet één-op-één de werkelijkheid verbeeldt en dat niet iedere schrijver meedeint op de ‘polsslag’ van de geschiedenis, weet Calis, gezien zijn eerder werk, als geen ander. Schrijvers kunnen dwars tegen de tijdgeest ingaan, nostalgisch terugverlangen, hun generatiegenoten bespotten, enzovoort. Maar Calis lijkt bij dit boek nu eens precies te doen waar hij zin in heeft, en niet wat zijn vak van hem eist. Hij pakt de lezer bij de arm voor een smeuïge rondgang onder de gordel van de literatuur.

Hij koos niet voor een chronologische, maar voor een thematische benadering. Onder hoofdstuktitels als ‘Rituelen der eenzaamheid’ (masturbatie), ‘Uit de kast’ (homoseksualiteit) en ‘All in the family’ (incest) brengt hij goedgekozen fragmenten bijeen, die hij met kennis van zaken becommentarieert.

Hij kiest niet de geijkte passages. Bij Gerard Reve bijvoorbeeld citeert hij geen beschrijvingen van getuchtigde jongensheuvels maar een aangrijpende passage uit De avonden waarin Frits zijn speelgoedkonijn knuffelt, terwijl hij kijkt naar een jongen aan de overkant, die zich uitslooft voor zijn meisje. Mooi is het fragment uit Een tevreden lach van Andreas Burnier, waarin de jonge hoofdpersoon, verkleed als jongen, in pak, met pijpje en toneelbril, naar het café gaat, maar meteen wordt ontmaskerd: ‘Je bent een meisje, hè?’

Calis (1936), maakte de beschreven tijd zelf mee, dat scheelt. De thematische aanpak heeft als voordeel dat we telkens helemaal in de sfeer komen, en de passages goed kunnen vergelijken. Het nadeel is dat de historische lijn vervaagt. We krijgen in elk hoofdstuk steeds weer de gang van de preutse, brave jaren vijftig, via de alles-moet-kunnen-tijd van communes en partnerruil en de streng-feministische leespolitie naar ons verwarde heden, waarin alles kan, maar we niet meer weten wat ons gelukkig maakt. Calis praat zijn fragmenten als een zwierig causeur aaneen. Dat levert een zeer onderhoudend boek op.

Zijn invalshoek heeft wel beperkingen. Calis citeert een lachwekkende passage uit De liefde van Bob en Daphne van Han. G. Aalberse, een boek dat in 1955 uit de handel werd genomen, omdat justitie het verhaal over twee verliefde pubers ‘aanstootgevend’ vond. De 16-jarige Bob betast het maagdelijke lijfje van de 12-jarige Daphne: ‘Mag het treintje door de tunnel?’ Het drakerige werkje werd een bestseller. Calis signaleert de hypocrisie van Aalberse, die zei opvoedkundige bedoelingen te hebben: ouders moesten weten wat hun kinderen uitspookten. Maar hij leest het boek niet met een hedendaagse blik.

Wie dat wel doet, stuit op passages waarin niet een puberpersonage, maar de verteller zich verlustigt aan kinderen. Over een zesjarige: ‘Van dit kind ging iets heel aantrekkelijks uit. () In en bij de school had ik nog nooit zo’n smaakvol broekje gezien, dat zo’n royale blik gunde op het interessante bewegen van pezen en spiertjes in de liezen.’ Bob wordt op reis gestuurd met een oudere homo, die zich onbekommerd aan hem vergrijpt; zijn vader hoort hem bij thuiskomst gretig uit en geeft hem als speeltje Daphne, een meisje ‘uit het volk’. Bij zulke pedo-ranzigheid zouden nú veel wenkbrauwen rijzen.

We worden niet almaar ruimdenkender. Iedere tijd heeft zijn taboes. Leraren merken dat het behandelen van boeken als Jan Wolkers’ Turks fruit en Gerard Reves De vierde man in allochtone schoolklassen nu op meer weerstand stuit dan in de jaren zeventig. Zo laat de veranderende tijdgeest zich goed betrappen. Maar dat paste niet in de opzet van dit boek.

De mooiste hoofdstukken zijn die waarin het thema ongeveer samenvalt met de tijd. Schokkend om te lezen hoe in 1949 de roman Eenzaam avontuur van Anna Blaman, waarin de verlangens van een lesbisch meisje kuis worden beschreven, op een ‘Boekentribunaal’ wordt weggehoond. Zó kort na de boekverbrandingen door de nazi’s en het uitmoorden van homo’s – ongelooflijk. Hier is Calis, die vertelt, citeert en duidt, echt op dreef als literatuurgeschiedschrijver, een vak dat hij beheerst als weinig anderen.

Meer over