Alles werd opgetild

Iedere kunstenaar wordt geïnspireerd door een andere kunstenaar. Deze week: cellist Pieter Wispelwey over choreograaf Jirí Kylián...

Het was eigenlijk een vreselijke ervaring. Cellist Pieter Wispelwey, voor enkele optredens in New York, zat in de donkerte van de Brooklyn Academy of Music te kijken naar de Black and White Ballets van de choreograaf Jirí Kylián en werd overvallen door een beklemmende gedachte: dit overstijgt de beleving in de concertzaal.

Dit is superieur aan muziek!

Hij had eerder al eens voorzichtig toenadering gezocht tot de dans. Toen hij solosuites van Benjamin Britten speelde, hadden toehoorders hem herhaaldelijk gewezen op de beeldende kracht ervan. Hij schreef een peilend briefje aan Ed Wubbe – of was het Nils Christe, het is hem ontschoten. Zou het niet aardig zijn daar een choreografie op te maken? Een vriendelijke reactie kwam retour, maar zonder vervolg. Hij had ook met een Israëlische danseres een korte film gemaakt op een suite van Bach.

Maar die avond in New York, in 1995, was veel, zo niet alles aan het wankelen gebracht. Zeker, er kwam veel muziek voorbij: Mozart, Haydn, Webern, minimal music, synthesizers. Maar in de handen van Kylián en zijn lichtvoetige ensemble van het Nederlands Dans Theater verveelvoudigde de zeggingskracht van dit palet. Hij aarzelt even om grote woorden te gebruiken, het is per slot van rekening maar kunst natuurlijk, maar het was nu eenmaal zijn ervaring: alles werd opgetild.

Er was een parallel universum ontstaan.

Tja, dan ga je relativeren. Wat doe jij dan met je noten? Je houdt ze kort aan, of lang. Je speelt ze hard of zacht. Het tempo wisselt. Soms heb je wel twéé noten op zijn instrument, in dubbelgreep.

Vergelijk dat eens met de choreograaf. Wat heeft die wel niet tot zijn beschikking? Ontelbare houdingen, gebaren, posities, snelheden.

Die avond in de BAM buitelden de associaties over elkaar heen. Eerst zie je in de sabels die de dansers hanteerden de voor de hand liggende symboliek, de agressie of de fallus, maar gaandeweg wordt er een wolk aan betekenissen zichtbaar; hij kan ze niet benoemen, het is ongrijpbaar. Het schrijnde, dat weet hij wel, zoals goede kunst moet schrijnen. Hier waren het leven en de dood aan de orde. Hij heeft er wakker van gelegen.

Het was niet voor het eerst dat kunst hem volledig van zijn stuk bracht. Zijn lerares, Dicky Boeke, maakte hem niet alleen wegwijs op de cello, maar opende ook deuren naar opera, literatuur en, zeker, ook dans – als tiener was hij met haar mee geweest naar Kyliáns Soldatenmis en Psalmensymfonie; prachtig was het, maar nog niet verpletterend.

Vuistslagen kwamen op andere momenten. Slapen kon hij niet van Bachs cellosuites in de uitvoering van zijn latere leermeester Anner Bijlsma in de Waalse Kerk in Amsterdam. Zijn instrument raakte hij nog maar nauwelijks aan, toen hij aan het oeuvre van Couperus begon. De sopraan Gwyneth Jones achtervolgde hij als jongeling voor haar rol als Isolde in Wagners Tristan und Isolde tot in Brussel. In de toen nog aftandse Munt was hij na afloop naar de bovenste verdieping geklommen, waar de diva zich voor een gebroken spiegel al zat af te schminken, om haar een briefje te overhandigen waarin hij zijn bewondering uitte. Zij gaf hem een foto met handtekening. Drie maanden later kwam er nog een officiële reactie op zijn muzikale liefdesverklaring: dezelfde foto met een handtekening.

Ook Kylián krijgt in New York een briefje van Wispelwey. Hij schreef het in de nacht na de voorstelling. Met pen en papier kun je tenminste nog proberen te formuleren wat er in hemelsnaam was gebeurd in die zaal.

Hij wordt aan Kylián voorgesteld, hij weet niet of de choreograaf wel eens van hem heeft gehoord. Maar hij is aimabel, herinnert de musicus zich, een en al glimlach. Ze staan buiten, Kylián wil nog even roken voor de voorstelling. Naast de brief, waarin hij meldt dat hij na het zien van het ballet sterk overweegt zijn cello voorgoed aan de wilgen te hangen, overhandigt hij toch maar zijn twee laatste cd’s; hij had wel eens gehoord dat de Tsjech altijd zoekt naar muziek en geluiden die sferen kunnen oproepen. Het is een bedekte toespeling op samenwerking.

Dat Kylián in zijn oriëntatie op muziek wel eens is verweten dat hij aan micky mousing doet – een pas op elke noot – zou hij pas later vernemen. Het doet he-le-maal niets af aan zijn ervaring in Brooklyn. Als hij iemands genialiteit heeft gezien, is hij discipel. Dan belandt het kritisch vermogen op een laag pitje, wel zo aangenaam.

Na twee weken komt er al een verzoek binnen van het NDT. Wispelwey zal kort daarop het danspodium beklimmen met een sarabande van Bach in Kyliáns Arcimboldo; hij moet op in korte broek. Drie jaar later volgt One of a kind, geschreven ter gelegenheid van 150 jaar Grondwet, waarbij de cellist in drie aktes achtereenvolgens voor, op en bijna achter het podium speelt, en de choreograaf volgens de critici nieuwe wegen inslaat: ‘onvoorspelbaar’, ‘weerbarstig’. Het stuk trekt verspreid over enkele jaren nagenoeg alle continenten over, en Wispelwey gaat mee. Afgelopen maand speelde hij het nog in Frankrijk, dit keer is het Ballet de l’Opéra de Lyon het dansgezelschap.

Het is die weerzin tegen de conventies die ze gemeen hebben. Lak aan de regels. Wispelwey speelt oude muziek op darmsnaren, maar als de omstandigheden daarom vragen – grote zaal, beroerd klimaat – dan spant hij gerust stalen exemplaren op zijn Guadagnini uit 1760. En verder: interpreteren staat vrij. Bach, Beethoven, Schubert, Strawinsky waren per slot van rekening ook geen nette meneren, bij hen stormde ook de revolutie in de kop, dan hoef je het toch niet volgens de dictaten van toen uit te voeren. Dan is de kwalificatie ‘ondeugend’ die een Duitse krant onlangs gebruikte toen hij Haydn had gespeeld, een ontzaglijke belediging.

Over de bejegening van de dansers tijdens One of a Kind door Kylián kan Wispelwey nauwelijks getuigen. Hij was niet vaak bij de repetities. Natuurlijk zullen zich drama’s hebben afgespeeld, het stuk kwam na zware weeën tot stand, de Japanse componist werd drie maanden voor de première aan de dijk gezet wegens gebrek aan chemie met de choreograaf, waarna de met Wispelwey bevriende Australiër Brett Dean het karwei afmaakte. Maar hij heeft zich in de dagen met het NDT in het paradijs gevoeld. Het zijn idealisten, die dansers. Tot aan hun veertigste verdienen ze geen droog brood, daarna zijn ze een wrak. Maar een tijdloze euforie is altijd tastbaar in het theater, hij proefde bij Kylián een eindeloze stroom inspiratie tot creëren. En niets ontgaat de meester: de draai van de hand, zelfs de kromming van de vinger. Kylián doet het allemaal zelf voor ook. Het is een arts die de medische encyclopedie uit zijn hoofd kent, een jurist die het wetboek citeert.

Met de cellist, die gedeeltes moest improviseren, bemoeide de choreograaf zich nauwelijks. Een enkele keer was er het verzoek of het wat langzamer kon. Heel af en toe, na een geslaagde passage, was er een knipoog.

Die was er niet, althans niet zichtbaar, toen Wispelwey op de 50ste verjaardag van Kylián Bachs Allemande speelde – de choreograaf zat geblinddoekt op een troon in de zaal. Maar nu hij erover heeft: zelf wordt hij in 2012 50, hij denkt aan een feest in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Een kwartiertje Kylián, dat zou wel fantastisch zijn.

Meer over