'Alles went, Haarlem ook'

Het oude jaar werd voor elke rechtgeaarde Haarlemmer uitgeluid op een wijze die de 'Damiaatjes' in de toren van de Sint Bavo op de Grote Markt niet hadden kunnen verbeteren: Haarlem werd in een onderzoek van de Volkskrant gekroond tot de beste plek om te leven in Nederland in vergelijking...

Dit is dat Haarlem dan, hetgeen ik mij verbeeldde

Als vol van welvaart, rust, en ziels genot, een weelde!

Een omtrek van een stad, die om danst in heur wal,

Van wildernis vervuld, en afbraak, en verval:

Een lucht wier helle klank mijn her sens steeds doet trillen;

Vol raatlend straatgewoel, bij nacht noch dag te stillen:

Vol stemmen, voor het minst als dondrend wolkgekraak,

Drie ladders hoger dan gewone men senspraak.

Ook Harry Mulisch, in 1927 in Haarlem geboren op het adres Westerhoutpark 16, had zo zijn eigen gedachten. In 1964 kenschetste hij Haarlem in een radiovoordracht als volgt: 'Haarlem is de negerwijk van Amsterdam. Iedereen kijkt er zwart. Dat dit niet bijdraagt tot de kleurigheid van het stadsbeeld laat zich horen. Tevergeefs proberen de Haarlemmers hun zwartgalligheid achter bloementooi te verbergen. (. . .) De stad is dan ook omgeven door krankzinnigengestichten: uitgestrekte paviljoenen, gigantische complexen in Santpoort en Vogelenzang, waar de aap uit de Haarlemmer komt.'

En van Theo Thijssen, die in Haarlem naar de kweekschool ging, is de uitspraak: 'Alles went, Haarlem ook.'

De citaten zijn afkomstig uit de Literaire wandelgids van Haarlem van Wim Vogel, een olijk geschreven en met een rijkdom aan anekdotes opgetuigd vademecum voor wie de sporen van tout letterkundig Haarlem ter plekke wil gaan bekijken (Schuyt & Co; ¿ 37,50). Maar ook zonder een daadwerkelijke voettocht laat het boek zich lezen als een vermakelijk doorkijkje in het literaire leven van Nederlands beste provinciestad. De nadruk ligt daarbij vooral op het verleden, want daaraan vooral heeft Haarlem zijn culturele faam te danken.

Behalve Bilderdijk en Mulisch passeren tal van auteurs de revue. In willekeurige volgorde: Jacobus van Looy, Hans Keller, Cherry Duyns, Coornhert, Conrad Busken Huet (predikant in Haarlem van 1851-1862), Louis Ferron, Johan Huizinga (jong geschiedenisleraar aan de hbs), Lennart Nijgh, Adriaan Loosjes (grote man van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen), Frédéric Bastet, Lodewijk van Deyssel (Alberdingk Thijm), de grootvader van Simon Vestdijk die een gymnastiek- en dansschool stichtte (een oud-leerling: 'Bij de dansles zat de heer Vestdijk voor dit toestel en daar moesten al de kleine jongens en meisjes hem een kus brengen'), A.C. Kruseman, Nicolaas Anslijn (schrijver van De brave Hendrik), Harry Prenen, Jan de Hartog, Frederik van Eeden.

Haarlemse humor werd vooral bedreven door Godfried Bomans. Deze Dickens-adept was jarenlang voorzitter van de kunstenaarssociëteit Teisterbant, die tussen 1950 en 1970 bijeenkwam in een kelderruimte van café-restaurant Brinkmann aan de Grote Markt. Harry Mulisch beschrijft in Het seksuele bolwerk wat hij een keer aantrof: 'Daar was het plotseling vol mensen en kabaal, iedereen lag krom van het lachen om een toespraak die de voorzitter aan het houden was. Omdat hij met zijn gezicht naar de ingang stond, was hij de eerste die mij zag, en met schele ogen achter brilleglazen gaf hij mij een olijke blik van verstandhouding. Ik ademde op, dit kon mij er doorheen helpen. Op twee marmeren tafeltjes, geflankeerd door kandelabers met brandende kaarsen, lag een man ruggelings uitgestrekt: een aspirantlid en hij kreeg te horen hoe zijn leven na een mogelijk, zo niet waarschijnlijke, ja vrijwel zekere afwijzing verder zou verlopen.'

Misschien wel Haarlems grootste literaire zoon was Nicolaas Beets, die in 1814 in de Koningstraat werd geboren en in 1903 in Utrecht overleed. Onder het pseudoniem Hildebrand schreef hij de Camera Obscura, die in 1839 bij zijn zwager Bohn voor het eerst verscheen en aanvankelijk weinig bij de mensen losmaakte. Alleen Busken Huet vond de Camera een 'geestige wraakoefening (. . .) van iemand die zich misplaatst gevoelde in de kring zijner geboorte'. Later werd het boek een kassucces. Vooral de typeringen van zijn stadgenoten, zoals in het verhaal 'Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout', maakten hem volgens Busken Huet tot een schrijver 'met wie men overal in de wereld openlijk voor den dag kan komen'.

Han van Gessel

Nicolaas Beets studeerde theologie en werd in 1854 dominee in Utrecht. 'Al gauw werd hij bekend door de kortheid van zijn preken, in schril contrast met enkele populaire dominees die uren konden doorspreken', schrijft F. Vogelzang in een korte levensschets van Beets, opgenomen in de tweede bundel Utrechtse biografieën (Boom; ¿ 25,-). 'Zijn kerkgangers hadden veel waardering voor zijn spreektalent: men luisterde muisstil tot het laatste woord gevallen was en het collectezakje zat altijd overvol.'

In 1874 werd Beets benoemd tot hoogleraar aan de Utrechtse universiteit; drie jaar later was hij rector magnificus. 'Beets legde in zijn colleges de nadruk op de vorming van het karakter van zijn studenten. Hij was al tevreden als een student op tentamen een figuur in begin, midden of einde van een eeuw kon plaatsen en raadde ter voorbereiding van het tentamen aan de bijbel te lezen en het eigen hart te beluisteren.'

Utrechtse biografieën 2 bevat portretten van zeer uiteenlopende Utrechters: van de eerste aartsbisschop Willibrord (benoemd in 695) tot kardinaal Alfrink, van de goochelaar Fred Kaps tot de voetballer Cor Luiten, en van de vakbondsleider Jan Oudegeest tot de kastelein Dries de Winter ('Dikke Dries'). Opmerkelijk is de aanwezigheid in de portrettengalerij van de Franse generaal Pichegru, die in 1795 'triomferend door de Tolsteegpoort de Domstad binnen (trok)' en er enkele weken verbleef. R. de Bruin legt uit waarom zijn nagedachtenis wordt geëerd: 'Zijn succesvolle militaire opmars ontketende de Bataafse revolutie, die een eind maakte aan de regentenoligarchie.'

Han van Gessel

Meer over