'Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij'

Afgelopen zondag moesten de gelovigen van de Full Gospel Tabernacle Church in Memphis, Tennessee, het zonder hun favoriete predikant stellen....

HOEZO twee banen, zegt Al Green. Hij heeft er veel meer. Bovenal is hij predikant, maar daarnaast is hij ook nog 'entertainer, zakenman, muziekuitgever, geluidstechnicus, producer, songwriter. . , shall I go on?' Dat waren er al zeven, heeft hij in de gauwigheid geteld op z'n lange vingers met hier en daar een pluk goud en wat gesteente. En dan heeft hij zanger voor het gemak maar even vergeten.

Het is zondag, kerkdag, en Al Green is zojuist uit Londen komen vliegen voor het North Sea Jazz Festival. De gemeente thuis in Memphis, Tennessee weet hij veilig in de handen van zijn vervanger dominee Valentine. Maar hij weet ook, zevenenveertig jaar oud en wijs geworden, dat vele van zijn trouwe kerkgangers vandaag op hun schreden terug zullen keren, wanneer zij de stoep van de Full Gospel Tabernacle Church hebben beklommen. Die komen voor hem en en niemand anders, hij zegt het met trots en vertedering. Oh yeah!

Is de reverend Green er niet? Ook goed, dan gaan we toch vissen, op visite bij tante Martha of aan de barbecue bij mom's? De herder kent zijn schaapjes zo zoetjesaan wel; al zeventien jaar deelt hij lief en leed met hen. Toch zullen ze zeker niet nalaten te bidden voor hun voorganger die op tournee is in Europa, opdat hij ook daar het licht moge verspreiden. En soms, als de reverend even tijd heeft om naar huis te bellen, dan richten ze zich gezamenlijk tot de Here, via het internationale telefoonnet.

Hij ziet er patent uit, de soulzanger die ooit werd geafficheerd als de Prince of Love (en niet alleen omdat hij er zo mooi over kon zingen); hèt prijsdier van het Hi-label dat samen met Stax (met acts als Booker T. and the MG's, Sam & Dave) het geluid van de Memphis-soul bepaalde; begin jaren zeventig een superster in Amerika en tot ver daarbuiten hemelhoog geprezen om zijn gevoelige interpretaties, met intens gekerm en wonderschone gilletjes; bekend van liedjes als Let's stay together, Take me to the river, Love and happiness, Call me en I'm so tired of being alone.

Vorig jaar maakte hij zijn come-back met Don't look back, de eerste Al Green-cd sinds jaren die niet linea recta naar de strictly gospel-bak in de platenzaak hoefde te worden afgevoerd. Het is een verzameling van ook voor heidenen genietbare nieuwerwetse soulnummers, meegeschreven en geproduceerd door David Steele en Andy Cox van The Fine Young Cannibals. 'Heel, heel aardige jongens.' Dolgraag wilden ze met de grote Al Green werken. Goed, had hij gezegd, laten we maar eens een liedje proberen. En het werden er zeven.

Al Green weet inmiddels waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat, zoals hij het zelf uitdrukt. Was het voorheen ondenkbaar Love and happiness of I'm still in love with you op een podium ten gehore te brengen omdat een predikant dat nu eenmaal niet doet, nu heeft hij zijn draai gevonden.

Want de Heer heeft hem laten weten dat liefde hetgeen is waarmee zijn boodschapper vereenzelvigd dient te worden. En zijn opdracht luidt niet: ga heen en predik volgens Romeinen 8 of 1 Thessalonicenzen 4. Nee, ga heen en bezing de liefde zoals beschreven in 1 Korinthiërs 13:7. 'Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij.'

Het verhaal gaat dat hij eind 1974 tot het ambt werd 'geroepen' nadat zijn vriendin hem in bad op kokende griesmeelpudding had getrakteerd. Al Green leefde het leven van een ster in een huis met eenentwintig kamers omzoomd door een aardig stukje land. Zijn lief kon de poenigheid slecht verdragen en kieperde gloeiende griesmeel over zijn rug. Híj liep ernstige brandwonden op. Zíj pakte een pistool en maakte een eind aan haar leven. En hij kwam tot inkeer, na menig onderonsje met Onze Lieve Heer.

Maar over bepaalde zaken raakt een 'geroepene' uitgepraat, zijn geheugen laat hem bovendien wel eens in de steek. Zijn kindertijd? O, die was very happy en Kerstmis was altijd heel bijzonder; het probleem is dat hij hier en nu nauwelijks verder terug kan denken dan gisteravond in Londen. 'Ik hoor de muziek nog steeds in mijn hoofd.' En daarvoor was hij in Glasgow, Lyon, enzovoort.

Gospel is hem van huis uit meegegeven. Gospel was bij de Greens als een huismiddeltje, een medicijn. 'Zoals ze in de katoenvelden negro-spirituals zongen. Als je niet langer opgewassen was tegen het zware werk, dan zong je. Het is een oude remedie om de ziel te kalmeren en tot rust te komen. Bijna iedereen in onze familie zingt. Mijn vader, mijn moeder, mijn zussen, mijn kinderen. . .' Hoeveel kinderen hij heeft? That's my business.

Op zijn negende verhuisde hij van Forrest City, Arkansas naar Grand Rapids in Michigan. Grand Rapids: een klein hip stadje met zo'n tweehonderdduizend inwoners; en als Al Green a little hip town zegt, met de nadruk op 'hip' en een iets verlengde au-klank in town na een dik aangezette t, dan klinkt dat zonder overdrijving als muziek in de oren (hij hoort het zelf blijkbaar ook maar al te graag want hij blijft ze maar proeven, die woorden). Grand Rapids heeft een opwindend nachtleven en er wonen little hip people.

'Ik weet niet precies welk circuit het is, maar alle jazzbands uit New York belanden vanzelf in Grand Rapids; ze deinen mee op de stroom die van New York via Buffalo, Niagara Falls, Toronto, en Detroit naar Grand Rapids leidt. En op de een of andere manier komen ze op die golf in San Francisco terecht en weer terug.' Hij spreekt alsof hij ook de achterste bank in de kerk moet bereiken, luid en duidelijk articulerend. Onderwijl tekent hij bezwerend de golfbeweging met zijn armen in de lucht.

'So Grand Rapids is a little hip town!' En daar leerde hij zijn vrienden Palmer Jones en Curtis Rogers kennen met wie hij The Creations vormde; en het was met die band dat hij in 1967 zijn allereerste hitje scoorde, Back up train.

Als jochie luisterde hij naar Otis Redding, Jackie Wilson, Sam Cooke 'en noem ze maar op'. Hij was helemaal gek van Elvis Presley. Al zijn platen had hij, aangeschaft via de platenclub van een tijdschrift. 'Dat was voordat ik ook maar een idee had dat Memphis bestond, laat staan dat ik kon vermoeden dat ik er zelf zou gaan wonen.'

Door Willie Mitchell - trompettist, producer, componist - werd Al Green op zijn eenentwintigste in een club ergens in Texas ontdekt: Mitchell kon een ster van hem maken maar dan moest hij wel meekomen naar Memphis. 'A not so hip town', vond hij destijds. Maar nu zweert hij erbij, het leven gaat er kalm zijn gangetje, zonder gejakker en gehaast.

Memphis, Tennessee. Stad van B. B. King en Rufus Thomas. Waar duizenden dagelijks door het huis van Elvis drommen ('ik geloof niet dat hij het op prijs zou hebben gesteld, ik moet er althans niet aan denken'). En waar het Lorraine Motel te vinden is, gedenkplaats van Martin Luther King, omgedoopt tot Museum for Civil Rights.

Al Green is er nog nooit geweest. 'Vreemd genoeg, maar zo gaat dat als je om de hoek woont.' Hij moet zich bovendien hoeden voor informatie met 'so much soul, so much soul.' In het Martin Luther King Centre in Atlanta zag hij Martin's schoenen, zijn shirt, sokken, zijn laatste aantekeningen. Bijna onverdraaglijk. 'Ik ben erg emotioneel, ik ga erover piekeren, ik ga ervan dromen en het laat me niet meer los. Dus ik moet voorzichtig zijn met wat ik toelaat.'

PERSOONLIJK heeft hij weinig van de burgerrechtenbeweging gemerkt. Al Green had maar één ding aan zijn hoofd, voordat hij zijn missie van God kreeg, en dat was muziek, muziek, muziek. En als hij vroeger naar de achterdeur van een winkel werd gestuurd om een ijsje te kopen, nou dan deed hij dat met plezier, ja hoor, met intens genoegen. Want hij weet wel beter. One blood, one faith, one baptism!

En de predikant preekt. 'Ooit waren er drie jongens, drie jongens waren het die van Noachs boot kwamen, en alledrie hadden ze dezelfde vader. Allright, de een ging naar het Zuiden, de ander naar het Oosten en ook de derde vond zijn weg. Welnu, als deze jongens - Sem, Cham en Jafet - broers waren, zijn wij dan niet allen broeders en zusters? En dan mag ik wat dichter bij de zon wonen en jij wat verder weg, en dan mogen jullie dankbaar wezen voor elk sprankje zonlicht dat hier doorbreekt en wij het hele jaar door in de moordende hitte zitten, dan nog zijn wij allen broeders en zusters'

Schaakmat, zegt hij triomfantelijk, als waren we in een partij verwikkeld, en klapt blijmoedig in zijn handen. Want zo is het en niet anders. Oh yeah!

Elvis heeft hij één keer ontmoet. In het herentoilet van de Avalon Club in Memphis ('waar Ronnie Milsap is begonnen'). De club stroomde leeg omdat Elvis hem had afgehuurd voor een privé-feestje, maar Al Green was er nog. Bezig zijn handen te wassen in de heren-wc. 'Komt er een vent binnen en zegt: ''Jij lijkt Al Green wel.'' Ik zeg: ''Klopt, en jij lijkt op Presley.'' Zegt die vent: ''Ik bèn Presley.'' Gewoon twee mannen in een wc, weet je. Hij deed wat hij moest doen en ik stond daar mijn handen te wassen, pakte een handdoek, en om ons heen geroezemoes. Destijds stond ik er verder niet bij stil. Pas na zijn dood dacht ik er weer aan: hee, ik heb Presley ontmoet'

Jazeker, hij is een gezegend man. Krijgt meer dan waar een mens om kan vragen. Als predikant is hij ten langen leste geaccepteerd na jaren van geduld, doorzetten en volhouden, want gospelmensen gaan heus niet zomaar in zee met zo'n bekeerde popjongen. En andersom is het inmiddels ook tot de soulliefhebbers doorgedrongen: wie hij is en waar hij voor staat. Als hij in a far away place als Berlijn wordt onthaald als 'rrreverrend Grrreen', dan wil dat wat zeggen. You see?

Maar het mooist van al is misschien wel dat hij binnenkort voor het eerst na zeventien jaar weer met zijn ouwe maatje Willie Mitchell de studio in gaat. 'Ik heb tegen Willie gezegd: ''Als jij nog betere nummers kunt schrijven dan toen en ik er weer mijn stories bij kan verzinnen, man, dat wil ik horen.'' En Willie zei: Al, I'm telling you we can do it. En zo is het.'

Meer over