ALLES MOET WEG

Nog eventjes, dan is Jos Cornelisse na 41 jaar parlevinker af. Bij de schippers is er nauwelijks meer belangstelling voor zijn varende SRV-winkel....

Zijn mobiele telefoon snerpt door de kajuit. 'Dag jongen! Ja, ik heb harinkies aan boord. Ik kom ze straks bij je brengen.'

Jos Cornelisse koopt elke ochtend vijftig haringen, veertig broden en honderdtwintig kadetjes en krentebollen bij bakker Ketel en 'De Vissende Beer'in Velsen-Noord. Samen met katrollen, loopplanken, veiligheidsschoenen en kilometers touw, laadt hij de voorraad in zijn proviandschip. Dan gooit hij in alle vroegte zijn trossen los en vaart hij langzaam de haven van IJmuiden uit.

Op de achtersteven van de Marjan wappert de Nederlandse vlag, op de voorsteven staan kratten Amstel Bier en Cola light. Jos Cornelisse vaart al 41 jaar elke dag van IJmuiden over het Noordzeekanaal op de bonnefooi naar Amsterdam, waar hij onderweg binnenvaartschippers en de bemanning van olietankers van proviand voorziet. Zijn varende SRV-winkel, de Marjan, is een originele parlevinkersboot.

Cornelisse is een van de laatste parlevinkers in Nederland. Het beroep sterft uit - Jos vaart deze maand voor het laatst; hij wordt 62 en gaat met pensioen. 'De concurrentie is te hevig geworden', zegt hij. 'Vroeger had je een handvol kruidenierszaken, nu staat op elke hoek van de straat een supermarkt, en die zijn veel goedkoper dan ik. In veel havens zitten zelfs supermarkten waar je gewoon voor de deur kunt aanmeren.'

Net buiten de haven van IJmuiden haakt de schipper aan bij een bevriende kapitein die dezelfde kant opvaart. Jos bevestigt zijn touw aan een bolder op de cementtanker, haalt een pak koekjes uit zijn winkel en springt op het dek van het vrachtschip.

'Jos!' roept de schipper.

'Piet!', groet Jos terug.

Piets tanker is onderweg naar Harderwijk . 'Het Noordzeekanaal is een vreselijk ongezellig stuk om in je uppie te varen', verklaart hij. 'Als je door hartje Amsterdam naar Alphen aan den Rijn vaart, is er elke tien meter iets te beleven. Maar op dit kanaal zie je niks. Daarom haken wij al dertig jaar regelmatig bij elkaar aan.'

Piet schenkt in zijn stuurhut koffie in. 'Ik zal Jos straks missen', zegt hij. 'Niet alleen vanwege de boodschappen, maar ook om de gezelligheid. Met zijn winkeltje gaat toch een stukje nostalgie verloren.'

Vlak bij de Mercuriushaven, ten oosten van het Noordzeekanaal, gaat de parlevinker weer van boord. Hij koppelt de Marjan los van de cementtanker en tuft de haven in. Met een verrekijker tuurt hij het gebied af, op zoek naar klanten.

'Goeiemorgen!', roept hij naar een binnenschipper. 'Hebbie nog wat nodig? Ik heb ook drijfhoutjes, loopplankies, een stukkie touw met flinke korting, misschien? Ik hou er over een poossie mee op.'

De schipper en zijn vrouw komen aan boord. 'Wat kosten die veiligheidsschoenen?' 'Twee paar voor 45 euro, maar jullie krijgen ze voor veertig. Heb je nog belang bij een pompje? Ik doe alles weg.'

De schippersvrouw stopt een slof Marlboro-sigaretten in haar boodschappentas, samen met een zak aardappels, vier haringen en De Telegraaf.

'Zie ik je nog?', vraagt Jos aan de schipper.

'We varen straks naar Boedapest, dus ik denk niet da'k je nog zie .'

'Nou, dan geef ik je mijn kaartje.' De twee drukken elkaar stevig de hand. 'Dag jongen, het ga je goed .'

De Marjan deint zachtjes heen en weer in de haven. Beneden in het ruim, op een lange houten tafel, ligt brood, chocola, verse groente en dagverse eieren. Aan weerszijden tegen de wand, in houten vakken, staan dozen waspoeder, flessen drank, toiletpapier en droge kruidenierswaren. Naast de kassa liggen kranten, televisiegidsen en de Libelle .

'Schippers zijn goeie klanten', zegt Jos. 'Die kopen niet één pak koffie, maar meteen twintig voor onderweg .'

De venter vaart al 41 jaar hetzelfde traject, hij had twee jaar geleden met pensioen kunnen gaan. 'Nu is het tijd om te stoppen. Er komt geen nieuwe parlevinker in IJmuiden. Dat is jammer, want het is een schitterende traditie en een prachtig, vrij beroep.'

In de jaren vijftig voeren in Nederland ruim honderd parlevinkers, alleen in Amsterdam al vijf of zes. Binnenkort is er in heel Nederland nog één over, in Venlo, en ook die stopt ermee, weet Cornelisse.

'Dit vak kun je alleen maar doen als je er plezier in hebt. Het is eigenlijk geen vak, het is een way of life. Het gaat van generatie op generatie. Als je kinderen er geen zin in hebben, dan houdt het op.'

Een politieboot meert bij hem aan en een agent in een zwemvest klimt aan boord van de Marjan om appeltaart te kopen. Hij betaalt 3,75 euro en vertrekt weer.

'Een zeikerd', fluistert Jos. 'Hij wou me laatst opschrijven toen het mistig was, omdat ik geen radar heb. Ik zeg: Ik ga met dat pikpotje van mij toch niet varen als ik niks zie? Zegt ie vervolgens: Je moet ook drie reddingsboeien hebben, en die heb jij niet. Agent, zeg ik, daar zorg ik voor.

'Vrijdags kwam-ie me weer controleren. Ik zeg: Ik heb ze hoor, drie boeien! Diezelfde week heb ik ze nog aan een sleepboot verk o ch t . '

Jos herinnert zich zijn eerste klant nog, sleepschipper Lambert Kamps, die voor 69 gulden aan etenswaar kocht. 'Negenenzestig gulden! Kun je het je voorstellen? Dat was in die tijd een godsvermogen! Een pakkie boter kostte zowat niks. Toen wisten we dat we een goeie handel hadden.'

Na zijn militaire-diensttijd, in 1964, ging Jos samenwerken met zijn broer Jan, die al met vlees langs de binnenvaartschepen in IJmuiden ventte toen de winters nog streng waren en de haven regelmatig dichtvroor. In die tijd reden over de wal nog een slager, een groenteboer, een melkboer, een drogist en twee bakkers. Jos kocht de Marjan - een samenstelling van Jan en diens vrouw Marry - van zijn broer in 1977. Hij liet er een nieuwe moter inzetten 'waardoor ze een stuk harder kon: vijftien kilometer in plaats van twaalf'. Toen de Schippersbeurs in 1996 werd opgedoekt, verdwenen veel schepen uit de haven van IJmuiden en ging Jos Cornelisse op Amsterdam varen.

'Wat gaat er met je boot gebeuren?' vraagt een nieuwe klant die aan boord is geklommen. 'Nou, mijn aspirant-koper heeft gezegd: als iemand dood is en gecremeerd, neem ik de urn mee en kan de familie de as op het water uitstrooien. Dus ik zeg tegen hem: Dan laat ik mijn winkelschappen erin zitten, ken je gelijk vijfhonderd urnen meenemen.'

De klant lacht, wenst de parlevinker

succes na zijn pensioen en neemt twee paar schippersschoenen met antislipzolen mee.

Om twaalf uur ' s middags legt de proviandboot aan bij de Adriana, die voor de opslagsilo's van Cargills kunstmestfabriek in de haven van Amsterdam ligt aangemeerd.

'Ik heb een mooi loopplankje voor je!', roept Jos naar de kapitein. 'Hij weegt maar twintig kilo en hij blijft drijven.' De man overlegt met zijn vrouw en trekt zijn portemonnee .

Remy, de eigenaar van duwboot Lucia uit Nigtevegt, vindt het 'verschrikkelijk' dat Jos Cornelisse met zijn handel gaat stoppen. 'Ik vaar zeven dagen per week, ik kom weinig aan wal en ik heb twee matrozen aan boord die moeten eten. Hoe moet ik aan verswaren komen? Ik kan het zelf allemaal niet koelen. Straks heeft de hele sleepvaart op dit traject scheurbuik!'

De Marjan vaart voorbij Zaandam de Westhaven in en de schipper tuurt weer door zijn verrekijker. De zon staat inmiddels hoog aan de hemel. Als zijn boot de Vasco da Gama passeert, zet hij de motor even af. 'Anders krijgt ie natte voeten' zegt hij, wijzend op de schipper die op de zijkant van een laaggelegen rijnaak staat. Die wordt alsnog kletsnat wanneer de golven in zijn richting klotsen.

'Het is Jelle!', brult Cornelisse. 'Jos, jongen!', schreeuwt Jelle terug. 'Wat hoor ik, hou je ermee op?'

'Ja, 25 juli gaat ie naar de werf.'

En wat moeten wij dan?'

'Verhongeren', lacht de parlevinker.

Aan de overzijde passeert een olietanker die metershoog boven de Marjan uittorent. De golven spatten hoog tegen de ruiten en Jos houdt zijn opgestapelde bierkratten vast.

Hij vaart elke dag hetzelfde stuk. 'Ik mag officieel tot de Oranjesluis tussen het Buiten-IJ en het IJsselmeer, maar daar kom ik nooit, dat vind ik veel te ver weg', vertelt hij, terwijl hij zijn boterhammen met kaas opeet.

De schipper zit op een hoge, draaibare stoel aan het roer en steekt een sigaar op. Met zijn knie bedient hij de koperen handgreep op het houten stuurwiel. Zo'n dertig zwanen dobberen tussen het riet bij Zaandam. 'Kijk, een aalscholver', wijst Jos. 'Die zie je vaak naar beneden duiken en boven komen met een paling in hun bek. Prachtig .'

Links op het Noordzeekanaal ligt de No Limit aangemeerd, het schip dat een half jaar geleden tijdens zijn eerste tocht - vers van de werf - door een constructiefout in de haven van IJmuiden in tweeën brak. 'Iedereen heeft het erover', zegt hij. 'Hoe is het toch in godsnaam mogelijk?

Jos mindert vaart om de pont van Zaandam ongehinderd te laten oversteken en groet de bestuurder.

Zijn telefoon gaat.

'Met Cornelisse.'

'Wie spät sind Sie da? Wieviel? Zwölf? Gut.'

Al bellend windt Cornelisse zijn touw om een bolder. 'Ts ch ü ß . ' Hij noteert de bestelling op een schrijfblokje dat bij zijn stuurwiel ligt.

'Bonjour monsieur!'

Een Franse schipper stapt aan boord. 'Entrez', zegt Jos, en in het Nederlands: 'Kom binnen, grapjas' - hij verstaat me toch niet.'

De man koopt sigaren en krentenbollen. Jos wijst op de eieren: 'kukeleku?'

Ook de invoering van de BTWplicht heeft Jos' handel geen goed gedaan. Tot die tijd hoefden schepen die naar het buitenland varen geen BTW te betalen. 'Nu ben ik nog duurder voor ze geworden. Kan ik in mijn eentje de concurrentie met de supermarkten al niet aan, maakt de overheid het me nog lastiger.'

Na zijn pensioen gaat de parlevinker zijn oudste zoon helpen, die een restaurant in Haarlem runt. En hij blijft met zijn Volkswagenbusje de bruine vloot bevoorraden in het Oosterdok in Amsterdam, en de Franse passagiersschepen achter het Centraal Station. Dat zijn goeie klanten, zegt hij, die bellen twee dagen van tevoren en bestellen croissantjes, petits-pains, kwark, 'dat soort werk'.

Jazzmuziek tettert door de radio als hij de motor weer start. Een aalscholver duikt onder en komt boven met een spartelende vis in zijn bek. De Marjan passeert de vuilverbrandingsoven van Zaandam.

Jos tuurt met zijn verrekijker de Jan van Riebeeckhaven in, maar ziet geen klandizie. Hetzelfde geldt voor de Cacaohaven. In de Australiëhaven legt hij aan bij het rijtje Zeebrugge, Birsfelden, Somtrans II en Somtrans III, vier aaneengelegen olietankers. Zeven mannen in overall komen aan boord en dalen het trapje af naar de winkel.

'Meneer de directeur', groeten ze de parlevinker. Jos verkoopt kratten bier, pakjes zware shag en zijn overgebleven haringen en makrelen. De mannen wisselen het laatste nieuws over de binnenvaart uit en gaan weer van boord.

Opnieuw rinkelt de telefoon. 'Antoontje! Ik zit in de Australiëhaven. Vaar jij naar IJmuiden? Ik ga met je mee'. Geef maar een seintje als je bij de pont bent.'

Antoons vrachtschip 'Antida' ligt buiten de haven te wachten op het aanhaken van de parlevinkersboot, terug naar huis.

'Dag vriend', zegt Jos.

'Dag lieverd', zegt de schipper.

Antoons ouders deden al boodschappen bij Jos toen ze nog met de Liberté van IJmuiden naar Luik voeren en de Maas nog maar één sluis had, vertelt de vrouw van Antoon in de stuurhut. 'Wij kunnen ook naar de Aldi of de Lidl, maar ja, die verkopen geen ladders en geen touw en geen drijfhoutjes en geen loopplankies.'

Dan zegt Antoon: 'Jij zal best een moeilijke laatste dag hebben. Ik denk dat je dan met een brok in je keel vaart.'

Jos haalt zijn schouders op en brengt het gesprek behoedzaam op een ander onderwerp. Even later klopt hij liefkozend op het dashboard van zijn vijftien meter lange schip. 'Ja, ouwe jongen', zegt hij, 'Je gaat er straks vandoor hè?'

Aan het eind van de middag, als de Marjan de haven van IJmuiden weer binnenglijdt, belt hij vanuit zijn kajuit 'De Vissende Beer' in Velsen-Noord .

'Dag jongen, heb je morgen vijftig harinkjes voor me?'

Meer over