'Alles koek en ei, dat had ik nooit meegemaakt'

Philip Hoftijzer (83), ex-administrateur bij de Oorlogsgravenstichting, heeft in zijn leven, door scheidingen van zijn ouders en hemzelf, vaak afscheid moeten nemen van mensen....

‘In 1938 gingen mijn ouders uit elkaar. Revolutionair, in die tijd, maar voor mijn moeder gold dat minder. Ze was een vlotte tante, een stads type dat een hoedje met een voile droeg, actief in de SDAP, vrijgevochten, zelfstandig en op de moderne tijd gericht. Mijn vader was een echte arbeider. Hij was schilder bij de gemeente Rotterdam. Misschien heeft hij nooit zo goed bij mijn moeder gepast. De ruzies die mijn ouders hadden, nam ik op als een spons. Ik wist precies wat er aan de hand was. ‘Die boerenfamilie van jou!’, riep mijn moeder dan. Ze werd verliefd op een andere man, die ook actief was in de partij. Toen mijn vader daar achter kwam, was het afgelopen. Mijn moeder nam de benen, en ze nam mij mee. Mijn oudere zus bleef bij mijn vader.

Daarna brak een onrustige tijd aan. We verhuisden een paar keer, tot de vrouw van de man op wie mijn moeder verliefd was geworden plotseling overleed en zij bij hem introk. Opeens kreeg ik er oudere broers en zussen bij, en ik voelde me niet op mijn gemak. Ik was alwéér op een andere plek gepoot, in Rotterdam- West, waar ik niet kon aarden. We werden met de nek aangekeken. Kinderen uit de buurt mochten niet met me spelen, ik kwam nergens binnen – ik was een kind van ‘die vrouw’. Gelukkig verhuisden we later naar Haarlem, waar niemand ons kende. Het contact met mijn vader vlotte niet. Ik zat onder de invloedssfeer van mijn moeder, die lelijke dingen over hem vertelde. Uiteindelijk heb ik hem tot aan zijn dood, in 1957, nauwelijks nog gezien.

Direct na de oorlog moest ik, als jongen van 20, eigenlijk alles nog ontdekken. Ik kreeg voor het eerst een serieus vriendinnetje en dankzij haar belandde ik in het warme bad dat haar familie was. Alles koek en ei, dat had ik nog nooit meegemaakt. Maar toen werd ik voor drie jaar naar Indië gestuurd, als sergeant-radiotelegrafi st. We schreven veel brieven, ik had geen moeite haar trouw te blijven en we zijn uiteindelijk met de handschoen getrouwd. Zij met haar zwager op het stadhuis, ik bij de notaris op Batavia.

Toen ik terugkwam in Nederland waren de dingen niet meer hetzelfde: ik was veranderd, en zij ook. Ze was niet meer het ideale meisje dat ik in mijn hoofd had, meer bijdehand en zelfstandig dan ervóór. We kregen drie kinderen en vormden een leuk gezin, waar ik nu nog met weemoed aan terugdenk. Want de laatste jaren ging het niet goed meer. Daar heb ik het ook zelf naar gemaakt. Vóór mijn huwelijk had ik geen ervaringen met vrouwen; in mijn ontwikkeling als man heb ik lange tijd stilgestaan. Op een gegeven moment kreeg ik een affaire met een vrouw toen ik voor mijn werk op reis was. Die affaire duurde niet lang, en ik heb hem ook opgebiecht en spijt betuigd, maar het werd me steeds opnieuw door mijn vrouw nagedragen. Het wantrouwen is sindsdien nooit meer verdwenen.

Dit wordt toch nooit meer wat – in die sfeer zat ik, en ik zocht troost bij anderen. Omwille van de kinderen wilde ik lange tijd dat we toch bij elkaar zouden blijven, maar we vochten elkaar op het laatst de tent uit. Echtscheiding bleek de enige oplossing. Niet lang daarna ben ik opnieuw getrouwd, met een vrouw die ik via een advertentie in de krant had leren kennen. Zij was, net als ik, gescheiden, en ze had twee opgroeiende kinderen. We hadden het fijn samen, maar ook in dit huwelijk ontstonden, na een hoop goede jaren, problemen. Ik kwam tegenover de man van haar dochter te staan, en dat liep uit op een flinke clash. Mijn vrouw kon het niet aan, ze werd er depressief van, en op een zondagmiddag is ze door haar dochter en anderen uit ons huis gehaald. Ze was te labiel om zich ertegen te verzetten. Je zou kunnen zeggen dat de scheiding uiteindelijk door haar kinderen is afgedwongen.

Gelukkig heb ik inmiddels weer veel contact met haar. Ze is in dezelfde flat komen wonen, drie verdiepingen lager. Geregeld wandelen en eten we samen, we gaan samen op vakantie en ik breng haar elke dag de Volkskrant. Van een nieuw huwelijk komt het vast niet meer, deze latrelatie is goed zoals-ie is.

Trots ben ik niet, op wat er al die jaren is gebeurd. Mijn kinderen waren bijna alle drie de deur uit toen hun moeder en ik scheidden, en ze konden, anders dan ik indertijd, in vrijheid opgaan in het studentenleven. Maar toch heb ik last van een schuldgevoel. Omdat ik gefaald heb. Omdat ik ze tenslotte geen leuk familieleven heb kunnen geven.

De echtscheiding van mijn ouders heeft mij voor het leven getekend. Ik raakte alle vastigheid kwijt, ik moest steeds opnieuw beginnen, ik verloor het contact met tantes, ooms en vriendjes; mijn oudste zus, die mij heel lang niet heeft willen zien, zag ik pas, op haar 80ste verjaardag, voor het eerst in tijden terug. Als je door de scheiding van je vader en moeder bijna alles kwijtraakt wat je dierbaar is, word je vanzelf een beetje mensenschuw. Ik geef me niet gemakkelijk aan mensen, uit pure zelfbescherming – te vaak, weet ik, draait het op een teleurstelling uit.

Mijn hele leven heeft in het teken gestaan van relaties die kapot gaan. Je stompt erdoor af. Als iemand doodgaat, is dat voor velen een grote schok, maar ik accepteer zoiets als een feit. Omdat ik er gewend aan ben geraakt dat mensen uit mijn leven verdwijnen.’

Meer over