Alles kan anders

Voor Luc Deleu heeft de hedendaagse architectuur niets meer met mensen te maken. Egotripperij is het. Met zijn rekenmodellen, tekeningen en maquettes werkt de Antwerpenaar aan de stad van de toekomst....

Door Eric van den Berg

De horizon, die vindt hij fantástisch. Beetje raar misschien, voor een architect, maar toch: het liefst is Luc Deleu op zee. Weken lang niets te zien. . . alleen zee.

Het niets, het reizen, de containers, de lotsverbondenheid aan boord. En het mobiele, het veranderlijke.

Waarom wónen we eigenlijk niet allemaal op schepen?

Hij moet elf of twaalf zijn geweest, de overtocht van Oostende naar Dover, toen wist hij het al - 'ik stapte op het schip en dacht: dit is mijn milieu, hier hoor ik'. Het is gebleven. Afgelopen winter stapte hij met zijn vrouw Laurette in Auckland op de Speybank, een Engels vrachtschip. Nieuw-Caledonië, Vanuatu, Borneo, Singapore. Toen teruggevlogen naar België, 'want er moet natuurlijk ook nog worden gewerkt'.

Luc Deleu woont en werkt in 'de straat met de mooie huizen', zo zeggen de Antwerpenaars: de Cogels Osylei in Berchem, genoemd naar een adellijke familie die eind negentiende eeuw de laan met kapitale panden bedacht. Maar aan die kwalificatie hecht Deleu geen waarde, zo vertelt hij op zijn 'illegale dakterras'. Eerst was de straat 'protserig', toen raakte ze in verval, en nu is ze weer 'het van het'.

Toeristische routes voeren langs de statige herenhuizen in art-nouveau, neo-renaissance of neo-gotische stijl, bewoond door kinderarts, notaris en advocaat, maar bij één huis, 'Les Nenuphars' uit 1900, is nauwelijks iets te zien. Grote bomen, meteen geplant toen hij er 35 jaar geleden ging wonen, schermen Deleu, zijn vrouw en de vijf medewerkers van zijn bureau T.O.P. Office af van de stad. 'Mijn woning is geen visitekaartje. Ik woon hier niet vanwege de status, en ik heb niet graag dat mensen naar mijn huis staan te kijken. Die bomen zijn perfect: beneden in het kantoor is het altijd fris, daar komt nooit zon binnen. Ge leeft met de seizoenen. Ik woon op de eerste verdieping, op het niveau van de vogels.'

Luc Deleu (58), geboren in het nabijgelegen dorp Duffel als zoon van de eigenaar van een ijzerwinkel, is 'theoretisch architect, een andere naam weet ik ook niet'. Hij praat en gniffelt soms alsof hij iets ondeugends aan het doen is, en zo kijkt hij ook uit zijn ogen. Grijzend haar, staartje. Een denker, een visionair misschien, een dromer wellicht. Antwoord op de eerste vraag en nog enkele daarna: 'Daar kunnen we natuurlijk héél lang over praten. . .' Peinzend: 'Nee. . . eh. . . ja! Ik zal maar ja zeggen.' Of: 'Men ziet vaak alleen de holle kant van de lepel, ik kijk ook graag naar de bolle kant.'

Anderen, collega's ook, noemen hem een 'papieren architect', omdat hij niet of weinig bouwt. Of 'kunstenaar', omdat zijn plannen, rekenmodellen, tekeningen en maquettes vooral bedoeld lijken voor musea of privécollecties. Maar hij heeft liever niet dat zijn werk 'kunst' wordt genoemd. 'Dat maakt het onschadelijk. Als het kunst is, mag alles. Dat vind ik vervelend. Het is ook een manier om geen standpunt in te nemen ten opzichte van mijn werk.'

Nu is dat niet altijd even gemakkelijk. Zijn eerste expositie na de studie architectuur aan de Hoge School St. Lukas in Brussel (1969), waaraan hij nu zelf les geeft, heette Luc Deleu neemt afscheid van de architectuur. Tien jaar later plaatste hij De laatste steen van België in zijn voortuin. Het moest maar eens afgelopen zijn met al dat 'bouwen voor de leegstand'.

Er moet meer worden nagedacht, vindt Deleu. Vooral over de toekomst. Hoe ziet een stad er over vijftig jaar uit, of over honderd? Zijn al die shoppingcentra wel nodig? Moet je telefoonkabels wel onder de grond stoppen? Decennia geleden stelde hij al voor vee gewoon in de stad te laten rondlopen, de wegen te verzachten, de verkeersregels af te schaffen, en de Universiteit van Antwerpen te laten drijven op zee.

Je zou zeggen: belachelijk. Luc Deleu zegt: 'Waarom níet? Je kunt erover nadenken, en als het niet kan, gebeurt het niet.'

'Ik denk graag na over een alternatieve wereld. Misschien is mijn werk wel de alternatieve wereld waarin ik leef. Als ik van een gebouw een maquette heb gemaakt, hoeft het voor mij helemaal niet meer te worden gebouwd. De maquette wordt niet waardevoller als het er ook nog eens een keer in het groot staat. Misschien is het kinderlijk, leef ik in een droom.'

Er is ook een deel werkelijkheid. Hij werd bekend met zijn geometrische lego-constructies ('meer had ik niet nodig'), legde in de jaren tachtig een torenkraan en twee hoogspanningsmasten op z'n kant (om te laten zien hoe bepalend deze gigantische dingen zijn voor het stadsbeeld), en hij toont al twintig jaar overal ter wereld - deze zomer in het Antwerpse park Middelheim - triomfbogen, obelisken en andere constructies van scheepscontainers (om te laten zien dat je simpel en compact kunt bouwen, met objecten die later weer de wereld overvaren). Hij bouwt een appartementencomplex aan een werf in Genk, en verbouwt het huis van Ruth, een van zijn twee dochters.

En nu heeft hij het 'masterplan' ontworpen voor het kunstproject Parasite Paradise bij de Vinex-locatie Leidsche Rijn in Utrecht, waar in 2015 ongeveer 90 duizend mensen zullen wonen en nog eens 40 duizend zullen werken. Paradise is een 'nederzetting', pal naast de al bewoonde Parkwijk. Een ministad, met mobiele kunstinstallaties aan de hoofdstraat (de 'as') die functioneren als in een echte stad: een bar (Bar Raketa, Inge Roosboom), een hotel (Side Entrance, Atelier Van Lieshout), een skate-ring (Viva el Monopatin, Maurer United Architects). Dat alles op de plattegrond van Deleu, die doet denken aan zijn theoretische steden Dinkytown, Brikabrak, en Vipcity.

Deleu bedenkt een stad, noemt het De Onaangepaste Stad. Bedenkt eerst wat er nodig is, en kijkt dan wat voor een stad dat kan opleveren. Dat is niets minder dan de wereld compleet herinrichten, want Deleu is 'orbanist', denkt mondiaal. Voor het virtuele Vipcity (76 duizend inwoners) berekende hij de omvang ergens vorig jaar, toen de aarde 6.093.888.813 bewoners had en 149.664.000 vierkante kilometer land telde. En dan is het gewoon een rekensom: de noordpool en woestijnen tellen we niet mee, en met bergen kun je ook niet veel. Je hebt wat nodig voor landbouw, de wegen trek je er ook nog van af. Om kort te gaan: per gezin (van 2,51 personen) hou je 0,6633 hectare land over ('Het is niet wetenschappelijk, puur statistisch, maar ik vind het getal zó mooi, dat moet wel kloppen').

Simpel. 'Mensen die op een kavel wonen die groter is dan 0,6633 hectare, wonen dus onbeleefd. Heel onbeleefd. Er zijn heel veel mensen die heel onbeleefd wonen.'

Wat Deleu ook becijfert: wanneer een stad een pingpongtafel nodig heeft, en wanneer een Formule 1-circuit. Een stad heeft een snackbar of bistro nodig voor elke 118 inwoners, en een café per 981 inwoners. Wat voor Leidsche Rijn overigens betekent dat daar in 2015 minimaal 762 bistro's en nog eens 91 cafés zouden zijn verrezen. Maar wacht nog even met de dozen inpakken, want, zo weet ook Deleu, zo gezellig zal het niet worden.

Het kán eenvoudigweg niet meer.

Luc Deleu is 'zeer negatief' over de grootschalige Vinex-wijken. 'Leidsche Rijn is in hetzelfde bedje ziek als de Bijlmer. Opnieuw is alles van hogerhand bedacht, er is geen ruimte meer voor eigen initiatief.

'Ze vinden het daar gek dat de jeugd daar maar een beetje rondhangt, en dat er nu al klein vandalisme is. Maar natúúrlijk hangen ze daar, natúúrlijk is er klein vandalisme. Er is geen bar, er is geen jeugdhonk, er is geen skate-ring, en je kunt geen garagebandje oprichten, want in die garages kun je nog geen eens een auto zetten, zo klein zijn ze. Ze kunnen niets doen, behalve hangen.'

Alles moét niet anders. Alles kán anders. 'Ze hadden ook in een aantal straten de gelijkvloerse verdiepingen open kunnen laten, dat heb je palen met daarboven de woningen. Dat laten we gewoon open. Dan zullen wel zien wie er initiatief neemt. Misschien wil iemand er een Chinese take-away beginnen, of een koffieshop. Maar alles ligt al vast. Een Antilliaan die parels wil verkopen zal nooit terecht kunnen in alle shoppingcentra die al bedacht zijn. Die zijn voorbestemd voor de grote ketens. Albert Heijn zal beslissen wanneer de winkel opengaat.

'Leidsche Rijn zal nooit een stad als Amsterdam kunnen worden, dat is nu al zeker. Zal nooit die fijnmazigheid kunnen krijgen, dat wat Amsterdam tot Amsterdam maakt. Een koffieshop naast een McDonald's, of al die kleine winkeltjes van privémensen. Leidsche Rijn zal het nooit hebben, Almere evenmin. Over vijftig jaar niet, over vijfhonderd jaar niet.'

'Orde in het groot, chaos in het klein', dat is wat Deleu nastreeft. Niet te veel regels ('het is nu moeilijker een een badkamer aan uw huiskamer te bouwen, dan een kerncentrale neer te zetten'), laat het gewoon gebeuren.

Hij is een 'late modernist'. Is fervent bewonderaar van de Zwitserse architect Le Corbusier (1887-1965). Wordt nog altijd razendenthou siast als Chandigahr ter sprake komt, de administratieve hoofdstad van de Indiaase deelstaat Punjab, vijftig jaar geleden door 'Corbu' ontworpen. 'Het belangrijkste: hij is niet uit zijn bol gegaan. Dat had Rem Koolhaas wel gedaan. Het is allemaal laagbouw gebleven. Er is een grid van wegen, de wandelpaden kronkelen verderop, er is in de gebouwen ruimte voor kleine handel. Er wonen meer dan een miljoen mensen. Iedere Indiër wil naar Chandigahr, dat is heaven on earth.' En ook het 'verticale dorp' Unité d'Habitation (Cité Radieuse) in Marseille, gebouwd door Le Corbusier in 1952, is een juweel. 'Daar zitten winkels ín het appartementengebouw. Er zijn riante gangen om naar uw apartement te gaan, ge kunt daar op het dak wandelen.'

Of we dat eens willen vergelijken met een wooncomplex van de Spaanse architect Ricardo Bofill, in Marne-la-Vallée, bij Parijs. 'Die zegt eigenlijk tegen de bewoners: ik minacht jullie. De helft van de appartementen ligt slecht, maar dat wilde hij zo omdat het gebouw symmetrisch moest zijn. En dan maakt hij ook nog balkons op het noorden, u weet wel, waar nooit een kat op komt. Het zijn nu allemaal balkons met diepvriezen, ijskasten en surfplanken.

'Architectuur heeft niets meer met mensen te maken. Dat is iets van een andere planeet. Er worden musea gebouwd, maar die musea worden niet voor de kunst gebouwd, de kunst wordt aangekocht voor dat museum. Alles is tegenwoordig omgedraaid. Net als bij de TGV. Ze bedenken eerst een hogesnelheidstrein, en gaan daarna de passagiers werven. Ga nu goedkoop winkelen in Londen! Reis nu naar Eurodisney!'

Het grote euvel dus: de vrije markt. 'Ik ben geen communist, en ik ben niet tegen het kapitalisme. Maar altijd en overal kapitalisme, dat is niet juist. De architecten zijn daarin meegegaan. Ze doen nu niet veel meer dan het corparate image van bedrijven vorm te geven. En het Guggenheim in Bilbao is dan misschien wel een mooi museum, het is gewoon een vorm van city branding.

'Het is toch niet logisch dat Hollywood de lifestyle meer bepaalt dan de architecten? Architecten moeten modellen aanreiken, voorbeelden, atmosferen, denkpatronen. Er zijn nu glossy architectuurtijdschriften en fantastische tentoonstellingen, maar daarin staan ook al geen voorbeelden meer. Het is alleen maar egotripperij. Als je nu zo'n tijdschrift ziet. . . dat is even boeiend als een autotijdschrift. Je ziet de droomwereld van Hollywood. Iedereen een cabrio, iedereen een designhuis.

'Er zijn natuurlijk mensen die in zo'n huis willen wonen, en ik gun het ze volmondig. Maar hoeveel mensen zijn dat? Eén procent, een half procent van de bevolking? En dat zijn dan ook nog niet de interessantste mensen. Ge moet een arrogant personage zijn om in architectuur te wonen.'

Luc Deleu houdt niet van dat kijk-mij-eens-gedoe. En is sowieso wel erg op zichzelf ('ik ben egocentrisch, ja, dat kun je zo wel stellen'). Met de grote bomen in zijn voortuin is hij nog elke dag blij. Geplant in mei 1968. Dat was een mooie maand.

Meer over