Alles in alles

KONRAD BAYER maakte op 10 oktober 1964 een eind aan zijn leven. Hij was jong, 32, schreef aan een roman die bijna klaar was, het zesde zintuig, maar veel fiducie in de toekomst had hij niet....

In alles wat Konrad Bayer heeft geschreven, zit iets wat daarop wijst. In 1967 publiceerde een vriend van hem, Gerhard Rühm, een ruimhartige bloemlezing uit het werk van de zogenoemde Wiener Gruppe, waartoe zij samen met Friedrich Achleitner, H.C. Artmann en Oswald Wiener behoorden. In zijn inleiding schreef Rühm over het geestelijke klimaat in de hoofdstad van het oude Oostenrijkse rijk, dat maar al te graag ruim baan voor Adolf Hitler had gemaakt '. . .dat de meerderheid wel tegen de fascistische oorlogspolitiek was geweest, maar in principe niets tegen de ''gezonde'' cultuurpolitiek had gehad'.

Je zou denken: dat moet dan in het gepubliceerde werk terug te vinden zijn, maar niets daarvan. Degenen die het werk van de Wiener Gruppe in die naoorlogse jaren 'entartet' noemden, kunnen er alleen uiterst oppervlakkig kennis van hebben genomen, voldoende om te kunnen vaststellen dat hier hetzelfde artistieke tuig aan het woord was, dat met zijn kunstzinnige nieuwlichterij de woede van wijlen Adolf Hitler had gewekt.

Ze verschilden in dit opzicht niet van de kunstenaars zelf, die zich de overeenkomst tussen hun werk en dat van de 'ontaarde' kunstenaars maar al te goed bewust waren. Zij wilden juist doen wat die kunstenaars in het Derde Rijk was verboden. Zij wilden dat werk graag nog eens dunnetjes overdoen.

Het werd net geen liefdesverklaring, maar álles wijst erop dat ze graag in de schoenen van de dadaïsten, de expressionisten, de futuristen en andere avantgardisten die hun waren voorgegaan - en die door de nationaal-socialisten afzonderlijk en in verenging waren kaltgestellt - hadden gestaan.

Wie dus, alsnog, de bundel Die Wiener Gruppe ter hand neemt, weet wat hem te wachten staat: een hoeveelheid literaire experimenten, die niet zozeer door hun orginaliteit, want al eerder ondernomen, alswel door hun toon de naoorlogse lezer buiten Oostenrijk zullen aanspreken.

In het werk van Konrad Bayer bijvoorbeeld, over wie het hier gaat, zit altijd iets apocalyptisch, wat de vroege avantgardisten (Hugo Ball!) ook niet helemaal vreemd was, maar bij hen was het toch vaak ondergeschikt aan het grote gebaar waarmee de bourgeoisie geëpateerd moest worden.

Bij Bayer vermoed je een samenhang met het geestelijke en culturele klimaat in zijn stad, dat per slot van rekening, facistoïde gekleurd als het was, na de verschrikking van opnieuw een wereldoorlog zoveel erger was dan in het begin van de eeuw.

Ook het boek, waaraan Bayer werkte toen hij een eind aan zijn leven maakte, het zesde zintuig, is niet vrij van het apocalyptische, in de zin van het onheilszwangere, dat je met die naoorlogse jaren in Oostenrijk kunt associëren (en waarvan later, meer dan de experimenterende Wiener Gruppe, Thomas Bernhard de wereld kond heeft gedaan).

Toch is dat niet wat 'het verhaal' domineert.

der sechste sinn verscheen - met zoals het in die tijd betaamt slechts onderkast in de titel - voor het eerst in 1966, na de dood van de schrijver. Die editie, later uitgebreid in het Verzameld Werk, werd door Gerhard Rühm bezorgd. Dank zij de Utrechtse uitgeverij IJzer, die zich in de twintigste-eeuwse avantgarde lijkt te specialiseren en steeds meer, haast niet te verkopen werk aan de vergetelheid ontrukt, is er nu ook een Nederlandse vertaling. Wie het boek opendoet, wacht - zoals gebruikelijk bij avantgardisten die nooit iets gewoon kunnen doen - een verrassing: een foto van een (aardige) lachende jonge vrouw. Sla je de pagina om, dan zie je haar weer, aanmerkelijk minder aardig, want in diapositief. Uit het nawoord van Burghard Damerau leert de lezer dat het gaat om een portret van Bayers vrouw, maar of deze kennis van belang is, weet ik niet (behalve dat je je afvraagt waarom iemand met zo'n leuke, lachende vrouw een eind aan zijn leven maakt).

Het beeld is wel, op een bepaalde manier, veelzeggend voor het verhaal dat volgt. Het zet met zijn twee afbeeldingen van hetzelfde de toon. Wat je te horen krijgt, laat de schrijver meteen al weten, is niet eenduidig, en daarmee stuurt hij je in de richting van wat de thematiek van het zesde zintuig zal blijken te zijn: de hopeloosheid om wat dan ook van belang zó vast te houden dat je er de diepere betekenis van begrijpt.

Dát gevoel ligt ten grondslag aan dit boek, waarin verschillende figuren al dan niet handelend opduiken in een sfeer van associaties, onverwachte, bewust schokkende beelden, flarden van dialogen, beschrijvingen, reflecties, kortom een geheel van woorden, waaraan geen touw vast te knopen zou zijn, als we de intenties van de twintigste-eeuwse avantgardisten, voorafgegaan door negentiende-eeuwse dichters als Rimbaud, Baudelaire en Mallarmé, niet zouden begrijpen als een poging om door middel van allerlei taalexploraties op een ándere manier over de wereld te spreken dan gebruikelijk was.

Anders gezegd: bevrijd het woord uit zijn syntactische keurslijf en er openen zich verre verschieten. Zet woorden, woordgroepen, suffixen, affixen en wat dies meer zij los van elkaar, verander syntactische regels, afijn, experimenteer tot je erbij neervalt, en je ontsluit de toegang tot een volkomen nieuwe wereld. Leren ons de grote negentiende- en twintigste-eeuwse dichters, maar mutatis mutandis ook de grote schilders - die de afbeelding van de werkelijkheid loslieten - en de grote muzikanten - die, te beginnen met Schönberg, de melodie loslieten en een nieuwe muzikale grammatica ontwierpen.

Tegen die achtergrond bezien is het de moeite waard om kennis te nemen van het zesde zintuig. In zijn nawoord doet Burghard Damereau een poging het boek sluitend te interpreteren - en daarbij komt hij tot heldere conclusies -, maar terwijl je je allengs verbaast over het feit dat hij zich kennelijk niet realiseert dat je iets wat in geen enkel opzicht 'realistisch' bedoeld lijkt te zijn, niet tot een vorm van realiteitsbeschrijving kunt herleiden, neemt zijn betoog ineens een verrassende wending en zegt hij: dat kan natuurlijk niet, dit boek als een 'realistisch' boek lezen.

En daarmee slaat hij de spijker op de kop en rijst de vraag: hoe lees je zo'n 'tekst' als het zesde zintuig dan wel?

Het is, uitvergroot, het probleem van de avantgardistische twintigste-eeuwse kunst. Hoe beleef je die? Hoe luister je naar Schönberg, waarom zul je Willem de Kooning nooit een groot kunstenaar noemen, hoe goed is Lucebert?

Voor mij is het zesde zintuig, door de manier waarop Bayer de taal gebruikt, geen verhaal, zelfs geen verhaal in experimenterende zin, maar een gedicht, een groot gedicht, een prozagedicht, waardoor de bevrediging die je ervan verwacht, niet in zoiets als 'de inhoud' zit (die eenvoudigweg niet is na te vertellen), maar in de vorm, de taal, de klank, de incantaties en associaties, die voortkomen uit het streven van de auteur 'alles in alles' te laten zien, het bijna mystieke 'oer-gevoel' van de poëzie.

Daar is verder niet veel over te zeggen. Je bent er gevoelig voor, omdat het in je puberteit jouw manier van kijken en ervaren is gaan bepalen, of niet.

In het laatste geval zal veel van die wereld, net als indertijd voor de gezeten burgers van Wenen, een gesloten boek blijven.

Ik denk dat Konrad Bayer dát met het zesde zintuig heeft willen zeggen.

Meer over