Algerijnse uitzetting doet nog steeds pijn

Rabat Toen Algerije onlangs tegen Egypte voetbalde, was Mohamed Attiqui voor Egypte. In het café waar hij de wedstrijd zag, in de Marokkaanse stad Kenitra, waren alle andere Marokkanen voor buurland Algerije....

Van onze correspondente Greta Riemersma

Attiqui is in 1975 Algerije uitgezet. Hij is onderdeel van een vergeten geschiedenis, die pas de laatste tijd in Marokko weer wordt opgerakeld. In 1975 legde Marokko beslag op de Westelijke Sahara en uit woede daarover besloot Algerije 350 duizend Marokkanen het land uit te gooien.

Vanaf 2005 verenigden zij zich in diverse belangenorganisaties. Een daarvan, de Association pour la défense des Marocains expulsés d’Algérie (Admea), wil Algerije nu alsnog aanklagen bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.

‘Algerije heeft niet alleen onze bezittingen ingepikt, er zijn ook vrouwen verkracht en families uit elkaar gehaald’, zegt voorzitter Mohamed El Herouachi van Admea. ‘Wat Algerije heeft gedaan, is een misdaad tegen de menselijkheid.’

Neem Mohamed Attiqui, die in Algerije alles achterliet wat hij had, zelfs zijn zoon. Zijn vader ging in 1935 naar Algerije, zoals zoveel Marokkanen in die jaren. ‘Veel Algerijnen wilden niet werken voor de Fransen, zij waren tegen de kolonisator. De Marokkanen namen de banen waar de Algerijnen geen zin in hadden.’

Groene mars
In 1938 werd Mohamed Attiqui geboren, in een dorpje vlak bij Oran. ‘We voelden ons thuis, we zagen Algerije als ons land’, zegt hij. Dat gevoel had hij zelfs zozeer, dat hij tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd eind jaren vijftig, begin jaren zestig aanslagen pleegde in Frankrijk. ‘Dat zag ik als mijn plicht.’

In 1974 keerde hij terug naar zijn Algerijnse geboorteplaats om een café te beginnen. In november 1975 organiseerde de Marokkaanse koning Hassan II de Groene Mars, waarbij 350 duizend Marokkanen, met een Koran en een Marokkaanse vlag in de hand, de Westelijke Sahara binnentrokken. Algerije, dat ook een oogje op het gebied had, was woest.

Vanaf die dag mocht Attiqui van de politie niet langer de radio in zijn café aanzetten, uit angst dat er Marokkaanse patriottische liederen zouden klinken. Vlak daarna werd zijn café kort en klein geslagen. Op 10 december werd hij met alle Marokkaanse inwoners van zijn dorp met bussen naar de gevangenis overgebracht.

Hun cellen waren onder water gezet zodat ze niet konden zitten. Drie, vier dagen later werden ze bij Oujda, een stad in Noordoost-Marokko over de grens gezet – een lot dat evenveel Marokkanen zou treffen als het aantal dat had meegedaan aan de Groene Mars. Ze lieten hun huizen achter; hun goud, zilver en bijna al hun geld moesten ze bij de grens afgeven.

In Oujda werden ze ontluisd en in tenten ondergebracht. Er was weinig te eten en er brak cholera uit. Attiqui bleef er een jaar, hij had niets meer; de zoon die hij bij een Algerijnse vrouw had verwekt, was in Algerije achtergebleven. Uiteindelijk zou hij in Kenitra zijn leven weer opbouwen.

Doordat Marokko nooit meer uit de Westelijke Sahara wegging, verslechterde de relatie met Algerije. Sinds 1994 is de grens tussen beide landen praktisch dicht. Met het vliegtuig kunnen Marokkanen nog wel in Algerije komen, maar over land is dat lastig. Als gevolg daarvan werd in Marokko de houding ten opzichte van Attiqui en zijn lotgenoten vijandig.

Spion voor Algerije
De uitgezette Marokkanen werden verondersteld liefde te voelen voor Algerije. ‘Iedereen die opkwam voor zijn rechten, werd gezien als spion voor Algerije’, aldus El Herouachi van Admea. ‘Sommigen werden even vastgezet en geslagen, zodat ze daarna hun mond dichthielden.’

De verbannen Marokkanen hadden een Algerijns accent en droegen Algerijnse kleren. Ze werden gediscrimineerd en probeerden niet op te vallen. Pas de laatste jaren laten ze van zich horen, omdat de Marokkaanse overheid dat nu toestaat. Vorig jaar onthulde de beroemde sportpresentatrice Kaima Belouchi hoe ook haar familie Algerije werd uitgezet.

Soms wordt ze nog steeds aangeduid als ‘Algerijnse’, verklaarde ze tegenover de krant Aujourd’hui Le Maroc. ‘Dat doet me pijn aan mijn hart, het is een belediging.’

Zij, Attiqui en al die anderen hebben misschien heimwee naar hun jonge jaren in Algerije, maar niet naar het Algerije van nu. Het land heeft onlangs aangekondigd dat het de achtergelaten bezittingen van Marokkanen gaat onteigenen. ‘Alles is allang ingepikt, maar sommige huizen staan nog op naam van Marokkanen’, aldus El Herouachi.

Met deze actie bewijst Algerije dat het nog niet is afgelopen met de hatelijkheden. Ook voor de verbannen Marokkanen is de geschiedenis nog niet verjaard, sterker: de strijd om genoegdoening is pas begonnen. Admea wil erkenning en excuses van Algerije.

Daarom wil El Herouachi naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag en om sterker te staan, wil hij de hulp van de Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken. In Marokkaanse media heeft hij hem daartoe herhaaldelijk opgeroepen. Maar de minister laat niets van zich horen.

De Marokkaanse staat wil kennelijk de relatie met Algerije niet verder belasten. ‘Maar dat kan toch niet ten koste gaan van 350 duizend Marokkanen?’, zegt El Herouachi.

Meer over