Alcoholtest op het werk maakt meer kapot dan je lief is

RECENTELIJK kwam Shell in het nieuws in verband met het voornemen zijn werknemers te testen op het gebruik van alcohol, drugs en medicijnen....

De nieuwe Arbowet, die sinds 1 januari 1994 van kracht is, biedt creatieve werkgevers de mogelijkheid in het kader van zelfregulering een eigen alcohol- en drugsbeleid op te zetten. Daar is op zich niets mis mee, indien de grenzen van het toelaatbare niet worden overschreden. Daar ligt nu het probleem. Bekend is de situatie in Amerika, waar werknemers min of meer willekeurig kunnen worden geselecteerd voor een test.

Esso probeerde enkele jaren geleden ook in Nederland een dergelijk beleid te implementeren, maar moest vanwege hevig verzet zijn plan laten varen. Shell wil nu niet zover gaan als Esso destijds, maar wil wel bij (bijna) ongevallen testen uitvoeren op het gebruik van alcohol en drugs. Maar gaat dit niet te ver? Met andere woorden; mogen bedrijven in het algemeen zomaar alcohol en drugstesten uitvoeren onder genoemde omstandigheden?

Daarbij moet onder meer het volgende worden overwogen:

- Ten eerste kan een werknemer op basis van artikel 10 (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 11 (de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam) van de Grondwet, bezwaar maken tegen het uitvoeren van testen, om welke reden deze dan ook worden uitgevoerd. In de praktijk blijkt echter een test 'vrijwillig verplicht' omdat bij weigering de baan op het spel kan staan. De werknemer zal de druk om een test te ondergaan niet kunnen weerstaan.

- Ten tweede hoort in een ontmoedigings- en preventiebeleid het belang van de werknemer voorop te staan. Bij het testen van werknemers - ook na ongevallen - wordt ten ene male het belang van de werkgever gediend.

- Ten derde geldt dat het vergaren van bewijsmateriaal bij ongevallen voor een juridisch dan wel strafrechterlijk onderzoek, niet primair de taak is van de werkgever maar van andere instanties, zoals de politie. Daaronder valt ook het uitvoeren van testen op alcohol- en drugsgebruik.

- Ten vierde komt de professionele autonomie van artsen werkzaam bij de medische dienst van een bedrijf onder druk te staan, indien de eigen vrijheid van handelen wordt gesanctioneerd door het beschreven bedrijfsbeleid. Zij zullen dan worden gezien als verlengstuk van de werkgever en verspelen daarbij hun rol in de begeleiding. Werknemers zullen hen wantrouwen, waardoor de arts/patiënt-relatie vertroebeld raakt.

In dit kader moet ook worden gewezen op het nieuwe bestuursstandpunt van de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Volgens dit standpunt, waarover door de Vereniging nog moet worden gestemd, moet een bedrijf een duidelijk alcohol- en drugsbeleid hebben, waarin de bedrijfartsen èn de werknemers zijn gekend. Daarin moeten ook de criteria (hoeveel alcohol en drugs is toegestaan) worden vastgelegd.

Verder moet er een veiligheidsaspect in het geding zijn. Zo is voor een piloot elk gebruik van alcohol taboe, terwijl bij een vergadering een pilsje niet per se schadelijk hoeft te zijn. Bedrijfsartsen zouden alleen maar een uitspraak mogen doen over de vraag of een werknemer nog voldoet aan de functie-eis, en niet over de specifieke resultaten van het testresultaat. Ook moet de werknemer zijn toestemming geven voor een test, en de gelegenheid krijgen een contra-expertise uit te laten voeren.

Al deze voorstellen geven aan dat er redenen genoeg zijn om het testen van 'verdachte' werknemers ter discussie te stellen. In een goed alcohol- en drugsbeleid is vorm gegeven aan een optimale preventie en begeleiding van werknemers, gericht op reïntegratie in het arbeidsproces.

Via procedures moet worden ingespeeld op de zorg- en begeleidingsbehoefte van de werknemer, niet alleen op het werk. Ook de sociale ongeving hoort betrokken te worden bij de oplossing van het probleem. Alleen dan kan een integrale aanpak slagen.

Het eenzijdig testen van werknemers, in welke omstandigheid dan ook, doet de arbeidsrelatie geweld aan en maakt meer kapot dan je lief is. Bedrijven doen er goed aan hun alcohol en drugsbeleid af te stemmen op het principe van de maximale toenadering, met behoud van de distantie.

Leo Elders

De auteur is bedrijfsarts en docent bedrijfsgezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer over