Analyse

Al eeuwen houdt de ontgroening zichzelf in stand

Het studentencorps is ooit in het leven geroepen om een eind te maken aan excessen tijdens de ontgroening. Een onmogelijke opdracht, blijkt weer uit de ‘onacceptabele gedragingen’ tijdens de recente ontgroening in Amsterdam. Mensen willen zich graag onderwerpen aan de grillen van een ‘gulzig instituut’ als het corps.

Ontgroening in Amsterdam 2012. In uiteenlopende culturen zouden toetredingsrituelen een vergelijkbaar karakter hebben. Beeld Hollandse Hoogte / Thomas Schlijper
Ontgroening in Amsterdam 2012. In uiteenlopende culturen zouden toetredingsrituelen een vergelijkbaar karakter hebben.Beeld Hollandse Hoogte / Thomas Schlijper

Sinds mensenheugenis worden nieuwkomers in een besloten gezelschap aan uiteenlopende vormen van ontgroening onderworpen, en sinds mensenheugenis wordt daar kritisch over geschreven. Zo beklaagde de monnik Johannes Cassianus (365-435) zich over de vernederingen en ‘misprijzingen’ waarmee hij als intredende kloosterling door de oudere broeders werd onthaald. In de 17de eeuw moesten studenten aan de Nederlandse universiteiten zich, letterlijk, naar boven vechten in een kunstmatige pikorde. Een Utrechtse student maakte er bezwaar tegen dat eerstejaars in de collegezaal of op straat handtastelijkheden of andere ‘onedele gedragingen’ moesten verdragen.

In 1839 bezweek de Leidse student J.P. Kraakman bijna aan een lesje in nederigheid dat hem door ouderejaars studenten was toegediend. Als reactie op dit zogenoemde Kraakman-incident werd het Leidsch Studenten Corps (LSC) in het leven werd geroepen, met de uitdrukkelijke opdracht de ontgroening te civiliseren – dan wel af te schaffen.

Uit de lange reeks incidenten die zich sindsdien hebben voorgedaan – met als recent voorbeeld het ‘extreem vernederen, schoppen en in elkaar slaan’ tijdens de ontgroening in Amsterdam – kan worden opgemaakt dat de corpora, of de disputen binnen de corpora, die opdracht geregeld uit het oog hebben verloren. Steeds zwelt de kritiek op de ontgroeningspraktijken aan. Steeds verweren de bestuurders zich tegen de kritiek met de verzekering dat de gerapporteerde voorvallen (voor zover die niet worden ontkend of gebagatelliseerd) betreurenswaardige incidenten zijn, dat de verantwoordelijken zullen worden gestraft, en dat zoiets nooit meer zal gebeuren.

'Dachautje spelen’

Dat was al de teneur van het betoog waarmee Jan Otto Lodewijk van Boetzelaer, de toenmalige preases van het LSC, zich in 1963 tijdens een debat in een rokerige televisiestudio verweerde tegen de stelling dat de ontgroening ‘uit de tijd’ was. Het jaar daarvoor hadden kaalgeknipte feuten (aspirant-leden) van het Amsterdamsch Studenten Corps ‘Dachautje’ moeten spelen. Tijdens een dispuutsontgroening, eveneens in Amsterdam, was een feut gewond geraakt bij een vergeefse poging van een ouderejaars om hem met een hockeystick een bekertje van het hoofd te slaan. Dit als variant op het Utrechtse spel Wilhelm Tell, waarbij feuten zich met een appel op het hoofd moesten opstellen in het schootsveld van een boogschutter en een secondant. ‘Wij zijn Wilhelm Tell’, zeiden die als introductie. ‘Hij heet Wilhelm, en ik tel: één, twee, drie…’

Volgens de hoogleraar strafrecht en Eerste Kamerlid I.A. Diepenhorst, die het televisiedebat over de ontgroening modereerde, waren deze zogenoemde excessen inherent aan de ontgroening. ‘Ingewijden weten dat er bijna ieder jaar ontsporingen optreden en dat de kiesheid er stelselmatig bij inschiet.’ Maar daar wilde Van Boetzelaer, een goede vriend van Pieter van Vollenhoven, niets van weten. De excessen die de krant hadden gehaald, waren niet representatief voor het geheel. Ouderejaars waren er niet op uit om ‘nu eens lekker kleine jongetjes te gaan pesten’. En de feuten ervoeren het niet als vernederend dat ze werden kaalgeknipt – een onderdeel van de ontgroening waardoor de Utrechtse hoogleraar Hans Freudenthal zich naar eigen zeggen in z’n menselijke waardigheid ‘gekwetst’ voelde. De feuten ervoeren dat anders, wist Van Boetzelaer. ‘Zij zijn trots op hun kale kop.’

Gulzig instituut

Het kan niet worden uitgesloten dat dit in veel gevallen echt zo was, zegt de Rotterdamse bestuurssocioloog Mark van Ostaijen. Het studentencorps is tenslotte bij uitstek een ‘gulzig instituut’, zoals de socioloog Lewis Coser het noemde: het kan bestaan omdat mensen bereid zijn zich er vrijwillig aan te onderwerpen. Daarin onderscheidt het zich van de zogenoemde ‘totale instituties’, zoals gevangenissen, tbs-instellingen en (dienstplichtigen-)legers, die disciplinering afdwingen op basis van onvrijwilligheid en fysieke vrijheidsbeperkingen.

Mensen die aansluiting ambiëren bij een gulzig instituut, voegen zich uit eigen beweging naar de geschreven en ongeschreven regels die er (zouden) gelden. ‘In die zin is een gulzig instituut in potentie gevaarlijker’, zegt Van Ostaijen. ‘De leden bewegen mee met het collectief en wedijveren onderling bij het tonen van hun loyaliteit. Intussen denken ze: Ik heb dit toch zélf gewild?’ In feite is op die vrijwilligheid veel af te dingen. ‘Na verloop van korte tijd is het voor een lid nauwelijks nog een optie om zich uit het gulzige instituut terug te trekken, want zo’n stap wordt niet als moedig aangemerkt maar eerder als een falen.’

In uiteenlopende culturen en tijdsgewrichten hebben toetredingsrituelen een vergelijkbaar karakter, schreef psycholoog Peter Prudon in 2017 in het vakblad De Psycholoog. Aspirant leden worden geacht zich in korte tijd voor het lidmaatschap te kwalificeren door zich aan de grillen van de ouderen te onderwerpen.

Potentiële rivalen

Zo beschouwd, heeft de ‘rite de passage’ bij het studentencorps veel gemeen met het harde initiatieritueel waarmee in Papoea-Nieuw-Guinea de volwassenwording van jonge mannen gepaard gaat. Bij de nieuwelingen groeit, conform de leer van de cognitieve dissonantie, de behoefte om ‘bij de club’ te horen naarmate aan de toelating zwaardere eisen worden gesteld. En de zittende leden van die club bejegenen de nieuwelingen zoals zij ooit zelf zijn bejegend. Zo houdt de ontgroening zichzelf in stand.

Volgens Prudon komt daar nog iets bij: de ouderen zien de aspirant-leden als potentiële bedreiging van hun eigen positie. Ze zijn dus niet tot vriendelijkheid geneigd tegenover hun potentiële rivalen. Veel excessen tijdens de ontgroening zouden dus op ‘mannelijke penisnijd’ zijn terug te voeren. Zo zullen de pestende ouderejaars het niet hebben bekeken.

Meer over