Al die innerlijke onverzoenbaarheden

EEN PASSAGE uit een van de eerste brieven uit het tweede deel blijkt achteraf een veeg teken. Op 5 maart 1951 schrijft Gerard Walschap aan de Nederlander Hans Roest onder meer: 'Ik ben begonnen met bijna niets dan vijanden, nu heb ik al veel meer vrienden dan tegenstanders en voortdurend...

Dat jaar wordt hij voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, een besloten genootschap van gearriveerde Vlaamse letter- en taalkundigen; zijn roman Zuster Virgila verschijnt; tegen het einde van zijn lange leven - hij sterft in 1989, 91 jaar oud - zal hij deze roman, met het in 1939 verschenen Houtekiet, als zijn beste werk beschouwen.

Zuster Virgilia, het levensverhaal van een heilige non, wordt heel gunstig onthaald. Walschaps schrijverschap is niet langer omstreden, al zal hij altijd zelf de strijd en het onrecht weer oprakelen, het oude vuur waaraan hij zich blijft verhitten. Onrecht en vijandschap zijn verbijsterend geweest, het in 1998 verschenen eerste deel van Walschaps brieven (uit de periode 1921-1950) geeft daarvan een beeld. De hartgrondigste bestrijding kwam in de jaren dertig van kerk en clerus, van rechts, tegen zijn werk en tegen zijn persoon; in 1940 zal Walschap met het pamflet Vaarwel dan afscheid nemen van kerk en geloof, die hem overigens nooit met rust zullen laten, en dat in dubbele zin. Na de oorlog, waarin Walschap zich twijfelachtig gedroeg, komt de vijandschap van links, tegen zijn persoon. Hij is nu zelf de rechtse vijand.

In 1951 is alles uitgewoed. Bijna vier decennia zal hij de gevierde schrijver zijn, behaaglijk tussen andere gevierde schrijvers. De brieven uit die 38 jaar staan in de nu verschenen delen twee en drie van de brievenuitgave. En zoals meestal blijkt ook hier volledigheid tot overvolledigheid te leiden.

Alle bestrijding ten spijt, werd Walschap in de jaren dertig al snel als een groot schrijver gezien, een vernieuwer van het proza, de traditie op eigen wijze hernemend en vernieuwend. Hij werd, voor Vlaanderen, redactielid van Forum en de inzichtrijkste kritieken krijgt hij in het noorden van Ter Braak. De vraag kan zijn of zijn vooroorlogse werk niet zijn beste is; hij heeft het in de latere jaren alleen nog geëvenaard met Zuster Virgilia en De Francaise. De jaren dertig zijn die van een bevrijding, in een heel indrukwekkend zelfgevecht, de naoorlogse die van stabilisatie. Hij is niet alleen zijn vijanden, maar ook de vijand in zichzelf kwijt. De anti-katholieke en anti-geloofsuitingen uit zijn latere jaren lijken iets van rituelen geworden. De ambiguïteit van zijn karakter is in het eerste deel van de brieven scherp zichtbaar: hij verzet zich en wil tegelijk geaccepteerd worden, hij zoekt het isolement, maar haakt naar gezelschap; die dubbelzinnigheid blijft, maar lijkt kunstmatig geworden. Zijn indrukwekkende vitaliteit, tot in zijn laatste jaar, gaat toch voor een deel verloren aan zelfbevestiging.

Voor het oude isolement is wel een ander in de plaats gekomen: dat van de jongere, naoorlogse Vlaamse literatuur. Dit nieuwe isolement is een vorm van zelfverdediging, van hem en van zijn generatie en van de nog ouderen. Voor De Kapellekensbaan van Boon heeft hij, in een brief aan de oude vriend Marnix Gijsen, geen goed woord over. In 1983 schrijft hij in een briefje aan iemand die het wel wist: 'En als ge 't nog niet zoudt weten, er is een magnum opus verschenen ''Het verdriet van België''.' In een recensie verklaart hij zich tot dan in het werk van Claus te hebben vergist (over diens poëzie maakt hij ook ergens een misprijzende opmerking). Nagenoeg alle belangrijke naoorlogse schrijvers en dichters blijven in de brieven buiten beeld. Walschap beweegt zich - en dat kan het benauwende zijn van de twee delen - in een vrij kleine kring van oudere schrijvers die in met steeds terugkerende uitingen van adoration mutuelle de onderlinge banden versterken.

Het is het literaire establishment dat de prijzen verdeelt, voor elke opkomende wind binnenshuis blijft of die tracht weg te blazen, dat invloed heeft in de maatschappij. De anarchist is een vertegenwoordiger van de gevestigde orde geworden, wetend waar de touwtjes zitten om aan te trekken. Haast komisch is de moeite die hij via via doet om zijn dienstplichtige zoon uit Duitsland weg te krijgen. Helemaal komisch is hoe de zeer invloedrijke en hier beïnvloede Julien Kuypers Walschaps dochter Carla een baan in het onderwijs tracht te bezorgen. Kuypers vergist zich in de voornaam en de baan gaat naar Walschaps zuster Godelieve Walschap, die niet gesolliciteerd had!

De isolatie van de nieuwere literatuur is ook een gevolg van onbegrip, gevolg van een hardnekkig blijvende, heel traditionele smaak, zeker in de poëzie, waar die smaak zeer ouderwets is. Gevoel voor kwaliteit - men leze zijn oordeel over Achterberg - lijkt hij niet veel te hebben. Van wat hij soms prijst, kan men schrikken.

Een groot deel van de brieven is geschreven aan de letterkundigen uit de besloten kring (waarin zich later de Leuvense hoogleraar Albert Westerlinck voegt): Teirlinck, Claes, Gijsen, Roelants, Schmook. Nogal wat brieven zijn puur formeel en hebben betrekking op vergaderingen van de academie. Meer dan niet terzake doende kattebelletjes zijn het niet. De allerkortste luidt: 'Alstublieft, goede vriend Cyriel, Gerard'. Dank u wel.

Vrij veel brieven gaan naar een kleine kring van wat jongere schrijvers: Libera Carlier, Jan van den Weghe, Anton Vlaskop, vergetenen die Walschaps werk bewonderden en door hem bewonderd werden. Het allergrootste deel van de brieven is geschreven aan zijn kinderen, met name aan zijn oudste zoon Hugo. Die is in diplomatieke dienst en woont in het buitenland. Zijn tweede zoon, medicus, woont ongeveer naast hem. Zijn dochter Carla, die schrijft, zijn zoon Lieven, die schilder is, zijn zoon Bruno, die ook schrijft en films maakt, wonen ook in Antwerpen. Hij schrijft hen wanneer hij op reis is. Walschap maakt in de 38 jaar die de twee nieuwe delen beslaan, enkele heel grote reizen: naar Congo, naar Peru (met in een van de brieven een laatste grote uitbarsting van afkeer tegen het bedrog van het katholicisme), naar China. Hij doet altijd trouw verslag aan de thuisblijvers.

Als Walschap zichzelf een 'bourgeois' noemt, dan is hij dat zeker in de relatie tot zijn kinderen. De twee carrièremakers, de diplomaat en de arts, zijn zijn duidelijke lievelingen, zijn trots ook. En die trots geldt niet het minst hun materiële welstand en hun belangrijke relaties. (Zelden heb ik het woord 'villa' zo vaak gelezen als in deze brieven.) De drie kunstenaars, de dochter enigszins uitgezonderd, zijn duidelijk, hoe vreselijk het ook klinkt, tweede garnituur. De grote vrijzinnige heeft de vrijzinnigheid van juist die kinderen nooit begrepen, zeker afgekeurd. Maatschappelijke welstand en vooral zekerheid is voor hem een bewijs van sociale geslaagdheid.

Wat in het eerste deel frappeerde, manifesteert zich hier ook: Walschap zoekt voortdurend begrip, maar onttrekt zich daaraan ook. Ten slotte wil hij niet begrepen worden. Een heel mooi voorbeeld geven de brieven die hij schreef aan Jeanne Laurent, een scherpzinnige bewonderaarster, op wie hij - even - verliefd is. Tegen zoveel inzicht lijkt hij uiteindelijk niet op te kunnen, en zou hij waarschijnlijk zijn verdere schrijversleven niet opgewassen zijn geweest. Hij redt zijn eigen moeilijkheden! Juist met die in veiligheid gebrachte problematiek is hij ook de echtgenoot in een huwelijk van tegendelen kunnen blijven. Zijn vrouw bleef katholiek, verfoeide in feite wat hij tegen het geloof schreef, sprak hem tegen. Dat lijkt het ideale soort begrip dat hij zoekt en dat hem vitaal en eigenzinnig houdt.

De brieven die van het eerste deel het hoogtepunt waren - die met de kloosterzuster Oswalde Enter -, worden in de nu verschenen delen gemist: de correspondentie is gestokt, slecht enkele brieven worden nog geschreven. De brieven aan de non waren stilistische hoogtepunten. Het niveau ervan wordt in de delen twee en drie niet gehaald. Een groot deel van de brieven doet niet terzake, de correspondentie met de literatoren uit de vertrouwde kring zijn weinig interessant, die aan de familie veelal te persoonlijk. Er blijft weinig over dat echt boeit. In elk geval te weinig voor zo'n negentienhonderd pagina's. Er is alleen het raadsel dat Walschap zelf blijft, in zijn innerlijke onverzoenbaarheden. Zijn lijfspreuk blijkt het aan het Emmaüs-verhaal ontleende verzoek: 'Blijf bij ons, want het wordt avond.' (Hij citeert het vele malen, in het Latijn.) Laat me niet alleen. Dat heeft men niet gedaan: hij is gehuldigd, gevierd en aangebeden als misschien alleen in Vlaanderen mogelijk is (hoewel het heilig jaar rond Mulisch ons voorzichtig moet maken).

De allergrootste waarde van de uitgave wordt bepaald door de ronduit schitterende annotaties van de tekstbezorgers. Zij maken van de brieven een literair-historisch document, een naslagwerk haast en op een enkele uitzondering na van een grootse onpartijdigheid.

Het hoogtepunt van naïveteit is de geloofsbrief die Walschap schreef aan de Nederlandse professor Donkersloot ter verkrijging van een professoraat in Gent. Hij kreeg het niet. Hij bleef inspecteur van de openbare bibliotheken, een kennelijk zo lichte baan dat die in de brieven nauwelijks een spoor heeft nagelaten.

Meer over