Afscheid

Zondagmiddag in Amsterdam, een man neemt afscheid van zijn oude moeder op de Jozef Israëlskade...

Mooie plek trouwens.

Bakstenen huizen van Berlage.

Water, Hollandse lucht.

De man is een jaar of vijfenveertig. Hij valt niet op. Vrijetijdskleding, bril, beginnende kaalheid. Hij zwaait naar zijn moeder.

Boven.

Zij staat in de erker op één hoog. De vitrage heeft ze opzijgeschoven. De kooi met de kanarie is in beeld. Moeders gebloemde jurk ook, maar haar gezicht nauwelijks – het is een grimmig boetseersel van plooien, rimpels en vouwen, met een grijs kapsel erboven. De uitdrukking in haar ogen, wat zich afspeelt rond de mond – het is niet te zien.

De man zwaait.

Zwaait ze terug?

Niet te zien.

'We bellen', roept de man. Hij maakt het bijbehorende gebaar, pink en duim die een telefoon vormen bij oor en mond. Hij beweegt zich langzaam weg van zijn moeder. Er is schuldgevoel te zien, maar ook opluchting. Hij zou langer bij haar moeten blijven, maar hij wil ook weg, naar huis, naar het café, naar de hoeren desnoods.

Hij zwaait.

De vitrage beweegt, oké – daar moet hij het mee doen. Hij draait zich om en haast zich langs de kade naar zijn auto, een nette VW Passat, donkergroen.

Nog twee keer draait hij zich om en zwaait hij dapper. Maar hoe dichter hij bij de auto komt, hoe veerkrachtiger zijn tred – de bevrijding is bijna daar.

De enorme zucht.

Het grote hèhè.

Sleutel in het contact, riem om, radio aan. Hopelijk een leuk liedje, iets dat hij onmiddellijk mee kan zingen. I Will Survive, Gloria Gaynor, zoiets. Nog een keer toeteren als hij wegrijdt en dan is moeder ineens heel ver weg, nou ja, een week verder. Als hij de bocht maakt, de Ruysdaelkade op, kan hij nog net even haar erker zien, met de nieuwe kozijnen van kunststof.

Hij denkt aan moeders thee.

De koekjes, de kanarie.

De kippensoep in de keuken.

De oude vuilnisemmer van het balkon.

De foto's van vader.

De klok, dezelfde als die waar ze boos naar wezen als hij te laat thuis kwam, dezelfde klok als die waar hij die nacht naar lag te luisteren toen vader was overleden en hij op de bank sliep, niet ver van de lijkkist waar een hinderlijk zoemend koelapparaat onder stond, de klok van zijn jeugd die nog zal tikken als moeder dood is en die hij nooit in huis zal willen hebben, hoe antiek hij ook is. Gelukkig is dan de Ruysdaelkade voorbij en eist het verkeer zijn aandacht op. Meteen is hij de zondagmiddag vergeten.

Meer over