AFSCHEID VAN ROTTERDAM

HET is, denk ik, niet helemaal toevallig dat het bekendste lied dat mijn geboortestad heeft opgeleverd, de smartlap Ketelbinkie, begint met de regel: 'Toen wij uit Rotterdam vertrokken'....

Koos Postema, die zichzelf onbezoldigd voorlichter van de stad noemt, woont bijvoorbeeld al ruim dertig jaar niet meer in Rotterdam. De fanatieke Feyenoorder Gerard Cox liet vorig jaar in het blad Circuit de constatering dat het voor hem een feest is om in Rotjeknor te leven, volgen door de ontnuchterende mededeling dat hij zich in een of ander dorp heeft gevestigd.

Alfred Kossmann, auteur van het boek met de pathetische titel Rotterdammer, zo ik iets ben, gaf er de voorkeur aan te emigreren naar Amsterdam. En de huidige burgemeester vluchtte de afgelopen jaren elke avond van de Coolsingel naar Wassenaar, waar de bevolking hem waarschijnlijk ook minder ongunstig gezind is.

Als woonplaats heeft Rotterdam een allesbehalve geweldig imago. Nescio vond het een wanstaltig oord; W.F. Hermans sprak van een uithoek van de wereld. Toeristen lopen er maar niet warm voor. Cameraploegen en fotografen demonstreren een voorliefde voor drugspanden in Spangen. Bezoekers klagen al gauw over het tekort aan dranklokalen, het aantal bouwputten en de harde wind die er volgens een hardnekkig vooroordeel voortdurend waait.

Overigens lijkt het imago enigszins te verbeteren. Met ontzag wordt zo nu en dan gesproken over de skyline. Festivals trekken van heinde en verre belangstellenden. Paul de Leeuw bezingt de bijzondere gevoelens die de stad bij hem oproept.

Zelfs van de kant van de Amsterdamse elite bereiken ons soms woorden van waardering. Zo togen twee jongens van HP/De Tijd voor een reportage naar de werkstad om daar tot hun verbazing enige plekken aan te treffen die een cultuurliefhebber uit de hoofdstad niet onmiddellijk tegen de borst stuiten. Grand Café Loos, Hotel New York, de KunstHAL, al deze artistiek verantwoorde locaties inspireerden het duo tot een lofzang met de kop 'Geef mij maar Rotterdam'.

Toch wil het op cultureel vlak niet echt zomeren. De stad, zo werd in een Rotterdam-bijlage van NRC Handelsblad geconstateerd, heeft niet te klagen over de hardware. Er zijn musea, instituten, theaters, manifestaties zat, ook al doen sommige nieuwigheden, zoals het desolate Schouwburgplein met zijn afzichtelijke megabioscoop, pijn aan je ogen.

Het voornaamste probleem zit hem echter in de software. Rotterdammers, schreef de NRC-medewerker, 'neigen eerder tot plat vermaak dan tot verfijning'. Hun belangrijkste bijdrage aan de vaderlandse cultuur is gabberhouse. In een hoogstaande discussie over de stand van zaken in de Nederlandse literatuur zijn zij niet geïnteresseerd. Het culturele aanbod wordt grotendeels verzorgd door aliens, die na kantoortijd richting Amsterdam reizen.

Rotterdam lijdt ook onder een gebrek aan historische continuïteit. Naast de Duitse vernietingsdrang in 1940 heeft de vernieuwingsdrang van het gemeentebestuur bijgedragen tot een gevoel van ontworteling bij de bevolking. Al die moderne gebouwen vertonen nauwelijks een relatie met de fraaie plaatwerken over de gezellige stad uit het verleden.

Een zekere vervreemding wordt bovendien bevorderd door de grote instroom van buitenlanders. Zo wordt het schilderachtige Delfshaven waar ik opgroeide, nu gedomineerd door mensen uit een andere cultuur. Het getuigt ongetwijfeld van een grote bekrompenheid, maar nogal wat autochtonen voelen zich daardoor minder thuis in de eigen woonplaats.

Dat ik nu, na 36 jaar, toch met pijn in het hart afscheid neem, heeft dan ook niet te maken met het uiterlijk, de historische tradities of het geestelijke klimaat van de proletenstad aan de Maas. Vervelend is, dat ik niet meer behoor tot die nuchtere, hardwerkende, geestige kankeraars die de ruggengraat vormen van Rotterdam.

Frankrijk is een mooi land, maar het is jammer dat er Fransen wonen, heeft minister Jorritsma weleens in een openhartige bui opgemerkt. Rotterdam daarentegen is misschien geen mooie plek, maar gelukkig wonen er Rotterdammers.

Zij verpersoonlijken een no nonsense mentaliteit, een instelling van handen uit de mouwen en geen kapsones, een cynische rondborstigheid in combinatie met optimische daadkracht. Het werkvoetbal van Feyenoord, de proletarische platheid van Jules Deelder, de lijfelijke humor van Waardenberg en De Jong, de laconieke nuchterheid van Bob den Uyl, dat is Rotterdam.

Het kan zijn dat ik hier een wat geromantiseerd beeld schets. Het kan zijn dat er in mijn geboortestad tal van luie praatjesmakers rondlopen. Toch heeft de aantrekkelijke reputatie van mijn voormalige stadgenoten zeker realiteitswaarde. Genoeg voor mij in ieder geval om het te betreuren dat ik voorlopig op de vraag naar mijn woonplaats niet meer met kinderlijke trots 'Rotterdam' kan antwoorden.

Meer over