Afscheid van een trouwe leesclub

Is Bob Dylan al naar Frankfurt onderweg? Vandaag begint in het Manhattan aan de Main de jaarlijkse Buchmesse. Morgen wordt bekend wie de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen....

WILLEM KUIPERS

Gelukkig loopt het met de Nobelprijs nooit zo'n vaart als deze of gene gek elk jaar weer hoopt. Meestal valt de keuze van de Zweedse jury geheel anders uit dan de speculatieve voorbeschouwingen doen vrezen. Bovendien lijkt Dylan niet iemand om spoorslags naar Duitsland te vertrekken als de man die zijn teksten uitgeeft - wie is dat eigenlijk? - hem roept. Niettemin gonst het vanaf morgen in Frankfurt van de geruchten. Niet per se over Dylan, maar wel over tal van andere mondiale beroemdheden, die zich hier graag in levenden lijven - in het volle zicht van tv-camera's - laten fêteren. Als auteur. Zou, bijvoorbeeld, BB er zijn om het craquelé van haar ooit zo fluwelen gelaat van nabij te laten bewonderen? Ik hoop het van harte.

Het idee, dat het in de wereld van het boek - wereldwijd gezien - uitsluitend en alleen om boeken gaat, is, laat ik zeggen, een tikkeltje ouderwets. In Frankfurt zie je hoe de boekindustrie het steeds meer moet hebben (of denkt te moeten hebben) van multi-media in de sfeer van de computertechnologie en de media-tie-ins, de boeken die voortvloeien uit films en televisie-series of, omgekeerd, boeken waarvoor opnieuw belangstelling is ontstaan door verfilming of televisie-uitzending. De tv beheerst ook de uitgeversbranche.

Dat wil niet zeggen dat er niet heel veel in de sfeer van hoogwaardige non-fictie en literatuur te ontdekken valt. Als ik, wat dat laatste betreft, nu al een bepaalde ontwikkeling mag signaleren - op grond van de berichtgeving in de internationale vakbladen - dan houdt die verband met de mate waarin de kunst tot onderwerp van romans wordt gemaakt, zoals in Milton in America van Peter Ackroyd of Matisse's war van Peter Everett. Een niet aflatende stroom biografieën van grote, vooral twintigste-eeuwse kunstenaars als Samuel Beckett, Virgina Woolf, Ford Madox Ford, T. S. Eliot en vele anderen, ook in andere taalgebieden dan het angelsaksische, versterken het idee dat door middel van het boek aan de kunst rechtgedaan moet worden voordat zij door de massacultuur definitief wordt weggevaagd.

Als de Zweedse Nobelprijsjury gevoelig is voor die intentie, dan kan Bob Dylan gewoon thuis de mondharmonica en de guitaar blijven bespelen.

Temidden van de tienduizenden boeken die in Frankfurt vaak nog als dummy - een zichtexemplaar zonder tekst - liggen uitgestald, zijn er altijd vele, waarop uitgevers azen, omdat hun Fingerspitzengefühl hun zegt dat ze er iets aan zullen hebben. Meestal hebben ze die titels overigens al lang ingezien, want als er iets verbeterd is in de uitgeverswereld, dan zijn het de 'internationale contacten'. Veel uitgevers zijn dan ook alleen op de beurs om de banden met hun collega's in verre landen aan te halen, zodat ze, eenmaal weer thuis, tijdig van 'nieuws' worden voorzien.

Gaat de gedachtenwisseling die in Frankfurt onder het genot van haast onbetaalbare Sekt en Würstl plaatsvindt uitsluitend over bestsellers? Ik geloof het niet. Het uitgeversbedrijf is gevarieerd genoeg, zelfs binnen de in onze ogen zo onoverzichtelijke internationale uitgeversconglomeraties, om boeken een plaats te bieden, die voor ons, eenvoudige lezers, een waarde vertegenwoordigen van meer dan louter commercieel belang. Het gaat in deze sfeer om een type boek, waarvan uitgevers die hun vak verstaan, meteen aanvoelen dat het 'past in hun fonds'.

Het zijn boeken, die niet per se in honderdduizenden aantallen over de toonbank hoeven te gaan, maar gerust een wat geringere verkoop mogen hebben, omdat zulke uitgevers weten dat er een markt voor is, hùn markt, dat wil zeggen het lezerspubliek dat zij kennen doordat verwante boeken het eerder 'goed deden'.

Regelmatig gebeuren er in deze, voor de buitenstaander moeilijk te definiëren categorie, de meest verrassende dingen. Als ik in het recente verleden naar een paar voorbeelden zoek, kom ik uit bij boeken als Het boek der herinnering van Péter Nádas, Diepe wildernis: de wegen van Joao Guimaraes Rosa, het Verzameld Werk van Bruno Schulz en nog ettelijke titels, waarvoor de uitgevers niet zonder meer hun handen in het vuur durfden te steken - als het om verkoop ging -, maar die hen meer dan tevreden achterover deden leunen, toen zij zagen hoezeer lézers hun lef (of hun ongebroken geloof in kwaliteit) beloonden. Ook op het gebied van de non-fictie doen zich dergelijke uitzonderingen voor. Hitlers gewillige beulen van Daniel Goldhagen mag wat dit betreft een succes worden genoemd.

In deze rubriek, waarmee door Martin Ruyter in september 1979 een begin werd gemaakt, is steeds geprobeerd dit type boek onder de aandacht van de lezers te brengen. Geleidelijk aan is door de manier waarop en de mate waarin op deze berichtgeving werd gereageerd een soortemet Nederlandse leesclub zichtbaar geworden, die niet alleen belangstelling had voor boeken van een behoorlijk niveau, maar ook bereid is daarvoor iets te dóen.

Een vorm van dadendrang, die mij vanaf het moment dat ik in 1992 deze rubriek ging schrijven, steeds meer is gaan intrigeren, is de deelname van zulke lezers aan groepjes, gezelschapjes, genootschappen en wat dies meer zij, waarin zij het met elkaar over het gelezene hébben. Lezen, ik heb het hier eenmaal tot grote verbazing van Martin van Amerongen, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, benadrukt is een eenzame bezigheid, gelukkig maar, far from the madding crowd. Maar dat is niet het hele verhaal: lezen heeft ook een sociaal aspect.

In de Verenigde Staten, niet alleen in dít opzicht ons voorland, zijn ze daar al wat langer achter. De laatste maanden heb ik me verdiept in boekjes als What to read van Mickey Pearlman Ph. D. en die leerden mij dat het in Amerika barst van de leesgezelschappen - bestaande uit mensen van allerlei slag, heel democratisch - die graag gevoed willen worden met leeslijsten van boeken die je nu niet direct tot de massacultuur kunt rekenen. Wie die leeslijsten ziet, merkt dat er in Amerika, althans voor dit deel van het lezerspubliek, behoefte bestaat aan een min of meer regulerende canon, een hoeveelheid boeken die als het ware van 'hogerhand' een kwaliteitskeurmerk hebben gekregen.

Het kan snobisme zijn, maar dat geloof ik niet. Veeleer lijkt me hier iets aan de hand, dat ook in Nederland aan het gebeuren is: de vérgaande popularisering van het boek in de massamedia is voor bepaalde lezers over het algemeen zeer onbevredigend. Deze lezers zoeken, om het eens in culinaire termen te stellen, steviger kost. De moeilijkheid die zich daarbij voordoet is, in Amerika net zo goed als tegenwoordig in ons land, dat degenen die zijn opgegroeid zonder literatuurgeschiedenis op school - en misschien wel überhaupt zonder geschiedenis - de weg zijn kwijtgeraakt in boekenland en behoefte hebben aan een gids (die ook zo'n leesclubje kan zijn).

Tegelijkertijd zie je dat oudere lezers - die mij daar in brieven, aan de telefoon en bij ontmoetingen in het openbaar kond van deden - bijgepraat willen worden. Niet per se over het allernieuwste, zoals dat in de kranten wordt gerecenseerd en in de boekwinkel ligt opgetast, maar over oudere boeken, waarvan ze in hun jeugd hebben gehoord, maar die ze helaas nooit hebben gelezen.

In het laatste geval doet zich steevast iets onverklaarbaars voor. Bepaalde boeken, of beter gezegd bepaalde schrijvers wil men niet. Je kunt pagina's volschrijven over het belang (en het uitzonderlijke vertelvermogen) van Louis Couperus, Arthur van Schendel of Simon Vestdijk, men gaat de boeken van zulke schrijvers niet lezen. Gaapt hier een gat tussen de kritiek en de lezers? Misschien wel, als ik zie hoe sommige academisch vervormde scribenten de lezer - die intelligent genoeg is om elk goed geschreven betoog op zijn waarde te kunnen beoordelen - buiten de deur houden. Hier is geen sprake van een 'ivoren toren', een bewust elitaire houding, die geen concessies wil doen aan Jan met de Pet. Daar zou ik nog vrede mee hebben, als ik het al niet zou toejuichen.

Nee, het is vorm van machteloosheid, die zich uit in cliché-achtige probleemstelingen en het volslagen ontbreken van een eigen oordeel. Dat stimuleert noch de belangstelling voor de levende literatuur - die van alle tijden is -, noch het schrijven erover in de krant. Want een specialist, is daar het gevoelen, maakt een dode schrijver nog doder dan hij al is.

In die leesclubjes, voorzover ik daar inmiddels een indruk van heb gekregen, bestaat een buitengewoon ontvankelijke houding ten opzichte van boeken, die je zowel nieuwsgierig als gretig zou kunnen noemen en die niet wordt ingeperkt door het lusteloze hedendaagse adagium dat wat niet van deze tijd is er niet toedoet. Er is meer over te zeggen, en dat zal ik ook zeker doen, maar voorlopig zou ik het langzamerhand ingeburgerde idee dat er nauwelijks nog gelezen wordt - of alleen het allergemakkelijkste - willen bestrijden. Natuurlijk gaat het niet om de honderdduizenden, die de uitgeversconcerns en de tv als maatstaf nemen, maar het gaat om voldoende grote aantallen (vijfduizend, tienduizend, vijftigduizend?) om zoveel mogelijk alle aandacht op de uitschieters te blijven richten en niet op de populaire werkjes die hun weg naar het publiek toch wel vinden.

Ik zal dat niet meer doen, althans niet door middel van deze kroniek, waarin zeventien jaar lang getracht is het aanbod enigszins overzichtelijk door te geven. Op 11 oktober, een vrijdag, verschijnt voor de eerste keer een nieuwe boekenbijlage van de Volkskrant, Cicero geheten, waarin zowel de literatuur als de non-fictie een plaats zal krijgen. Over die mengeling is een interessante discussie te voeren, want in hoeverre zijn die typen boek verwant? Voor de een is literatuur kúnst en zal zij zich meer thuis voelen tussen de muziek, de beeldende kunst, het theater en, misschien, de film. Voor de ander is literatuur een afspiegeling van de werkelijkheid en kan zij, in die hoedanigheid, een innige verhouding aangaan met geschiedschrijving, sociologie, psychologie, theologie en andere vormen van wetenschap, die 's mensen reilen en zeilen trachten te doorgronden. Het is een keuze.

ISBN verdwijnt in de huidige vorm. Wat ervan overblijft is een 'afgeslankte' rubriek met hoogtepunten van de week in de nieuwe Cicero. Met weemoed neem ik afscheid, niet alleen omdat ik vier jaar lang genoten heb van de tientallen schitterende boeken die ik te lezen kreeg (plus een ongelooflijke hoeveelheid rotzooi, alles heeft z'n keerzijde), maar ook omdat het contact met de lezers me geleerd heeft dat we met veel meer zijn dan je geneigd bent te denken.

Ik heb zelden brieven kunnen beantwoorden, helaas, brieven waarin aanstekelijke opmerkingen over literatuur, over lezen, over smaak, over bepaalde schrijvers (en of die nu wel echt zo goed waren als ik meende te moeten poneren) werden gemaakt. Schrijf door, misschien heb ik de komende jaren meer tijd om van tijd tot tijd te reageren. Ik ben ervan overtuigd dat we elkaar mede daardoor niet uit het oog zullen verliezen. Cicero zal, ik hoop ook door mijn bescheiden bijdrage, wekelijks de mooiste boeken voor álle lezers van de krant ontsluiten en ook een 'ISBN van de wereldliteratuur' die volgend jaar, deo volente, als boek verschijnt, kan ertoe bijdragen dat onze leesclub niet uiteenvalt. The times, the are a-changin'.

Meer over