InterviewsAfghanen in Nederland

Afghanen in Nederland zoeken in stilte hun toekomst: ‘Mijn ouders hebben zich nooit beklaagd over de prijs die zij voor onze vrijheid hebben moeten betalen’

Toba Dehpoor (24): ‘Mijn ouders zijn kapot van wat er de laatste tijd in Afghanistan is gebeurd.’ Beeld Ivo van der Bent
Toba Dehpoor (24): ‘Mijn ouders zijn kapot van wat er de laatste tijd in Afghanistan is gebeurd.’Beeld Ivo van der Bent

Oudere Afghanen in Nederland lijden bij het zien van de beelden uit hun land van herkomst. De jongeren proberen, eveneens in stilte, de academische ambities van hun ouders waar te maken. ‘Voor een zesje kregen we thuis geen complimenten.’

De Rotterdamse ondernemer Emal Zalmaai (38) herkent hen in één oogopslag: de grijze hippies die zijn Afghaanse restaurant Afsana bezoeken in de hoop hier nog iets aan te treffen van het land dat zij in de jaren zeventig bezochten. Afghanistan genoot destijds vooral bekendheid als producent van geestverruimende middelen, en als eindbestemming van menig hippie trail. ‘Het Afghanistan van die dagen was een land dat ikzelf nooit heb gekend’, zegt Zalmaai. ‘Een mooi, vreedzaam land met lieve mensen.’ Hij verliet dat land onverhoeds in 1998, tijdens een van de talrijke geweldserupties die Afghanistan toen al zo’n twintig jaar teisterden. Een oom ontfermde zich over hem. Tijd om afscheid te nemen van zijn ouders had hij niet. Te voet, per trein, per vrachtauto, per taxi, over gebaande en niet-gebaande wegen bereikten zij uiteindelijk Nederland, een land waarvan Zalmaai nog nooit had gehoord, en waar zijn oom ook niet wilde blijven: hij trok verder naar Groot-Brittannië.

Zalmaais levensverhaal is er een van vele uit de Afghaanse diaspora: zijn familieleden – voor zover die niet achterbleven in Afghanistan – verspreidden zich over Europa. Zijn ouders, inmiddels 78 en 88 jaar oud, kwamen terecht in Denemarken. Zij hebben moeten berusten in hun lot als vluchteling: oudere Afghanen bereikten in Europa maar zelden de maatschappelijke positie die zij in het land van herkomst bekleedden. Hun nazaten echter, hebben in het land van bestemming hun talenten vaak tot ontwikkeling kunnen brengen. Jongeren met een Afghaanse achtergrond presteren op school beter dan leeftijdsgenoten uit andere niet-westerse herkomstlanden, en ze studeren vaker aan een hogeschool of universiteit. Ze komen daarentegen minder vaak in aanraking met Justitie.

Zutphen? Apeldoorn? Rotterdam!

Het migrantenbestaan van Emal Zamaai heeft zich volgens dit script voltrokken. In Afghanistan had hij, vanwege de oorlogstoestand in het land, slechts twee jaar onderwijs kunnen genieten. Hier leerde hij de taal van het land waarvan hij eerder nog nooit had gehoord, doorliep het havo, volgde in twaalf maanden tijd een verkorte, driejarige, mbo-opleiding tot apothekersassistent en werkte 16 jaar in diverse apotheken. Hij kwam in Rotterdam terecht, en voelde zich daar onmiddellijk thuis. ‘Ik zocht weleens vrienden op in andere delen van het land, maar dan dacht ik steeds: Zutphen? Apeldoorn? Wat kun je daar doen?’

Vijf jaar geleden opende hij zijn Afghaanse restaurant, in de nabijheid van de Kop van Zuid. Daar geeft hij, zoals hij het zelf uitdrukt, de kansen die hij zelf heeft genoten door aan het personeel – overwegend Syriërs, Eritreeërs en Afghanen. ‘Het zit in onze cultuur’, zegt Zamaai. ‘We zijn leergierig en we willen anderen laten delen in wat wijzelf hebben bereikt. Ik heb meer mijn best moeten doen dan de mensen die hier zijn geboren, maar daar heb ik helemaal geen problemen mee zolang je kansen krijgt. Het is aan ons om die kansen ook te benutten.’

Dit ethos is gemeengoed in zijn familie. Zijn vrouw Maryam Borhani, eveneens van Afghaanse origine, is mondhygiëniste met een eigen praktijk (in Barendrecht). Hun twee dochters – 10 en 12 jaar oud – weten nu al dat zij respectievelijk architect en chirurg willen worden. Al zijn in Europa woonachtige neven en nichten genieten een opleiding op – minimaal – hbo-niveau, of hebben die afgerond. Autochtone Nederlanders gunnen hem zijn succes van harte – die ene uitzondering daar gelaten van een buurman die een misprijzende opmerking maakte over zijn mooie auto. ‘Ik zei toen maar: ik werk als u slaapt en weer wakker wordt.’

Emal Zalmaai (links) en zijn vrouw Maryam Borhani. Beeld Ivo van der Bent
Emal Zalmaai (links) en zijn vrouw Maryam Borhani.Beeld Ivo van der Bent

Vrijheid, maar tegen een prijs

Ook het cv van Toba Dehpoor (24) is door haar Afghaanse achtergrond beïnvloed. Op 2-jarige leeftijd kwam zij, de jongste van vijf kinderen, naar Nederland. Haar vader was in Afghanistan werkzaam geweest als hoogleraar agrarische economie en haar moeder als schooljuf. In Nederland hebben ze nooit emplooi kunnen vinden op hun eigen vakgebied of op hun oude niveau. ‘Mijn vader was chauffeur voor de buitenschoolse opvang, mijn moeder deed vrijwilligerswerk voor het Rode Kruis. Daarover hebben zij zich nooit beklaagd: het was de prijs die ze voor hun vrijheid en die van hun kinderen betaalden. Maar ze verwachtten wel dat we die vrijheid ook zouden benutten. Voor een zesje kregen we thuis geen complimenten.’

De kinderen gaven gehoor aan die ouderlijke aansporing. Allen volgden, of volgen, hoger onderwijs. Toba is zich gaan toeleggen op de orthoptie, een oogheelkundig specialisme. ‘Vroeger dacht ik weleens: Nederland heeft toch ook loodgieters en chauffeurs nodig? Maar achteraf ben ik mijn ouders dankbaar dat ze mij hebben aangemoedigd om het beste uit mijzelf te halen. Ik voel de verantwoordelijkheid om iets bij te dragen aan de Nederlandse samenleving. Als mensen in Harskamp protesteren tegen de komst van Afghaanse vluchtelingen, is dat een dreun tegen alles wat ik heb geprobeerd te bewijzen. Incidenten waarbij Afghanen zijn betrokken, zoals die aanslag in het Centraal Station in Amsterdam, enkele jaren geleden, krijgen beduidend meer aandacht dan onze bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Ik denk dat onze capaciteiten worden onderschat.’

. Beeld .
.Beeld .

Geen hechte gemeenschap

Hoezeer de bijna 50 duizend Afghanen in Nederland zich ook van hun herkomst bewust zijn, ze vormen geen hechte gemeenschap. De 130 verenigingen waarin zij zich hebben georganiseerd, bestaan vaak slechts op papier, hebben uitsluitend een postadres of zijn bereikbaar via disfunctionele websites of telefoonnummers van autorijscholen of bakkerijen. ‘Afghanen hangen niet zo aan elkaar’, erkent Niloufar Rahim (34). ‘Als zij elkaar ontmoeten, informeren ze naar de streek van herkomst, maar daar houdt het in de regel wel mee op.’ Toch hebben ze een onbestemd gevoel van ontheemding met elkaar gemeen. ‘Bij mij roept Afghanistan altijd het verlangen op naar het leven dat ik had kunnen hebben.’

Niloufar Rahim, voorzitter van de Afghaans-Nederlandse stichting Keihan, die zich inzet voor Afghanen in Nederland. Beeld Ivo van der Bent
Niloufar Rahim, voorzitter van de Afghaans-Nederlandse stichting Keihan, die zich inzet voor Afghanen in Nederland.Beeld Ivo van der Bent

Als huisarts in opleiding en als voorzitter van de Afghaans-Nederlandse stichting Keihan, heeft ze het land van herkomst sinds haar vlucht in 1997 nog herhaalde malen bezocht – voor het eerst in 2012, toen zij coschappen liep in het academisch ziekenhuis van Kabul. Het land dat ze toen aantrof, beviel haar zeer. ‘Je voelt het meteen zodra je er bent: hier kom ik vandaan. Ik kon destijds zelfstandig door het land reizen zonder me onveilig te voelen. Ik heb mij toen voorgenomen om na mijn studie weer naar Afghanistan terug te keren. Maar bij elk volgend bezoek raakte ik meer door twijfel bevangen. In 2012 bestond de helft van de studenten geneeskunde nog uit vrouwen, maar daarna slonk dat percentage gestaag. Intussen veranderde Kabul steeds meer in een vesting, en dat wakkerde het gevoel van onveiligheid alleen maar aan.’ Uiteindelijk, in 2018, verbond zij daaraan de conclusie dat voor haar geen toekomst in Afghanistan meer was weggelegd.

. Beeld .
.Beeld .

Gehersenspoeld

Zo is het ook Emal Zalmaai vergaan. Hij heeft Afghanistan sinds zijn vlucht, in 1998, weliswaar nooit meer bezocht, maar speelde tot voor kort nog met de gedachte zich er ooit weer te vestigen. Na de gebeurtenissen van de laatste weken is die illusie vervluchtigd. ‘Het mooie land van vroeger is een gestoord land geworden. De nieuwe machthebbers zijn mannen die vanaf hun 4de jaar zijn gehersenspoeld. Mensen uit de bergen die zich in Kabul, als ze voor een hoog gebouw staan, afvragen: wat is dít voor iets? Ze zijn misschien minder brutaal dan twintig jaar geleden, maar ze oefenen hun terreur buiten het zicht van de camera’s uit. ’

Toba Dehpoor staat nog steeds in verbinding met enkele Afghaanse geneeskundestudenten die Nederland in het kader van een uitwisselingsprogramma van stichting Keihan hebben bezocht. Van hen krijgt zij niet de indruk dat de Taliban de verlichte Afghanen willen behagen. ‘Ze wandelen operatiekamers binnen en eisen dat hun mensen het eerst worden geholpen. Ze verrichten huiszoekingen, en nemen mensen mee van wie sindsdien niets meer is vernomen.’

Afghanen die al vele jaren in Nederland wonen, zien nu dagelijks beelden die hen herinneren aan een verleden dat zij hadden verdrongen – of waarover zij onderling niet spraken. ‘Mijn ouders zijn kapot van wat er de laatste tijd in Afghanistan is gebeurd, maar daaraan geven ze geen directe uiting’, zegt Toba Dehpoor. ‘Over de thema’s die hen het meest bezighouden spreken zij niet. Hun generatie lijdt in stilte.’

Meer over