Adresje

Iedereen heeft adresjes. Zo ken ik iemand die in Parijs alleen bij Brasserie Lips eet. Dat kun je nauwelijks een adresje noemen - het is een van de beroemdste zaken van Europa - ,maar hij weet het toch altijd weer zo te spelen dat het lijkt alsof hij de zaak...

Zelf heb ik ook een adresje in Parijs, een klein restaurant in het tiende arrondissement, Arthur gegeten. Het tiende is een buurt waar van oudsher de kleermakers van Parijs zitten, naai-ateliers en groothandels. Er zijn ook heel veel kappers gevestigd, vooral voor kroeshaar, en een groot aantal theaters.

Arthur bedient tussen de middag acteurs, regisseurs, producenten en 's avonds publiek dat naar een voorstelling is geweest. De muren hangen vol foto's van beroemdheden die er hebben gegeten, van Philippe Noiret tot Jean-Paul Belmondo en met eigen ogen heb ik er Roman Polanski zien zitten, gewoon op een woensdagmiddag.

De baas van de zaak is een wat oudere, kalende man die altijd een zwarte coltrui draagt en meestal achter het barretje staat, hoewel hij bij vaste klanten wel eens wil aanschuiven. Hij wordt geholpen door een rijzige, ook al wat oudere heer, de maitre d'. Het oberbestand (meer dan drie kunnen er niet in, het is een kleine zaak) is wisselend en in de keuken beneden, naast de toiletten, werken alleen maar negers.

Enfin.

Gisteren liep ik er weer eens binnen. Het eerste wat opviel was dat er niets was veranderd. Altijd fijn. Het tweede: dat het koud was en vrijwel leeg. De maitre d' herkende me (ook fijn) en zette me aan een tafeltje bij het raam. In de loop van de avond zou hij regelmatig naast me komen staan om hoopvol de straat in te kijken.

Er waren twee obers in dienst: een klein, stokoud mannetje met flaporen en een jonge gozer van een jaar of zestien met een knots van een oorbel in. Hun witte overhemden waren grijs van ouderdom, de vlinderdassen hingen er zielig bij, de boorden waren kapot. Kort na mijn binnenkomst werden ze luidkeels toegesproken door de baas, het type exploitant dat als het wat minder gaat de schuld niet bij zichzelf zoekt, maar bij de clientèle en, als die uiteindelijk lang genoeg is weggebleven, bij zijn personeel.

Aangrijpend.

De enige andere klanten in de zaak waren drie dames die verderop zaten: een moeder en haar dochter en een vriendin. De moeder vertelde over haar leven, ze had tot 1995 bij een theatergezelschap gewerkt, toen was ze ontslagen. Voortdurend kwam ze er op terug, het was een magisch getal - quatre-vingts quinze, als een dramatische gongslag kwam al het almaar voorbij.

Intussen patrouilleerden de obers en de maitre d'. Vreselijk vind ik dat, obers die niets te doen hebben en dan met de handen op de ruggen tussen de lege tafeltjes door lopen, hier en daar een mes of vork nog rechter leggend en na iedere slok die jij genomen hebt je glas bijvullend, gedienstigheid met venijn - alsof het jouw schuld is dat het slecht gaat.

Het hoe slecht het ging in mijn lievelingsrestaurant bleek toen het eten kwam: de salade was ijskoud en voorzien van twee supermarktgarnalen, de entrecôte zo taai als de spreekwoordelijke schoenzool. Mijn hart brak, maar het duurde wel de hele avond voor het tot me doordrong dat ik nu dus een adresje minder had.

Meer over