ACHTENZESTIGERS ONDER ELKAAR

JOSCHKA Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, moest zich deze week voor zijn vlegeljaren verantwoorden in de Bondsdag en getuigen in het proces tegen zijn oude kameraad Hans-Joachim Klein....

Hans Wansink

Deze strijder van de Rote Armee Fraktion wordt verdacht van betrokkenheid bij een aanslag op OPEC-ministers in 1975 in Wenen, waarbij drie doden vielen. Fischer heeft indertijd Klein ervan proberen te weerhouden het gewelddadige politieke pad op te gaan.

Fischer (52) noemt zichzelf een 'achtenzestiger'. In dat jaar manifesteerde de voorhoede van de naoorlogse babyboomgeneratie zich in demonstraties tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam en studentenopstanden. Zowel in Duitsland als in Parijs trad de politie meedogenloos tegen de demonstranten op.

Fischer, in het weekblad Stern: 'Eerst vluchtte ik weg. Later sloeg ik terug. Toen begon de fascinatie met revolutionair geweld, die vele achtenzestigers tot de afgrond heeft geleid. De meesten deinsden terug, sommigen niet. Ik heb de oprichters van de RAF persoonlijk gekend.'

De zachtaardige Duitse studentenleider Rudi Dutschke raakte eind maart 1968 levensgevaarlijk gewond bij een aanslag. Daniël Cohn-Bendit - vriend van Fischer, nu europarlementariër voor de Franse Groenen - bracht op hetzelfde moment in Parijs een groot aantal studenten op de been om tegen het 'Amerikaanse imperialisme' te demonstreren.

Op 3 mei 1968 sloeg de vlam in de pan. De politie bood bezetters van de Sorbonne, in het centrum van het Parijse Quartier Latin, de mogelijkheid het universiteitsgebouw vreedzaam te verlaten, maar pleegde verraad. Toen de studenten naar buiten kwamen, werden ze in politiebusjes gedreven en afgevoerd.

De demonstranten die wisten te ontkomen, begonnen de politie te bekogelen met straatstenen en wierpen barricades op. De politie antwoordde met traangas. Aan het eind van de dag waren er honderden gewonden, onder wie tachtig agenten, en 590 arrestanten.

De studenten gingen dromen van een revolutie die het rechtse regime van De Gaulle en Pompidou omver zou werpen. De oude generaal raakte van slag, maar Pompidou paaide de studenten en jonge arbeiders met concessies en schreef verkiezingen uit. Op 14 juni werd de Sorbonne ontruimd. Op 30 juni wonnen de aanhangers van De Gaulle 358 van de 485 zetels in de Assemblée.

Deze verkiezingsuitslag illustreerde perfect hoe marginaal het studentenradicalisme van 1968 in politiek opzicht is geweest. Ook in Duitsland raakten de studentenrebellen gemarginaliseerd. De SPD van Willy Brandt wilde absoluut niks te maken hebben met de Sponti's. Fischer: 'Het was de tijd dat er op Rudi Dutschke werd geschoten, dat de politie tegen demonstranten riep: ''Jullie moeten vergast worden''. De Duitse democratie toonde ons een gezicht waarin de continuïteit met het nationaal-socialisme zichtbaar was. Dat heeft bij ons vijandbeelden geschapen. Voor ons was de vijandschap tegen de staat geen theorie meer, maar praktijk - hoe gek dat vandaag de dag ook mag klinken.'

Het autoritaire gezag werd in de roerige jaren zestig en zeventig effectief onklaar gemaakt door actievoerders, avant-garde kunstenaars en popmuzikanten. Maar de pogingen van een kleine groep door Marx, Mao en Marcuse gegrepen would be-revolutionairen om de kapitalistisch-democratische maatschappij omver te werpen, werden in de kiem gesmoord door het gezond verstand van de consumerende arbeidersklasse en de wijsheid van burgerlijke leiders als Pompidou om een toontje lager te zingen.

Elke generatie zet zich tegen haar ouders af. Maar met het volwassen worden vindt een verzoening met de maatschappelijke orde plaats en wordt de verantwoordelijkheid voor het opvoeden van een nieuwe generatie aanvaard.

Het unieke van de generatie van Joschka Fischer was dat het verzet zich richtte tegen het idee van ouderschap als zodanig. De weigering om gezag te aanvaarden, om verantwoordelijkheid te nemen, kortom: om volwassen te worden, heeft aanvankelijk tot overspannen verwachtingen en later tot ontsporingen geleid.

In feite is links, met zijn Derde Weg, nog steeds bezig het contact met de werkelijkheid te herstellen. Opmerkelijk genoeg nemen de soixante-huitards daarbij het voortouw. Fischer zelf lanceerde een blauwdruk voor een Europese politieke unie. Bondskanselier Gerhard Schröder, in 1968 voorzitter van de radicale Jusos, steunde hem daarbij.

Na de val van de Berlijse muur konden de soixante-huitards kiezen tussen irrelevantie of herbezinning. Prominenten uit de toenmalige marxistische scene als Manuel Castells, Anthony Giddens, Pierre Bourdieu en Ulrich Beck kozen voor het laatste en duiken nu opnieuw op met vaak interessante diagnoses van de tijd.

Meer over