Abdijgelovigen, religieuze snobs

Er is nauwelijks een meer ontmoedigende lijst dan die van de Franse benedictijnenkloosters vlak voor de Revolutie. Het zijn er zeer veel, bijna alle staan op sterven, met maar enkele monniken als Gods pachters....

Deze dagen vertrekken de laatste dertien monniken uit de Sint-Paulusabdij in Oosterhout naar aanleunwoningen. In het journaal kon men de dertien ouderen nog even zingend een kerk horen vullen. Het is voorbij. Na bijna honderd jaar. De stichters van hun abdij kwamen uit het klooster van Wisques bij Saint-Omer. In 1901 had de Franse regering alle kloosters opgeheven. Whisques was een stichting van het bloeiende Solesmes (dat naar het eiland Wight was uitgeweken). De Franse benedictijnen brachten een gregoriaans mee zoals het in Nederland nog nooit was gehoord en al gauw was de liturgie van de monniken voorbeeldig. Voornaamheid en verfijning waren aan het nieuwe klooster niet te ontzeggen. Dat bleef zo, ook toen er Nederlanders er intraden. De abt was van 1907-1941 een Fransman, Jean de Puniet heette hij, hij had een schitterende en edele kop, haast middeleeuws. Grote theologische schrijvers heeft Oosterhout, in tegenstelling tot Solesmes met de zeer productieve Guéranger en de geleerde patristicus André Wil-mart, niet opgeleverd. De grote invloed kwam van de abdij zelf. Op een bepaalde klasse van katholieken.

Er was in Nederland een aantal trappistenkloosters, een soort christelijke kolchozen. Er werd gezwegen, gevast, gebeden en gewerkt. De monniken waren minder verfijnd dan de benedictijnen, hun gregoriaans was grondiger, hun spiritualiteit vrij elementair, de devotionele kitsch bereikte heilige hoogten. Hun kloosters werden niet overlopen door gasten, ze stonden daar midden op het land, zwijgend. De trappisten hebben nooit een nu totaal uitgestorven soort katholieken opgeleverd: de abdijgelovigen, een soort religieuze snobs. Zij vonden huis en haard in Oosterhout. Een katholieke Nederlandse dichter liet zijn zoontje zijn eerste communie doen bij de benedictijnen! En daar maakte een andere dichter weer een gedichtje op. Wat er in parochies en andere kloosters gebeurde, werd provinciaal en burgerlijk geacht. Muloscholen waren de andere naast het gymnasium van Oosterhout. De abdij van Steenbrugge in België, met een beroemde dure kostschool, trok of trekt (in Vlaanderen gaat alles langer door) gelijksoortige roomsen aan. Sommigen – de allerergste – werden oblaat van de orde: zij murmelden thuis, op afstand, het koorgebed mee.

De Franse geest waaide over of terug. Oosterhout had zo veel monniken dat het drie andere kloosters in Nederland kon stichten, in Egmond, Vaals en Doetinchem. De bloei is nu haast onbegrijpelijk. De invloed – ook op het gebied van de religieuze kunst – al evenzeer. Het gregoriaans en het Latijn verdwenen nagenoeg. Het koorgebed ging – behalve in Vaals – in het Nederlands. De laatste beroemde novice van Oosterhout was Pieter van der Meer de Walscheren, die op zijn 74ste kwam meezingen. Hij stierf er in 1970. Een intieme vriend vroeg hem eens: ‘Hoe is het nu daar binnen?’, waarop hij antwoordde: ‘Het stelt niets voor.’ Hij moet niet gezien hebben dat nu de essentie was bereikt.

Het einde is al het begin. De eerste twee Franse monniken woonden in Oosterhout in een klein huisje. De dertien trekken ook weer de burgerwoning in, noodgedwongen. Een 88-jarige verklaarde liever te zijn gebleven. De dertien onthechten zich voor het laatst. Een heel grote communiteit laten zij achter: op het kerkhof.

Meer over