Aanpak kunstroof is in het belang van Noord en Zuid

KUNSTROOF is zo oud als de weg naar Rome, en gaat nog steeds door. Denk maar aan Russische iconen, tempelschatten uit Guatemala en Mexico of Afghaanse gouden munten die op de markt verschijnen....

Diefstal en illegale uitvoer van cultuurobjecten zijn moeilijk tegen te gaan, zoals vooral arme landen ondervinden. Ze missen meestal de middelen om hun eigen erfgoed te behouden.

De zogenaamde Unidroit-conventie, die Nederland onlangs heeft getekend, wil die diefstal en illegale uitvoer tegengaan. Veel kunsthandelaren zijn tegen de conventie. Zo ook Hans van Witteloostuijn (Forum, 31 augustus). Hij vermoedt dat het kabinet zich in een onbewaakt ogenblik aan het verdrag heeft gebonden.

Het meest is deze handelaar in primitieve kunst gekant tegen de omgekeerde bewijslast die de conventie eist: voortaan moet een kunstkoper bewijzen dat hij te goede trouw was op het moment van aankoop van zijn object. Die goede trouw houdt onder meer in dat hij de herkomst ervan onderzoekt. Geen enkele rechter zal echter eisen dat een koper álle registers heeft geraadpleegd, maar wel die bronnen die de betrokken koper in redelijkheid had kunnen raadplegen. Zo beschikt Unesco over lange lijsten met gestolen cultuurgoederen.

De wortels van het kwaad liggen volgens Van Witteloostuijn in de landen van herkomst. Daar moet eerst een aantal zaken veranderen. Zij moeten lijsten opstellen van wat cultureel erfgoed is en wat niet.

Nu hebben de meeste landen alleen een wet die bepaalt dat alle voorwerpen van een zekere (arbitraire) leeftijd deel uitmaken van het nationale erfgoed. Dat is inderdaad een hele brede definitie, maar de meeste ontwikkelingslanden missen de capaciteit om een beperkte lijst met cultuurgoederen op te stellen. Nederland en andere westerse landen hebben wel zo'n lijst. Er zit dus niets anders op dan de lokale wetgeving te respecteren.

Verder moeten ontwikkelingslanden volgens de kunsthandelaar iets doen aan de corruptie in eigen land. Inderdaad verdienen sommige museumdirecteuren en douaniers zelf aan de plundering van hun erfgoed. Dat is echter geen rechtvaardiging voor westerse handelaren om dat dan ook maar te doen.

Kunstroof is typisch een probleem van het Zuiden én het Noorden. Douaniers en museumdirecteuren bezondigen zich eraan omdat zij er zeker van zijn dat collectioneurs in de meer welvarende delen van de wereld er grof geld voor willen betalen.

Met zijn stelling dat Unidroit 'de ontplooiing van kennis over andere culturen' zal belemmeren, vergeet Van Witteloostuijn dat er de afgelopen jaren in Nederland verschillende tentoonstellingen zijn geweest van objecten die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van ontwikkelingslanden. Kenmerkend voor die tentoonstellingen is niet alleen dat er stukken van topklasse zijn te zien, maar ook dat ze in nauwe samenwerking zijn gemaakt met de landen van herkomst.

De auteur slaat de plank mis als hij de voorstanders van de Unidroit-conventie verwijt de indruk te wekken 'dat het kopen van primitieve kunst iets immoreels is'. Een enkeling vindt dat misschien, maar de meeste voorstanders van de nieuwe conventie willen alleen de handel bijsturen en die gebruiken als instrument tegen cultuurroof.

Onder die voorstanders zijn sinds eind 1994 de volkenkundige musea in Nederland. Zij besloten zich voortaan verre te houden van 'verdachte' cultuurobjecten en er alles aan te doen de smokkel ervan tegen te gaan. Het kabinet heeft zich hier vervolgens ook aan gecommitteerd.

'Hoe kritisch zijn onze ministers?', vraagt de kunsthandelaar zich desalniettemin af, en zeker als er volgens hem 'een voorstel op tafel ligt dat weinig met hun vakgebied te maken heeft'. Verschillende bewindslieden hebben de conventie echter zeker kritisch bestudeerd. Bij de totstandkoming ervan waren naast het departement van Justitie ook de ministeries van Economische Zaken, Financiën, Cultuur, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking betrokken. Een interdepartementale groep ambtenaren heeft zich jarenlang over de materie gebogen en alle dilemma's doorgenomen.

De vraag is daarom niet: Hoe kritisch zijn onze ministers, maar: Hoe kritisch zijn onze kunsthandelaren?

Jos van Beurden

De auteur is freelance journalist, gespecialiseerd in het behoud van het cultuurgoed van het Zuiden.

Meer over