Aandacht voor de omgeving

Nog geen twee maanden nadat hij z'n allereerste boek had voltooid, stierf Viktor Mann, het 'kleine broertje' van Heinrich en Thomas....

Jan Blokker

In de grafrede suggereerde z'n uitgever dat hij al die jaren bewust had gezwegen omdat hij de wedijver met de beroemde broers niet had willen aangaan. Maar, voegde hij eraan toe, intussen was bewezen dat het schrijverschap van Viktor niet onderdeed voor dat van Heinrich en Thomas.

Beide beweringen hadden natuurlik een hoog over-de-doden-niets-dan-goeds-gehalte. Nergens in leven en loopbaan van Viktor kom je iets tegen dat naar schrijversambitie zou kunnen verwijzen, laat staan naar het vrome voornemen om talent in die richting te onderdrukken vanwege dreigende literaire oververtegenwoordiging in de familie.

Hij moet een aardig, speels en gemiddeld begaafd jongetje zijn geweest dat met wat moeite de middelbare school afmaakte, het liefst boer had willen worden (maar dat zou waarschijnlijk beneden de burgerstand van de Manns zijn geweest), en ten slotte als employé van een provinciale bank enige expertise ontwikkelde als agrarisch adviseur. Hij moest nog veertien worden toen Thomas al Buddenbrooks op zijn naam had staan, en Heinrich Professor Unrat - en daar zal hij tegen schoolvriendjes wel over hebben opgeschept, maar uit niets blijkt dat hij hun lichtend voorbeeld ooit serieus heeft willen volgen. Aangenomen dat hij het had gekund.

En het schrijverschap dat bij de open groeve geroemd werd?

We waren met z'n vijven is zonder twijfel een onderhoudend boek, al kan er geen misverstand over bestaan dat eenzelfde soort boek, met eenzelfde soort herinneringen en anekdotes over leden van de familie Jansen een stuk minder interessant zou zijn geweest, of het had wel ontzettend briljant geschreven moeten zijn.

Natuurlijk heeft het nakomertje in z'n memoires zwaar geleund op de faam van zijn grote broers, en dat is ook geen schande. Van de vijf kinderen uit het gezin gaat het, behalve over de kleine en opgroeiende 'Viko', vooral over 'Heini' en 'Ommo'. De meisjes, die trouwens vóór de Tweede Wereldoorlog al waren gestorven (Carla, twaalf jaar ouder dan Viktor, pleegde zelfmoord), spelen een ondergeschikte rol. Maar des te gretiger gebruikte Viktor thema's, voorvallen, locaties en personages uit het werk van Heinrich en Thomas om die als het ware verklarenderwijs 'terug te koppelen' naar gebeurtenissen uit hun gezamenlijk verleden.

Dat blijkt soms een wat al te amateuristische en bovendien enigszins riskante onderneming. Viktor heeft tenslotte de hele Lübeckse ('Buddenbrookse') voorgeschiedenis van de familie gemist: hij was amper twee jaar toen de oude Mann overleed en zijn moeder met het gezin naar München verhuisde. En dus moest hij van tijd tot tijd te rade gaan bij bronnen buiten z'n eigen geheugen, en dat spoort weer niet met het 'intieme' of in ieder geval authentiek bedoelde karakter van het boek.

Je komt in We waren met z'n vijven voortdurend twee soorten herinnering tegen: de echte en de afgeleide. De echte zijn verreweg de aardigste: de oudejaarsnacht 1900 waarin de negenjarige Viktor voor het eerst mag opblijven (en een paar glaasjes bowl mag meedrinken), het kostelijke bruidsjonkerverhaal van het iets oudere jongetje dat zich eerst doodgeneert om als 'meid' achter de bruidsjurk van z'n zusje (Julia) te moeten lopen, maar aan het eind van de feestdag behalve een beetje dronken ook nog verliefd is geworden, veel scènes uit het overwegend volwassen gezin gezien door de kinderogen - dat is allemaal het lezen meer dan waard.

Maar niet zo gauw moet Viktor putten uit andermans verhalen, of uit boeken die al dan niet door de grote broers zijn geschreven, of de aardigheid slinkt zienderogen. Daar komt bij dat het kleine broertje een weinig ontwikkelde aanleg heeft voor wat in het Montessori-onderwijs 'aandacht voor de omgeving' heet.

Over het München waarin hij groot wordt, lijkt hij de broers (en anderen) na te praten, die het liberale, artistieke klimaat in de wijk Schwabing bezongen. Maar dat was rond de eeuwwisseling. Zeker na de Eerste Wereldoorlog veranderde de politieke stemming in de stad (ooit trots het 'Athene aan de Isar' genoemd) pijlsnel - en bankemployé Mann schijnt niet gemerkt te hebben hoe z'n omgeving zich soepel voorbereidde op de komst van Hitler. De stad van Thomas en Heinrich Mann, van de Münchener Sezession, van Kandinsky, van de Blaue Reiter en van een hele kring rond Wedekind, werd binnen een paar jaar de bakermat van het Duitse fascisme. En dat lijkt aan Viktor voorbij te zijn gegaan, zoals de Republiek van Weimar en de onweerstaanbare opmars van de nazi's aan hem voorbij moet zijn gegaan. Wie behoefte heeft aan een beeld van de Duitse samenleving in de eerste veertien, vijftien jaar van het interbellum, kan beter bij Sebastian Haffner (Geschichte eines Deutschen) terecht dan bij Viktor Mann.

Je zou kunnen zeggen: Viktor beoogde een 'portret van de familie Mann', en die familie was in 1933 definitief uit elkaar gevallen. De moeder en het oudste zusje waren dood, het jongere zusje zou kort daarna sterven, en de nationaal-socialistische machtsovername joeg ten slotte de twee beroemde schrijversbroers het land uit. Het portret bestond niet meer - dus wat zou hij zich nog hebben moeten herinneren van een familie die had opgehouden te bestaan?

Maar in de laatste zestig bladzijden van het boek komen de twaalf jaar aan de orde waarin Viktor als enig lid van de beroemde familie nog in Duitsland leeft. En je hebt de indruk dat die cruciale twaalf jaar misschien wel de belangrijkste oorzaak ervan was dat het nakomertje zich geroepen voelde om uiteindelijk ook nog een beetje schrijver te worden: niet om zich uit die eenzame periode nog dingen te herinneren, maar om zich ervoor te verantwoorden.

'Ik ben geen martelaar van het Derde Rijk geworden', schreef hij. 'Ik ben niet serieus vervolgd of zelfs gevangengezet in de vernietigingskampen. Het was wel verwonderlijk dat een broer van twee ''staatsvijanden'' het Hitlerrijk kon overleven. Dat ik er doorheen gekomen ben roept de verdenking op van medeplichtigheid, dat geef ik toe. Maar in werkelijkheid ligt mijn, ligt onze medeplichtigheid in het feit dat we ons aan de toenmalige omstandigheden aanpasten, dat we er door middel van een zekere struisvogelpolitiek ondanks alles mee leerden leven. En dat is helemaal niet zo slecht, dank zij de door bewapeningsconjunctuur veroorzaakte economische bloei.'

Merkwaardig zinnetje, dat laatste - alsof Viktor ook langs 'Stunde Null' heeft geleefd. Maar de betrekkelijke schuldbekentenis is interessant. Hij wist in 1949 dat er onder intellectuelen sprake was geweest van een 'innere Emigration', en hij biechtte typerend op: 'Ik heb daar nauwelijks iets van gemerkt, laat staan dat ik me er bij heb aangesloten.'

Nooit echt aandacht voor de omgeving gehad.

Hoe de broers op Wir waren fünf hebben gereageerd, is wat mistig gebleven.

Onmiddellijk na de oorlog zocht Viktor contact met Thomas in Amerika, en uit Thomas' dagboeken lees je beleefde belangstelling voor het lot van het 'kleine broertje' dat al die tijd in Hitlers Duitsland was gebleven. Pas twee jaar later zouden ze mekaar terugzien - in Zwitserland, want Thomas achtte de tijd voor een bezoek aan Duitsland nog niet rijp; misschien moet je zeggen dat hij Duitsland nog niet rijp achtte. Zelfs voor Viktors begrafenis heeft hij dat besluit niet willen opschorten.

Viktors uitgever die aan het graf zo hoog van zijn auteur had opgegeven, kreeg een bedankbriefje uit Californië. 'Zijn dood is een groot verlies', schreef Thomas. 'Ik ben ervan overuigd dat hij zichzelf en anderen in het leven nog veel vreugde zou hebben geschonken.'

Maar geen woord over dat zojuist verschenen boek.

Meer over