Aandacht! Aandacht! Aandacht!

Al direct aan het begin kan een speech enorm slaapverwekkend zijn. Begin daarom met iets pakkends: een anekdote, een oplossing of uw deskundigheid....

Hoe krijg je als spreker je gehoor op het puntje van zijn stoel? Met een pakkend begin. Dus niet met een slaapverwekkende introductie van het type: 'Geachte aanwezigen. Mij is gevraagd het hier vanmiddag te komen hebben over . . .' want dat is voor de luisteraars het signaal dat er een obligaat verhaal volgt.

Sprekers scheppen voor zichzelf een welwillend gehoor met een spannende introductie, stelt taalbeheerser drs. Jaap de Jong: 'Een begin dat betekent: let op: de volgende tien minuten ga je iets speciaals meemaken.'

Samen met communicatiekundige drs. Bas Andeweg promoveert De Jong op 17 mei in Nijmegen op een onderzoek naar de eerste minuten in toespraken. Ze geven een overzicht van alle aanwijzingen die daarover sinds Aristoteles zijn opgeschreven.

Ze bekijken de speeches van ministers en staatsecretarissen, plus die van ingenieurs die vaak toespraken houden. Wat voor middelen passen sprekers toe om hun publiek voor zich te winnen, en werken die middelen ook echt? Aan hun onderzoekresultaten voegen ze een corpus toe van tips en wetenswaardigheden voor professionele sprekers.

Volgens de klassieke redenaarskunst, de retorica, hebben de eerste minuten van een toespraak drie functies, aldus De Jong en Andeweg. De aandacht trekken. Het publiek welwillend maken om te luisteren. En de toehoorders in staat stellen de toespraak te begrijpen door het onderwerp toe te lichten. Die drietrapsraket is nodig omdat het publiek vanuit zijn eigen dagelijks leven komt binnenstappen. Het is eigenlijk helemaal niet bezig met het verhaal dat spreker zal gaan ophangen.

Om dat publiek te prikkelen tot luisteren, kiezen sprekers doorgaans uit drie soorten introducties, aldus De Jong en Andeweg. De eerste is een veelvuldig toegepaste: ze beginnen met een anekdote. Volgens de overlevering begon de voorzitter van het Productschap voor Vee en Vlees eens een speech met: 'Vegetariers denken dat ze ouder worden dan anderen. Maar dat is niet zo: ze zien er alleen ouder uit.' Door zo'n grap is iedereen bij de les.

De tweede redenaarstruc is: u heeft een probleem, en ik ga dat oplossen. Daardoor is het publiek in klap gemotiveerd om op te letten.

De derde manier waarop sprekers de aandacht vragen, is door het accent te leggen op hun eigen deskundigheid. 'Ik ben de specialist, en mijn bedrijf is marktleider op dit gebied'. Opmerkelijk is dat zo'n spreker volgens Andeweg en De Jong weliswaar wordt ervaren als een opschepper, maar dat toehoorders achteraf desondanks zeggen dat ze hem heel geloofwaardig vinden. Begint een spreker daarentegen met een formulering als: 'Ik ben niet de specialist, want die was helaas verhinderd en ik neem de honneurs waar', dan wordt hij als ongeloofwaardig ervaren.

De Jong en Andeweg toetsen de praktijk van de speech-schrijvers van ministers en staatssecretarissen aan die klassiekeretorica. Bewindspersonen houden zo'n honderd tot honderdvijftig toespraken per jaar, dus die schrijven ze niet zelf. Daartoe hebben bewindslieden ieder een clubje van drie, vier specialisten in huis. Die schrijven hun speeches, uiteraard na instructie door de spreker.

Andeweg en De Jong bekijken die geschreven teksten. Die beginnen vaak met een prikkelende bewering, of met een pakkend citaat om de aandacht te trekken. Humor is echter een schaars goed. Stel je voor dat de inleidende anekdote van de minister niet grappig wordt gevonden, dan maar liever helemaal niet proberen leuk te zijn.

Om het publiek welwillend te krijgen, beperken bewindslieden zich doorgaans tot het vleien en prijzen van de luisteraars. Uitleggen waarover ze het zullen hebben, doen bewindslieden vrijwel nooit; een 'bruggetje' in de tekst voert direct naar het verhaal zelf.

De Jong merkt op dat ministers in werkelijkheid vaak afwijken van de uitgeschreven tekst. Neem Maria van der Hoeven, van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen. Een zeer ervaren spreker, die voorgeschreven beginnetjes doorgaans aanvult met persoonlijke improvisaties. Zij maakt contact met de zaal door in te haken op wat er was gebeurd voordat zij het podium betrad.

Maar bij een zekere lezing zei ze vervolgens: '. . . en dan ga ik nu naar mijn tekst.' Niet doen, stelt De Jong.

De onderzoekers keken ook naar de redes van duizend ingenieurs. Zij presenteren hun werk gemiddeld eens in de twee, drie weken voor toehoorders. Ingenieurs blijken zich van de zegeningen van de retorica weinig aan te trekken. Ze zijn vooral gefixeerd op hun onderwerp, maken geen werk van een goed contact met de toehoorder. Een leuke binnenkomer om het publiek te prikkelen zit er doorgaans niet in, evenmin als een vleiende opmerking om de luisteraars welwillend te maken. Wel attenderen ze op hun eigen deskundigheid, en leggen ze uit waarover hun praatje zal gaan.

Hebben de retorische trucs ook zin, uiteindelijk? Jazeker, zeggen De Jong en Andeweg. Toehoorders blijken direct na een prikkelende start aantoonbaar beter bij de les te zijn.

Meer over