'Aan struisvogelhouderij valt best te verdienen'

Aan struisvogels valt geld te verdienen, zo werd onwetende Nederlandse boeren begin jaren negentig voorgehouden. Het bleken loze beloftes. Maar de gebroeders Campmans in Raalte zetten door....

Tijdens de koffie rinkelt het mobieltje van Frank Campmans. In Engels met een Overijssels accent staat hij de beller te woord. 'Een klant uit Bulgarije die struisvogelkuikens wil', zegt Campmans na afloop. 'Ik weet niet hoe die man aan mijn naam komt. Zo bellen ze ook uit Rusland, Turkije, Griekenland, noem maar op.'

Campmans wil maar zeggen: al die verhalen dat aan de struisvogelhouderij niets te verdienen valt, gaan wat hem en zijn broer Peter betreft niet op. Met een lach wijst hij naar de stapel brood die op de keukentafel klaar staat. 'Daar zit toch genoeg kaas op, of niet dan?'

Geen flauw idee hadden Frank en broer Peter toen ze begin jaren negentig besloten het varkensbedrijf en de veehandel van hun vader uit te breiden met struisvogels. 'Ik wist niks van die beesten, maar er had een stuk in het Agrarisch Dagblad gestaan. De struisvogel zou het helemaal gaan maken.'

Frank Campmans moet toegeven dat hij, net als vele anderen, maar op één ding afging: de belofte dat een struisvogelei vierhonderd gulden zou gaan opbrengen. 'Wij vonden het al gouden handel als het de helft zou worden.'

Zo kwamen de eerste tien kuikens naar het boerenbedrijf in Raalte. Een half jaar later werd besloten toch ook maar vijftien volwassen vogels aan te schaffen. Anders was het zo lang wachten op de eerste eieren. Het duurt namelijk ruim twee jaar voordat een kuiken eieren gaat leggen. De grote vogels werden regelrecht ingevlogen uit Zuid-Afrika. Kosten: 15 duizend gulden per vogel.

Toen bleek hoe onbezonnen en onvoorbereid de gebroeders Campmans aan hun struisvogelavontuur waren begonnen. 'Wij kochten de dieren in juli. Dan is het winter in Zuid-Afrika. Voordat ze hier gewend waren, was het hier ook winter. Daardoor waren ze zo van de leg, dat wij dat eerste jaar maar één ei hebben geraapt. Een jetlag van een heel seizoen. Stom, we hadden daar gewoon niet bij stil gestaan.'

Dat ene struisvogelei werd verkocht voor 250 gulden, conform het contract dat de gebroeders Campmans met een handelaar hadden afgesloten. Na al hun investeringen, waren dat de enige inkomsten. Achteraf vindt Campmans zelfs die 250 gulden nog veel. Er was niet eens gekeken of het ei wel was bevrucht.

Terugblikkend op het aanvankelijke enthousiasme in Nederland voor de struisvogel, zegt Campmans: 'Ik denk dat de mensen die al die mooie praatjes over struisvogels verkochten, het zelf eigenlijk ook niet wisten. Ze riepen maar wat. Zo beloofden ze ook dat die vogels wel zeventig tot tachtig eieren per jaar zouden leggen. Niet dus. Ik weet nu dat het er gemiddeld vijftig zijn.'

Campmans was niet de enige die zich had laten verleiden door de aanlokkelijke verhalen. Menig Nederlander stortte zich op de goudmijn die struisvogel zou heten. Op het hoogtepunt van de hausse telde de Nederlandse Struisvogelorganisatie (NSO) 150 leden. Dat aantal is alweer geslonken tot 55. Het was ook te mooi om waar te zijn: je schaft een paar vogels aan, geeft ze 's morgens wat voer, gaat vóór het acht-uurjournaal even de eieren rapen en kom maar op met dat geld.

'Iedereen fokte elkaar maar op', weet Campmans. Dat moest een keer fout gaan. Er kwamen te veel vogels, te veel eieren. Maar er was bij voorbeeld geen slachterij met voldoende kennis van struisvogels. Dus konden de struisvogelhouders nergens met hun dieren naar toe. Hoe kon de Nederlandse consument dan ooit in grote getale dat rode, gezonde struisvogelvlees van eigen bodem gaan eten, zoals ooit was beloofd. En toen klapte de markt ineen.

De familie Campmans wist te overleven. Omdat de struisvogel voor de Campmansen aanvankelijk voor 'erbij was', én omdat ze vindingrijk waren. Is er in Nederland geen slachterij, dan richten we er toch zelf een op? Zo ontstond de MCH Ostrich Meat Group. Die levert struisvogelvlees aan de groothandel die het vervolgens op de markt brengt, met name in het buitenland.

Eigenlijk verdient de familie Campmans geld door een reeks producten te leveren en daarbij alles in eigen hand te houden. Ze handelen in eieren, ook al is de prijs van een ei gezakt naar 45 gulden per uitgekomen kuiken. Ze verkopen fokdieren, die weliswaar geen 15 duizend gulden meer opbrengen maar toch nog altijd 2500. En er zijn inkomsten uit de slacht: voor een flink dier wordt, voor vlees en huid, ongeveer vijfhonderd gulden betaald, wat vergeleken met een slachtvarken - dat 275 opbrengt - veel is.

Maar ook kleine inkomsten zijn welkom. Van de veren bij voorbeeld, die worden geverfd door ze in water met crêpepapier te leggen. Of van de leeggezogen, onbevruchte eieren, die worden gebruikt voor bloemstukken en lampen. Zelfs kapotte eierschalen zijn geld waard. 'Vroeger gooiden we die in een container. We stampten ze nog eens goed aan, omdat het ons dan minder geld zou kosten. En nu brengen die halve schalen geld op. Toen dacht ik: het moet niet veel gekker worden.'

De tien kuikens en vijftien volwassen vogels zijn er inmiddels duizend geworden. Op het moment zelfs dertienhonderd, maar dat heeft met het legseizoen te maken. Daardoor krioelt het bij de familie Campmans nu van de kuikens. Uitgebroed in eigen broedmachines, die een capaciteit hebben van in totaal 2600 eieren.

Peter laat de stallen met de jonge dieren zien, gesorteerd op leeftijd. Nieuwsgierig komen de vogels naar de geopende deur, zacht-bruine dons op hun koppies en prachtige bruine strepen op de lange halzen. De allerjongsten scharrelen rond op een kale vloer. Ook zoiets wat de Campmansen al doende moesten leren: als er stro op de vloer ligt, eten de kleinste kuikens dat op, en dat is slecht voor hun spijsvertering.

De kuikens mogen levende knuffels lijken, een volwassen struisvogel kan zelfs een pitbull afmaken, waarschuwt Frank. Zo is het gevaarlijk in de buurt van een haan te komen als er eieren op het nest liggen. 'Maar ons herkennen ze. Wij zijn die mannen die het voer brengen.'

In de weilanden rondom de kuikensstal stappen de volwassen dieren rond. De hanen in het zwart, de hennen in grauwbruin. Een struisvogel heeft iets deftigs, mijmert Frank. 'Dit is toch een vriendelijke manier van dieren houden', benadrukt hij, doelend op de politieke discussie over het minimum-aantal vierkante meters stalruimte per vogel.

Volgens de Europese richtlijn moet elke volwassen struisvogel tien vierkante meter stalruimte hebben. Volgens de NSO is dat de nekslag voor de struisvogelhouders. Die kunnen zich zulke grote stallen niet permitteren.

Campmans vindt zoveel ruimte per vogel ook niet nodig. 'De struisvogel is 95 procent van de tijd buiten. Ook als er sneeuw ligt. Dan zie ik ze hier buiten liggen, terwijl ze best naar binnen kunnen. En ook dan voelen ze onder hun veren nog lekker warm. Dit zijn toch scharreldieren.'

In Zuid-Afrika, weet Frank inmiddels, hebben de dieren het niet beter zoals vaak wordt beweerd. Afgelopen winter is hij er voor het eerst geweest. Het is tenslotte hét struisvogelland, en zijn grootste concurrenten zitten daar. 'Ik had het me heel anders voorgesteld. Ze hadden me verteld over mooie farms, waar alles even perfect is. En zo groot dat ze met een jeep achter de beesten aan moeten.'

Maar het bleek heel anders te zijn. 'Ze lopen daar op omheinde zandvlaktes waar niks te grazen valt. De boeren willen niet dat de vogels het open veld ingaan. Dan halen ze hun huid open aan de struiken, waardoor de huid niet meer verkocht kan worden. Wie wil er nou een tas met krassen.'

Frank heeft zo'n tas gekocht, voor 850 gulden, en dat was dan nog de goedkoopste. Maar als de familie Campmans met de gekleurde struisvogelveren en die tas op een beurs staat, krijgt ze veel bekijks. Struisvogelleer is in, weten ze ook bij de NSO. Het gaat goed met de economie, en dus kunnen de mensen het betalen.

'Het is nog steeds een avontuur,' vat Frank negen jaar struisvogelhandel samen. 'Er is elke dag wel wat. En omdat we nu zelf zijn gaan slachten, valt er nog altijd écht geld mee te verdienen.'

Meer over